Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 30 april 2026, door de rechtbank ontvangen op 1 mei 2026;
- het verweerschrift van de moeder van 5 juni 2026, door de rechtbank ontvangen op diezelfde datum.
- namens de moeder, haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger] .
2.De feiten
2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 februari 2026 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 4 februari 2027.
3.Het verzoek
4.De standpunten
5.De beoordeling
5.2. Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [minderjarige] al een poosje bij de tante vz verblijft. [minderjarige] voelt zich daar op haar plek. De kinderrechter vindt het daarom noodzakelijk dat de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend in het belang van [minderjarige] . Daarbij betrekt de kinderrechter dat de moeder op dit moment nog onvoldoende in staat is de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen en dat zij eerst aan haar eigen problematiek moet werken. [minderjarige] heeft bovendien ook zelf aangegeven de komende periode bij de tante vz te willen blijven. De plaatsing bij de tante vz biedt haar momenteel de benodigde rust en stabiliteit die zij nodig heeft.
5.3. Gelet op de duur van de ondertoezichtstelling zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg worden verleend tot 4 februari 2027. Het overig verzochte zal de kinderrechter afwijzen.
6.De beslissing
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.