ECLI:NL:RBROT:2026:6960

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
C/10/718368 / JE RK 26-736
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c, tweede lid, BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzoekt om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds mei 2025 onder toezicht staat en sinds december 2025 uit huis is geplaatst.

De moeder, belast met het ouderlijk gezag, is ondanks meerdere pogingen niet fysiek benaderd door de GI en toont een verwarde indruk in het beperkte contact via e-mail en WhatsApp. Er is weinig betrokkenheid van de moeder bij de minderjarige, die verblijft in een woongroep en therapie volgt.

De kinderrechter constateert dat de zorgen over de minderjarige niet zijn verminderd en dat het contact met de moeder onvoldoende is om stabiliteit en continuïteit te waarborgen. Daarom wordt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing met een jaar verlengd, met onmiddellijke ingang, ook bij hoger beroep.

De beslissing is genomen in het belang van de minderjarige, die op de woongroep de benodigde structuur en therapie kan blijven ontvangen.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden voor een jaar verlengd met onmiddellijke ingang.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/718368 / JE RK 26-736
Datum uitspraak: 12 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 16 april 2026, bij de griffie ingekomen op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger] .
1.3.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij [woongroep] .
2.3.
Bij beschikking van 30 mei 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 30 mei 2026.
2.4.
Bij beschikking van 3 december 2025 is de machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 26 mei 2026 verlengd.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd. Ondanks verschillende pogingen is het de GI nog steeds niet gelukt om de moeder fysiek te zien en te spreken. De moeder houdt iedere poging af. Er is wel contact via e-mail en WhatsApp, maar daarop ontvangt de GI regelmatig reacties en berichten waarin de moeder een verwarde indruk maakt. De GI heeft hier zorgen over. De vraag is ook wat [minderjarige] hiervan meekrijgt en welke invloed dit op haar heeft. Daarnaast lijkt er op dit moment nog altijd weinig betrokkenheid vanuit de moeder richting [minderjarige] te zijn. Zo is de moeder nog altijd niet op de woongroep geweest. De GI is inmiddels ongeveer een jaar betrokken en er is in die periode weinig veranderd in de samenwerking met de moeder. Daarom heeft de GI de afgelopen periode de focus vooral verlegd naar [minderjarige] en naar wat zij nodig heeft. In dat kader is [minderjarige] aangemeld voor emotieregulatie-therapie. Hoewel [minderjarige] aangeeft haar moeder regelmatig te zien, is het in de afgelopen periode niet gelukt om hier voldoende zicht op te krijgen. Als het ook de komende periode niet lukt om goed met de moeder in contact te komen, overweegt de GI om een onderzoek naar gezagsbeëindiging aan te vragen. [minderjarige] kan voorlopig op de groep blijven.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
4.2.
De zorgen over [minderjarige] zijn de afgelopen periode niet verminderd. Het is de GI, ondanks meerdere pogingen nog altijd niet gelukt om structureel contact met moeder tot stand te brengen en zicht te krijgen op het contact tussen de moeder en [minderjarige] . In het contact dat er wel is tussen de moeder en de GI, maakt de moeder een verwarde indruk. De kinderrechter heeft zorgen over dit ontbrekende zicht en over wat deze situatie met [minderjarige] doet. Zolang dit zicht ontbreekt, is immers niet zeker of de moeder [minderjarige] de continuïteit en stabiliteit kan bieden die zij nodig heeft. Het is daarbij van groot belang dat de moeder zich openstelt en de hulpverlening vanuit de GI toelaat. Daarmee kunnen voornoemde zorgen mogelijk worden weggenomen of aangepakt.
4.3.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat de ondertoezichtstelling voor de verzochte duur wordt verlengd. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar verlengen, te weten tot 30 mei 2027.
4.4.
Tot er meer duidelijkheid is over de situatie van de moeder en het contact dat zij met [minderjarige] heeft, acht de kinderrechter het ook in [minderjarige] ’s belang noodzakelijk dat haar plaatsing op de groep gecontinueerd wordt, waar zij op dit moment de structuur krijgt die zij nodig heeft en zij de benodigde therapie kan volgen. De kinderrechter zal daarom ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen voor de verzochte duur van een jaar, te weten tot 26 mei 2027. [2]
4.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 30 mei 2027;
5.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 26 mei 2027;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 door mr. D.G.J. Roset, kinderrechter, in aanwezigheid van S.L. Bulte als griffier, en op schrift gesteld op 20 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.