Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6986

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
C/10/720287 / JE RK 26-1010
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BWWet beëdigde tolken en vertalers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens onduidelijkheid over valincident en veiligheid

De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die op 3 mei 2026 ernstig gewond raakte na een val uit het raam. De toedracht van het incident is onduidelijk, met tegenstrijdige verklaringen van de ouders en de minderjarige zelf. Er lopen forensisch medisch en politieonderzoeken, evenals een onderzoek naar mogelijk eergerelateerd geweld.

De kinderrechter heeft tijdens een zitting met gesloten deuren, waarbij een beëdigde Syrisch-Arabische tolk aanwezig was, de minderjarige gehoord. De gecertificeerde instelling en de Raad ondersteunen het verzoek tot verlenging vanwege de onduidelijkheid en de noodzaak om de veiligheid van de minderjarige te waarborgen. De ouders verzetten zich tegen verlenging en verzoeken om uitstel tot na een gepland huisbezoek.

De kinderrechter oordeelt dat de verlenging noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige, zodat zij kan herstellen en de onderzoeken zorgvuldig kunnen worden afgerond. De machtiging wordt verlengd tot 23 augustus 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 23 augustus 2026 en de beschikking is direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/720287 / JE RK 26-1010
Datum uitspraak: 4 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[ouders],
hierna te noemen: de ouders, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M. ter Haar-Bas, kantoorhoudende te [locatie] ,
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Dordrecht.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 23 mei 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de ouders met hun advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ,
- een tweetal vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 2] en [vertegenwoordiger 3] .
1.3.
Aangezien de ouders de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar wel de Syrisch-Arabische taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van A. Toma, tolk in de Syrisch-Arabische taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover, met behulp van een tolk, een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
2.3.
Bij beschikking van 23 mei 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 23 augustus 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 20 juni 2026. Het overig verzochte is aangehouden.

3.Het aangehouden verzoek

3.1.
De Raad heeft verzocht [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook heeft de Raad verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Er is al beslist over de voorlopige ondertoezichtstelling en een gedeelte van de machtiging uithuisplaatsing. Partijen dienen nog op deze beslissing te worden gehoord. Er resteert verder nog een beslissing op de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] tot 23 augustus 2026.
3.2.
De Raad handhaaft het aangehouden verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het als volgt toe. [minderjarige] is op 3 mei 2026 in het ziekenhuis opgenomen met gebroken enkels en rugletsel, nadat zij thuis uit het raam is gevallen. Het is tot op heden niet duidelijk hoe dat is gebeurd. Zowel de ouders als [minderjarige] vertellen verschillende verhalen. Hier dient middels forensisch medisch onderzoek en een politieonderzoek duidelijkheid over te komen. Het Crisis Interventie Team (CIT) heeft hierbij ook een melding gemaakt bij het LEC EGG (Landelijk Expertise Centrum Eergerelateerd Geweld) om te onderzoeken of er sprake is van mogelijk eergerelateerd geweld. De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is nog nodig, om de onderzoeken zorgvuldig te laten plaatsvinden en zodat de veiligheid van [minderjarige] kan worden gewaarborgd.

4.De standpunten

4.1.
De GI ondersteunt het verzoek van de Raad. Er bestaan grote zorgen om de veiligheid van [minderjarige] . Gelet op de onduidelijkheid en de lopende onderzoeken is het noodzakelijk dat de verblijfplaats van [minderjarige] wordt gecontinueerd om haar veiligheid te waarborgen. De GI kan wegens het ontbreken van informatie over de thuissituatie, de veiligheid in de thuissituatie niet beoordelen en daarbij ook niet onderzoeken welke stappen er dienen te worden gezet in het inzetten van hulpverlening. Er is wel geprobeerd om bij de ouders een huisbezoek af te leggen, maar de deur werd niet open gedaan terwijl er wel een afspraak gemaakt was. Er is voor volgende week maandag opnieuw een huisbezoek gepland. De Raad heeft aangegeven het raadsonderzoek uit te willen breiden naar de andere kinderen van het gezin. De komende periode dient het perspectief van [minderjarige] te worden onderzocht.
4.2.
Door en namens de ouders wordt tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . De ouders zien geen reden tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing omdat er geen sprake is van onveiligheid in de thuissituatie. Subsidiair verzoeken de ouders om het verzoek aan te houden tot na het huisbezoek, zodat er meer duidelijkheid is over de thuissituatie. Het is voorheen niet gelukt om afspraken te maken, omdat de telefoons en andere elektronische apparaten in beslag zijn genomen door de politie. De ouders willen graag dat [minderjarige] terugkomt naar huis en willen meewerken aan het huisbezoek.

5.De beoordeling

5.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er ernstige zorgen bestaan over de veiligheid van [minderjarige] . Het is nog onduidelijk hoe zij op 3 mei 2026 uit het raam is gevallen. Alle betrokkenen vertellen hierover verschillende verhalen. Het is van belang dat er hierover duidelijkheid komt, net zo goed als over de veiligheid van [minderjarige] in haar thuissituatie. In de tussentijd is de continuering van de huidige verblijfplaats van [minderjarige] noodzakelijk zodat haar veiligheid wordt gewaarborgd en zij de rust ervaart om te herstellen van haar ernstige verwondingen. Daarom is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De komende periode moeten de uitkomsten van de onderzoeken worden afgewacht en de veiligheid van [minderjarige] in de thuissituatie in kaart worden gebracht. Dit zal de nodige tijd in beslag nemen, zodat de kinderrechter geen aanleiding ziet om de machtiging te verlenen voor een kortere duur. Ook dient de GI de komende periode te onderzoeken of en op welke manier contact tussen de ouders en [minderjarige] kan worden bewerkstelligd.
5.2.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 23 augustus 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 door mr. D.I. Hendriks-van Wel, kinderrechter, in aanwezigheid van E.G.H. Kerr als griffier, en op schrift gesteld op 15 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.