Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6990

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
C/10/719097 / JE RK 26-834 en C/10/719102 / JE RK 26-835
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArtikel 12 Wet beëdigde tolken en vertalers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen wegens huiselijk geweld en alcoholmisbruik

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om twee minderjarige kinderen onder toezicht te stellen voor de duur van zes maanden. Dit verzoek volgde op eerdere uithuisplaatsingen vanwege een incident met fysiek geweld en fors alcoholgebruik tussen de moeder en de (stief)vader. De kinderen wonen inmiddels weer bij de moeder, die samen met de (stief)vader meewerkt aan hulpverlening.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, werd vastgesteld dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig wordt bedreigd door de langdurige onveilige thuissituatie. De hulpverlening is gestart, waaronder traumabehandeling en begeleiding van de omgang tussen de kinderen en de (stief)vader. De moeder volgt psychologische hulp en erkent haar verantwoordelijkheid.

De kinderrechter concludeerde dat aan de voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan en stelde de kinderen onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West Dordrecht voor zes maanden. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de twee minderjarige kinderen onder toezicht voor zes maanden en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/719097 / JE RK 26-834 en C/10/719102 / JE RK 26-835
Datum uitspraak: 4 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaken van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] .
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder]
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] .
[(stief)vader] ,
hierna te noemen: de (stief)vader, wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West Dordrecht,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Dordrecht.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 30 april 2026, ontvangen op diezelfde datum, ingeschreven onder zaaknummer C/10/719097 / JE RK 26-834;
  • het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 30 april 2026, ontvangen op diezelfde datum, ingeschreven onder zaaknummer C/10/719102 / JE RK 26-835.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder;
  • de (stief)vader;
  • een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ,
- een tweetal vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 2] en [vertegenwoordiger 3] .
1.3.
Aangezien de moeder en de (stief)vader de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar wel de Russische taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van V. Bolt, tolk in de Russische taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
De (stief)vader is mede belast met het gezag over [minderjarige 2] .
2.3.
De biologische vader van [minderjarige 1] woont in [land] en draagt, samen met de moeder, het gezag over [minderjarige 1] . [minderjarige 1] heeft al ruim twee jaar geen contact met zijn biologische vader.
2.4.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
2.5.
Bij beschikking van 8 maart 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 8 juni 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 5 april 2026. Het overig verzochte is aangehouden.
2.6.
Bij beschikking van 20 maart 2026 heeft de kinderrechter de beslissing van 8 maart 2026 gehandhaafd en het overige verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg voor de resterende duur van de voorlopige ondertoezichtstelling afgewezen.

3.De verzoeken

Het verzoek met zaaknummer C/10/719097 / JE RK 26-834
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] onder toezicht te stellen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het verzoek met zaaknummer C/10/719102 / JE RK 26-835
3.2.
De Raad verzoekt [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft de verzoeken tijdens de mondelinge behandeling en licht dit als volgt toe. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn eerder dit jaar uit huis geplaatst, als gevolg van een ruzie tussen de moeder en de (stief)vader, waarbij er sprake was van fysiek geweld en fors alcoholgebruik. Er zijn al langdurig zorgen over huiselijk geweld en alcoholmisbruik door de ouders. Sinds de uithuisplaatsing zijn de ouders zich er zeer van bewust wat er allemaal is gebeurd. De ouders staan open voor hulpverlening en werken mee. Vanwege het aflopen van het contactverbod van de (stief)vader jegens de moeder, wil de Raad nog onderzoeken welke stappen er dienen te worden gezet in het belang van de kinderen. Zo dient er voor beide kinderen traumabehandeling te worden gestart en dienen er afspraken te worden gemaakt over de omgang tussen de (stief)vader en de kinderen.
4.2.
De GI ondersteunt ter zitting de verzoeken van de Raad en licht het als volgt toe. De ouders werken mee in de hulpverlening en houden zich aan de veiligheidsafspraken. Sensazorg is aangevraagd om cultuursensitief te kunnen aansluiten bij het gezin. Er is op dit moment sprake van begeleide omgang tussen [minderjarige 2] en zijn vader en de uitvoering hiervan wordt ook overgedragen naar Sensazorg. Er dient te worden onderzocht of en op welke manier omgang kan worden bewerkstelligd tussen [minderjarige 1] en de (stief)vader. Verder zijn er geen signalen van alcoholmisbruik bij de moeder.
4.3.
De moeder brengt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren. De afgelopen tijd is het rustiger geworden thuis. De kinderen gaan naar school en de moeder merkt dat zij inmiddels, na de beëindiging van de uithuisplaatsing, weer steeds meer hun dagelijks leven oppakken. De moeder gaat zelf naar een psycholoog om hulp te krijgen bij het verwerken van stress. Hierbij is er ook aandacht voor het gebruik van alcohol op momenten van stress. De moeder wil daarbij aangeven dat er geen sprake is van alcoholmisbruik. Zij is geen voortdurende drinker en ziet in dat zij de verantwoordelijkheid heeft om voor haar kinderen te kunnen zorgen. De moeder heeft eerder aangegeven bereid te zijn om dagelijks testen te laten afnemen om te laten zien dat zij nuchter is. De echtscheidingsprocedure met de (stief)vader is bijna afgerond en binnenkort worden er duidelijke afspraken gemaakt over het contact en de omgang. De moeder vindt het belangrijk dat beide kinderen omgang hebben met de (stief)vader.
4.4.
De (stief)vader brengt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren. Hij ziet zelf de noodzaak tot een ondertoezichtstelling niet in, maar voert geen verweer tegen het verzoek. De vader geeft aan dat hij de afgelopen tijd is veranderd en openstaat voor de hulpverlening. Na het contactverbod dient hij goed met zijn gezin af te stemmen wanneer er omgang is met de kinderen en hoe het contact verloopt met de moeder.

5.De beoordeling

5.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig wordt bedreigd. Zij zijn langere tijd getuige geweest van geweld tussen de moeder en de (stief)vader en fors alcoholgebruik. De kinderen wonen inmiddels weer thuis bij de moeder en de hulpverlening vanuit Sensazorg is gestart. Het is positief dat de ouders hieraan meewerken en dat de situatie tot rust lijkt te komen. De komende periode is de betrokkenheid van de GI nodig. Enerzijds om regie te voeren over de in te zetten hulpverlening, zoals traumabehandeling en hulpverlening rondom de gehechtheidsrelatie, maar ook om te bezien of de situatie na het eindigen van het contactverbod tussen de ouders goed blijft gaan en of de huidige (prille) stabiliteit bewaard blijft en verder bestendigd wordt. Er is immers sprake geweest van langdurige onveiligheid in de thuissituatie van de kinderen. Daarnaast moet de komende periode duidelijkheid komen over de omgang tussen de kinderen en de (stief)vader. Mocht de huidige positieve lijn zich doorzetten, dan zal een overdracht naar het vrijwillig kader wellicht mogelijk zijn. De GI dient dit de komende periode te onderzoeken.
5.2.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daarom onder toezicht voor de duur van zes maanden.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Dordrecht, met ingang van 4 juni 2026 tot 4 december 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 door mr. D.I. Hendriks-van Wel, kinderrechter, in aanwezigheid van E.G.H. Kerr als griffier, en op schrift gesteld op 15 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.