Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6992

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
10/077969-25, 10/277065-24, 10/195449-24 en 10/262461-25 en 10/073860-22 en 10/297514-22
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling jeugdige verdachte voor poging straatroof, zware mishandeling, poging ontploffing en schuldheling met oplegging PIJ-maatregel

De rechtbank Rotterdam heeft op 7 april 2026 uitspraak gedaan in een meervoudige strafzaak tegen een jeugdige verdachte geboren in 2008. De verdachte werd onder meer verdacht van poging straatroof met geweld en bedreiging, bezit van een alarmpistool, poging zware mishandeling, poging tot het teweegbrengen van een ontploffing en schuldheling.

De rechtbank achtte meerdere feiten wettig en overtuigend bewezen, waaronder de poging straatroof waarbij een vuurwapen werd getoond, het bezit van een alarmpistool, de poging zware mishandeling waarbij het slachtoffer met een mes in de rug werd gestoken, de poging tot ontploffing van een explosief bij een pand en schuldheling van een bromfiets. De verdachte werd vrijgesproken van poging doodslag en diefstal van de scooter.

De rechtbank nam bij de strafoplegging de ernst van de feiten, het hoge recidiverisico en de complexe problematiek van de verdachte mee. Deskundigen stelden vast dat de verdachte een normoverschrijdende gedragsstoornis en verstandelijke beperking heeft, wat leidde tot verminderd toerekeningsvatbaarheid. Gezien de ernst en het recidiverisico werd een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd naast 383 dagen jeugddetentie. Tevens werd een schadevergoeding van €6.194,91 aan een benadeelde partij toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente.

Uitkomst: De verdachte wordt veroordeeld tot 383 dagen jeugddetentie en een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel wegens meerdere gewelds- en vermogensdelicten.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd
Parketnummers:10/077969-25, 10/277065-24, 10/195449-24 en 10/262461-25 (gevoegd ttz)
Parketnummers vorderingen TUL: 10/073860-22 en 10/297514-22
Datum uitspraak: 7 april 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2008,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] , [postcode] te [plaatsnaam 1] ,
verblijvende in [naam PI] [plaatsnaam 2] ,
raadsman: mr. J.N. Hoek, advocaat te Rotterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 24 maart 2026.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. D.P.L. ter Laak heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het onder 10/262461-25 ten laste gelegde (poging straatroof en bezit alarmpistool, het onder parketnummer 10/077969-25 subsidiair ten laste gelegde (poging zware mishandeling), het onder parketnummer 10/277065-24 primair ten laste gelegde (poging teweegbrengen ontploffing) en het onder parketnummer 10/195449-24 subsidiair ten laste gelegde (schuldheling);
  • veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 383 dagen met aftrek
  • oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna:
  • afwijzing van de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de zaken met parketnummers 10/073860-22 en 10/297514-22.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Bewijswaardering - parketnummer 10/262461-25 feit 1 (poging straatroof)
4.1.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder parketnummer 10/262461-25 onder 1 ten laste gelegde feit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van aangever en aangeefster wisselend zijn. Er kan niet met zekerheid worden gezegd dat er een wapen is getoond. Daarbij komt dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte of de medeverdachte tot doel hebben gehad om de scooter of helm van aangever af te nemen.
4.1.2.
Beoordeling
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat de verdachte zich met de medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan een poging diefstal van enig goed en dat daarbij is gedreigd met geweld door een vuurwapen aan de aangevers te tonen. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de gedetailleerde verklaringen van aangevers. Temeer nu deze verklaringen steun vinden in de verklaring van aangever zelf en het feit dat bij de aanhouding van de verdachte een alarmpistool is aangetroffen.
4.1.3.
Conclusie
De rechtbank acht het onder parketnummer 10/262461-25 onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
4.2.
Bewijswaardering – parketnummer 10/262461-25 feit 2 (bezit alarmpistool)
Het onder parketnummer 10/262461-25 onder 2 ten laste gelegde feit is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
4.3.
Bewijswaardering – parketnummer 10/077969-25 (poging zware mishandeling)
4.3.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder parketnummer 10/077969-25 ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is om vast te stellen dat de verdachte degene is geweest die aangever heeft gestoken. Het moment waarop hij is gestoken kan niet worden vastgesteld. Er zijn geen camerabeelden waarop het steken te zien is en er zijn geen getuigen die het daadwerkelijke steken met een mes hebben gezien. [getuige] stond de gehele tijd dicht op het voorval. Dat hij het moment waarop aangever is gestoken niet heeft gezien is een contra-indicatie dat verdachte op dat moment heeft gestoken. Aangever verklaart dat hij het daadwerkelijke steken niet heeft gevoeld, maar pas later door had dat zijn rug pijn deed. De raadsman betwist daarnaast dat de verdachte een mes heeft gehad. Het DNA van de verdachte is niet aangetroffen op het gevonden mes. Op de camerabeelden is enkel te zien dat de verdachte iets overgeeft aan de [medeverdachte] , maar niet kan worden vastgesteld wat dat is. Daar komt bij dat niet vast staat dat het gevonden mes ook het mes is waarmee aangever is gestoken. Ten aanzien van de primair ten laste gelegde poging doodslag brengt de raadsman naar voren dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van dodelijk letsel aan aangever.
4.3.2.
Beoordeling
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging doodslag te komen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte degene is geweest die op 10 maart 2025 aangever met een mes in zijn rug heeft gestoken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Aangever verklaart dat sprake was van een woordenwisseling tussen hem en een groep van drie jongens. Aangever verklaart dat op enig moment een getinte jongen uit deze groep een mes trekt, waarna aangever de jongen uit een reflex op de grond gooit. De verdachte verklaart dat hij degene is geweest die door aangever op de grond is gegooid. Aangever verklaart dat hij denkt op dat moment te zijn gestoken. [getuige] heeft over dit moment verklaard dat aangever een donker getinte jongen op de grond duwde en dat die daarna opstond met een mes in zijn hand. Getuige Emerciana heeft kort na het incident aan de politie verteld dat hij zag dat een donker getinte jongen een mes uit zijn broek pakte, en dat daarna iemand riep ‘ik ben gestoken’.
Voorts is van belang dat op de camerabeelden is te zien dat de verdachte en [medeverdachte] voorafgaand aan het incident weglopen van de groep. [medeverdachte] geeft iets af aan de verdachte, die het wegstopt in zijn broeksband. Op de camerabeelden van na het incident is vervolgens te zien dat de verdachte, terwijl hij op straat loopt, een langwerpig voorwerp uit zijn broeksband haalt en dit aan [medeverdachte] geeft. [medeverdachte] stopt het voorwerp daarna weg. Niet veel later komt de politie aanrijden, waarna [medeverdachte] een opvallende beweging naar de rechterzijde/de woningen maakt. Bij de aanhouding van de verdachte en [medeverdachte] is op diezelfde plek een mes gevonden. Op dit mes is het DNA van aangever en medeverdachte Sanschez Tello aangetroffen.
De aangever is bij de steekpartij in zijn rug geraakt en heeft een steekwond van 8-9 cm opgelopen. Alhoewel niet precies kan worden vastgesteld op welke wijze de verdachte deze verwonding heeft toegebracht, is de verdachte op zijn minst bewapend met een groot mes de fysieke confrontatie met de aangever aangegaan. Door aldus te handelen heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Bij het steken in de rug/zij hadden immers gemakkelijk kwetsbare en vitale delen van het lichaam geraakt kunnen worden ten gevolge waarvan zwaar lichamelijk letsel kan ontstaan. Dat het letsel in ernst relatief beperkt is gebleven, is slechts een gelukkige omstandigheid die niet aan de verdachte is te danken.
De rechtbank acht de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
Partiële vrijspraak
De rechtbank zal de verdachte voor wat betreft het onderdeel medeplegen vrijspreken. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat er sprake was van een vooropgezet plan of een nauwe en bewuste samenwerking.
4.3.3.
Conclusie
De rechtbank acht het onder 10/077969-25 subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
4.4.
Bewijswaardering – parketnummer 10/277065-24 (poging teweegbrengen ontploffing)
4.4.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder parketnummer 10/277065-24 ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat geen sprake was van een voornemen dat zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. De verdachte was nog bezig met het uitpakken en klaarzetten van de spullen. Hij heeft na het uitrollen van de spullen, deze gelijk weer opgeruimd. Hij heeft het ontstekingsmechanisme niet ingedrukt. Daardoor kan ook de uiterlijke verschijningsvorm niet worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf.
4.4.2.
Beoordeling
Vooropgesteld wordt dat voor een strafbare poging tot het plegen van een strafbaar feit een begin van uitvoering van dat strafbare feit is vereist. Dit is het geval indien de gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf.
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte op aanwijzing van een ander tegen vergoeding een explosief tot ontploffing moest brengen voor het pand aan de [adres 2] . Op 29 augustus 2024 is de verdachte naar Bleiswijk gebracht. Tijdens de autorit heeft de verdachte verdere instructies gekregen. Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte geheel in het donker gekleed met een tas naar het pand toeloopt. De verdachte haalt een kabel uit de tas en rolt deze uit voor het pand. De kabel is bevestigd aan een blokvormig voorwerp. De verdachte hangt iets op aan de gevel/deur van het pand en loopt vervolgens uit beeld. Niet veel later loopt hij terug naar de gevel/deur en is te zien dat de kabel blijft hangen. De verdachte verdwijnt daarna meerdere minuten uit beeld. Als hij terug in beeld komt lijkt hij iets te controleren bij de gevel/deur van het pand en loopt weer uit beeld. Nadat de verdachte ongeveer tien minuten bezig is bij het pand rolt hij de kabel weer op, stopt alle spullen terug in de tas en vertrekt van het pand. Niet veel later wordt hij aangehouden met de tas. In de tas bleek later een accu met koperen draad, een elektriciteitskabel en een zogenoemd fascia (explosief) pakket te zitten. Het explosief bevatte flitspoeder.
De verdachte verklaart dat hij, in de periode dat hij wegloopt van het pand, aan het twijfelen was of hij de ontploffing moest laten plaatsvinden. Uiteindelijk heeft hij zich bedacht en de spullen weer opgeruimd. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig. De hiervoor omschreven gedragingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op het tot ontploffing laten brengen van het explosief. De verdachte heeft alles klaargezet en loopt twee keer terug naar de gevel/deur om iets te controleren. Nadat de verdachte voor de tweede keer uit beeld verdwijnt blijf hij enkele minuten weg. Deze gedragingen kunnen niet anders worden uitgelegd dan dat de verdachte het explosief heeft willen ontsteken, maar dat het explosief daarop heeft geweigerd. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van begin van uitvoering die leidt tot een voltooide poging. Dat die poging is mislukt maakt dat niet anders.
De rechtbank gaat hierna onder 5 in op de vraag of er, zoals de raadsman betoogt, sprake is van een vrijwillige terugtred doordat de verdachte de spullen al opgeruimd had toen hij werd aangehouden door de politie.
4.4.3.
Conclusie
De rechtbank acht het onder parketnummer 10/277065-24 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
4.5.
Bewijswaardering – parketnummer 10/195449-24 (schuldheling)
4.5.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder parketnummer 10/195449-24 ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte op het moment dat hij op de scooter stapte niet kon weten dat de scooter gestolen was.
4.5.2.
Beoordeling
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de primair ten laste gelegde diefstal van de scooter niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde schuldheling heeft de rechtbank in bijlage II de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan.
4.5.3.
Conclusie
De rechtbank acht het onder parketnummer 10/195449-24 subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
4.6.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder de parketnummers 10/262461-25 onder 1, 10/077969-25 (subsidiair), 10/277065-24 (primair) en 10/195449-24 (subsidiair) ten laste gelegde feiten heeft begaan.
In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/262461-25 onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan.
De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:
Parketnummer 10/262461-25:
1.
hij op
of omstreeks10 augustus 2025 te Rhoon, gemeente Albrandswaard
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en
/ofzijn mededader
(s)voorgenomen
misdrijf om een scooter, in elk geval enig goed, dat
/diegeheel
of ten deleaan [slachtoffer 1]
en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of
zijn mededader(s)toebehoorde
(n)weg te nemen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen
en deze poging diefstal
te doen voorafgaan,te doen vergezellen
en/of te doen
volgenvan geweld en
/ofbedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en
/of
[slachtoffer 2] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal
voor te
bereiden ofgemakkelijk te maken,
of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf
en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken,
hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- zich dreigend aan die [slachtoffer 1] en
/of[slachtoffer 2] heeft opgedrongen en
/of
- de scooter van die [slachtoffer 1]
en/of [slachtoffer 2]heeft vastgepakt en
/of
- die [slachtoffer 2] bij haar arm heeft vastgepakt en
/of
- een vuurwapen heeft getoond,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
2.
hij, op
of omstreeks12 augustus 2025, te Ridderkerk,
althans in Nederland,
(een
)wapen
(s)als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie Pro I onder 7º van de Wet wapens en
munitie gelet op gelet op 3, onder a van de Regeling wapens en munitie, te weten
een door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen
gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, namelijk
een nabootsing van een vuurwapen
te weten een alarmpistool welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis
vertoont met een vuurwapen, namelijk een pistool
voorhanden heeft gehad;
Parketnummer 10/077969-25:
hij, op
of omstreeks10 maart 2025 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte
en/of zijn mededader(s)voorgenomen
misdrijf om
aan [slachtoffer 3]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
meermalen, althans eenmaalmet een mes in de rug van die [slachtoffer 3]
heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Parketnummer 10/277065-24:
hij op
of omstreeks29 augustus 2024 te Bleiswijk, gemeente Lansingerland,
althans
in Nederland,
ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om
opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor het pand aan [adres 3]
en
/of één meeraangrenzende pand
(en
)en
/ofde goederen in
dat/die pand
(en
)te duchten was,
- zich - geheel in het donker gekleed - heeft begeven naar het pand aan [adres 3]
en
/of
- een accu met een koperen draad en
/ofeen elektriciteitskabel en
/ofeen fascia
pakket/
één of meer cobra('s) 6, althans zwaar vuurwerk,heeft meegenomen naar
(de omgeving van)voornoemd pand en
/of
- bij dat pand een voorwerp heeft geplaatst en
/ofvoor dat pand een kabel
/snoer
heeft uitgerold,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Parketnummer 10/195449-24:
hij
op
of omstreeks13 juni 2024
te Rotterdam,
een bromfiets (merk/type La Souris Sourini R) met kenteken [kenteken]
, althans een
goed heeft verworven,voorhanden heeft gehad,
en/of heeft overgedragen,
terwijl hij ten tijde van
de verwerving ofhet voorhanden krijgen van dit goed
wist,
althansredelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen
goed betrof;
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feiten

5.1.
Strafbaarheid – parketnummer 10/277065-24
5.1.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft (subsidiair) betoogd dat het ten laste gelegde, indien bewezen, niet strafbaar is, omdat er sprake is van vrijwillige terugtred. Toen de verdachte de spullen aan het klaarzetten was heeft hij zich bedacht en heeft hij alles weer opgeruimd. Daarmee heeft de verdachte de situatie volledig teruggedraaid en het gevaar weggenomen.
5.1.2.
Beoordeling
Vrijwillige terugtred als bedoeld in art. 46b Sr is een uitzondering op de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte als dader. Van vrijwillige terugtred is sprake indien aannemelijk is dat een misdrijf niet is voltooid door omstandigheden die van de wil van de verdachte afhankelijk zijn. Er is in dat geval geen sprake van een als strafbaar te kwalificeren feit, zodat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Vrijwillige terugtred bij poging impliceert een vrijwillig genomen besluit ermee op te houden dan wel de in gang gezette causale keten te doorbreken.
De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor onder 4.4.2 is overwogen. Daaruit volgt dat sprake is van een mislukte voltooide poging. In dergelijke gevallen kan er geen sprake zijn van vrijwillige terugtred, nu de verdachte al alles in het werk heeft gesteld om het beoogde gevolg in te laten treden. Dat dit niet is ingetreden is te wijten aan een externe omstandigheid, in dit geval dat het explosief, ondanks de inspanningen van de verdachte niet tot ontploffing is gekomen. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.
5.1.3.
Conclusie
De bewezenverklaarde feiten zijn strafbaar.
5.2.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren op:
Parketnummer 10/262461-25:
1. poging tot diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen op de openbare weg;

2.handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Parketnummer 10/077969-25:
poging tot zware mishandeling;
Parketnummer 10/277065-24:
poging tot opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
Parketnummer 10/195449-24:
schuldheling;
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straf en maatregel

7.1.
Algemene overweging
De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd
De verdachte heeft zich op zestien- en zeventienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan vijf strafbare feiten.
Op 10 augustus 2025 heeft de verdachte zich met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal met geweld, waarbij een vuurwapen is getoond. [slachtoffer 1] reed met zijn vriendin [slachtoffer 2] achterop op de scooter. Hij kwam de verdachte en medeverdachte tegen op een andere scooter. Omdat hij dacht dat de verdachte een praatje wilde maken over zijn scooter is hij gestopt. In plaats daarvan wilden de verdachte en medeverdachte zijn scooter en helm hebben, werd [slachtoffer 1] tegengehouden toen hij weg wilde rijden en liet de verdachte een (nabootsing van) een pistool zien. [slachtoffer 1] en zijn vriendin zijn erg geschrokken van wat er is gebeurd. De verdachte heeft met zijn handelen voor zowel de slachtoffers als omstanders een dreigende situatie gecreëerd op een voor het publiek toegankelijke plaats. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van feiten zoals deze, voor langere tijd gevoelens van onveiligheid op straat kunnen ervaren.
Op 10 maart 2025 heeft de verdachte tijdens een woordenwisseling een mes gepakt en [slachtoffer 3] daarmee gestoken. Het slachtoffer heeft daardoor een flinke snijwond in zijn rug opgelopen. Hij is daarvoor in het ziekenhuis behandeld. Het letsel had nog veel erger kunnen zijn. Uit het de slachtofferverklaring die tijdens de zitting is voorgedragen blijkt dat het steekincident veel impact heeft gehad op het slachtoffer en zijn gezin. Er heerst angst en dat werkt door in het dagelijks leven. De verdachte heeft door zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Verder heeft de verdachte op 29 augustus 2024 geprobeerd een explosief te laten ontploffen aan de [adres 2] . De verdachte mag van geluk spreken dat de ontploffing niet is gelukt. De situatie had veel ernstiger kunnen aflopen. Dit soort strafbare feiten veroorzaken grote onrust en gevoelens van angst en onveiligheid voor de gebruikers van het pand en in de maatschappij. De verdachte zou voor het veroorzaken van een ontploffing € 2.000,- krijgen. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij alleen heeft gedacht aan zijn eigen financiële gewin en niet heeft nagedacht over de mogelijk verstrekkende gevolgen van zijn handelen.
Tot slot heeft de verdachte op 13 juni 2024 gereden op een scooter, terwijl hij had kunnen weten dat de scooter was gestolen. Met het plegen van dit feit heeft de verdachte laten zien dat hij geen respect heeft voor andermans eigendommen.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting
De rechtbank heeft kennisgenomen van het
Pro Justitia rapport van 12 januari 2026 van
(kinder- en jeugd)psychiater [naam 1] en orthopedagoog-generalist [naam 2], onder supervisie van (kinder- en jeugd)psychiater [naam 3].
De verdachte heeft een normoverschrijdende-gedragsstoornis (ernstig, met begin in de kindertijd) en een verstandelijke beperking. Deze stoornis en beperking waren aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten. De deskundigen adviseren om het bezit van het alarmpistool licht verminderd toe te rekenen en de poging teweegbrengen ontploffing verminderd toe te rekenen. Onder andere de beperkte zelfsturing van de verdachte, zijn beïnvloedbaarheid en impulsiviteit en het gebrek om gevolgen te overzien lijken van invloed te zijn geweest. Ten aanzien van de andere ten laste gelegde feiten onthielden de deskundigen zich van advies omdat vanwege de ontkennende houding van de verdachte geen delict scenario kon worden opgesteld.
Bij onveranderde omstandigheden en zonder begeleiding of behandeling in een klinische setting is het recidiverisico hoog. Er is een behoorlijk aantal risicofactoren. De verdachte houdt zich niet aan voorwaarden, heeft geringe copingvaardigheden en gaat om met delinquente leeftijdsgenoten. Hij is verhoogd beïnvloedbaar, onder meer vanwege zijn achterlopende identiteitsontwikkeling en mogelijke angst voor afwijzing door leeftijdsgenoten. Er zijn enkele beschermende factoren. De verdachte is beleefd in het contact met onderzoekers en houdt zich aan de regels in een gestructureerde setting zoals de JJI. Moeder is daarnaast betrokken, maar ook haar is het in samenwerking met de hulpverlening onvoldoende gelukt om het toezicht en de sturing voor de verdachte vorm te geven.
De deskundigen achten het noodzakelijk dat verdachte op een stabiele plek woont waar hij wordt gemotiveerd tot structurele dagbesteding, waar zijn emotionele- en persoonlijkheidsontwikkeling positief worden bijgestuurd door behandeling en waarbij aandacht is voor abstinentie van middelen. Volgens de deskundige is een klinische behandelsetting noodzakelijk om tot daadwerkelijke behandeling te komen, vanwege de cognitieve beperkingen van de verdachte en de hoge mate van structuur en duidelijkheid binnen een klinische setting.
Om inzichtelijk te maken of de PIJ nog in een
voorwaardelijkkader kan of gesloten moet (in een JJI) in het kader van een
onvoorwaardelijkePIJ, is de PIJ-wegingslijst toegepast. De normoverschrijdend- gedragsstoornis van de verdachte in combinatie met de verstandelijke beperking, zijn disfunctioneren op meerdere levensterreinen, het vastlopen in zijn ontwikkeling, de ernst van de tenlasteleggingen met een hoog recidiverisico en de noodzaak tot een gedwongen kader ter vermindering van het recidiverisico, geven de belangrijkste indicaties voor de PIJ-maatregel. De verdachte heeft nog ontwikkelings- en behandelmogelijkheden, maar deze moeten met een meer stevige stok achter de deur worden vormgegeven. De voorwaardelijke PIJ-maatregel kan deze stevige stok niet bieden. De verdachte heeft zijn schorsingsvoorwaarden vaker overtreden en het risico wordt te hoog bevonden dat betrokkene zich wederom niet aan gestelde voorwaarden weet te houden. Met een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel wordt de kans het grootst geacht om betrokkene langdurig in behandeling te krijgen, om zo zijn gedrag te beïnvloeden en (daarmee) het recidiverisico te verminderen.
De deskundigen adviseren daarom een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen.
De Raad voor de Kinderbescherming(hierna: de Raad) heeft op 16 maart 2026 een rapport over de verdachte opgemaakt. Dit rapport houdt, voor zover van belang, het volgende in.
Het algemeen recidiverisico en het dynamisch risicoprofiel komen uit op heel hoog. Uit het
onderzoek komen geen tot nauwelijks beschermende factoren naar voren, op alle domeinen zijn risicofactoren te zien. Ambulante en residentiële behandeling met een laag beveiligingsniveau zijn onvoldoende toereikend gebleken om die risicofactoren weg te nemen. Moeder is niet bij machte om de verdachte te motiveren en te begeleiden om mee te werken aan de benodigde hulpverlening. De begeleiding door de jeugdreclassering, de bijzondere voorwaarden en de ondertoezichtstelling met een uithuisplaatsing in de voorzieningen Zorg, Hoop en Liefde en [naam groep], hebben verder afglijden van de verdachte niet kunnen voorkomen. Voor de verdere ontwikkeling van de verdachte is het van belang dat hij behandeling ontvangt waar hij zich niet aan kan onttrekken. Vanuit het strafrecht kan een dergelijke behandeling alleen plaatsvinden in het kader van een PIJ-maatregel. Een voorwaardelijke PIJ-maatregel is afgewogen, maar over de haalbaarheid van ambulante begeleiding en behandeling bestaat gerede twijfel. Een voorwaardelijke PIJ-maatregel vormt een te geringe basis voor daadwerkelijke, langdurige behandeling. Eerdere voorwaarden in het strafkader hebben niet kunnen voorkomen dat nogmaals sprake is van strafbare feiten. Bovenstaande maakt dat de Raad tot de conclusie komt dat een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel het meest passend is.
Deskundigen [naam 4] en [naam 5], werkzaam bij de jeugdreclassering William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de jeugdreclassering)hebben op de zitting verklaard dat zij zich zorgen maken over de ontwikkeling van de verdachte. Er is veel hulp ingezet voor de verdachte, maar hij overtreedt keer op keer de voorwaarden en stelt zich niet begeleidbaar op. De verdachte is bij meerdere instellingen aangemeld, maar wordt telkens afgewezen. Hij is heel beïnvloedbaar, gaat snel mee in negatief gedrag van anderen en heeft ook een negatieve invloed op de groep. Uiteindelijk is de verdachte bij [naam groep] geplaatst met een-op-een begeleiding en dagbesteding. Het verblijf bij [naam groep] was zijn laatste kans. De jeugdreclassering weet niet wat nog meer kan worden ingezet voor de verdachte. Zowel in het strafrechtelijk kader als het civiele kader is veel geprobeerd. Wat betreft een plaatsing op de groep die door de moeder is gevonden en doorgestuurd uiten de deskundigen hun twijfels. Een plaatsing binnen een open setting is eerder snel misgegaan. De verdachte heeft behandeling nodig om weer volwaardig mee te kunnen komen in de samenleving.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Toerekeningsvatbaarheid
De conclusies van de psychiater en psycholoog worden gedragen door hun bevindingen. De rechtbank neemt die conclusies over en maakt die tot de hare. De rechtbank stelt vast dat bij de verdachte sprake is van verschillende gedragsstoornissen en dat die ook aanwezig waren ten tijde van de poging teweegbrengen ontploffing (10/277065-24 primair) en het bezit van het alarmpistool (10/262461-25 onder 2). Voor her eerste feit acht de rechtbank de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar en voor het tweede feit licht verminderd toerekeningsvatbaar.
Oplegging van een PIJ-maatregel
Door de deskundigen wordt de oplegging van een PIJ-maatregel geadviseerd. Aan de wettelijke voorwaarden van artikel 77s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht voor oplegging van een PIJ-maatregel is, gelet op de bewezenverklaring en de conclusies van de deskundigen, voldaan.
De rechtbank stelt vast dat meerdere van de gepleegde feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Op grond van de inhoud van de rapporten van de psycholoog en de psychiater, de Raad en hetgeen ter zitting door deskundigen naar voren is gebracht, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de misdrijven een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast eisen de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van een PIJ-maatregel. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.
De rechtbank is met de psycholoog, de psychiater, de jeugdreclassering en de Raad van oordeel dat de behandeling van de verdachte binnen het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel moet plaatsvinden. De rechtbank heeft hierbij onder meer gekeken naar de aard en ernst van de bewezenverklaarde (gewelds)feiten, het hoge recidiverisico en de complexe problematiek van de verdachte. De verdachte is op jonge leeftijd in korte tijd sterk afgegleden en heeft steeds meer ernstige geweldsmisdrijven gepleegd, terwijl hij in een proeftijd liep, zich moest houden aan schorsingsvoorwaarden en hij toezicht had vanuit de jeugdreclassering. De verdachte is ook gerecidiveerd nadat hij meerdere keren is geschorst en aan hem voorwaarden zijn gesteld, waaronder begeleiding en hulpverlening. Het lukt hem niet om zich aan die voorwaarden en afspraken te houden. De verdachte lijkt daarin zelfbepalend te zijn en heeft een ambivalente houding voor regels en afspraken. Zijn gebrek aan inzicht en acceptatie van zijn eigen beperkingen speelt daarbij ook een rol.
De raadsman heeft nog bepleit dat niet alle middelen zijn uitgeput om het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel te rechtvaardigen. De rechtbank overweegt dat de deskundige ter zitting naar voren hebben gebracht dat de geopperde alternatieven niet realistisch zijn. Er is al veel hulp van allerlei instanties aangeboden vanuit zowel het civiel- als strafrechtelijke kader, maar zonder gewenst resultaat. Er is gelet op het voorgaande geen aanleiding om aan te nemen dat een nieuwe poging in een dergelijk kader nu wel succesvol zal zijn. De verdachte heeft een langdurige en intensieve behandeling nodig in een sterk gestructureerde setting. Net als de Raad en de jeugdreclassering ziet de rechtbank geen passende alternatieven meer. Een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel is daarom passend.
De rechtbank overweegt dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.
Jeugddetentie
Naast het opleggen van de PIJ-maatregel, kan gezien de ernst en hoeveelheid van de feiten niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie van aanzienlijke duur. De rechtbank acht, naast de oplegging van genoemde PIJ-maatregel, oplegging van een jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest passend en geboden.

8.Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

8.1.
[benadeelde partij 1]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd ter zake van het onder parketnummer 10/077969-25 subsidiair ten laste gelegde feit (poging zware mishandeling), [benadeelde partij 1] bijgestaan door mr. Emre. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 5.698,41 aan materiële schade en een bedrag van € 10.000,- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- Reiskosten: € 94,91
- Kosten kleding: € 575,-
- Huishoudelijke hulp: € 647,-
- Persoonlijke verzorging: € 4.381,50
8.1.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de kostenpost ‘reiskosten’ kan worden toegewezen. Het deel van de vordering dat ziet op de kostenpost ‘kleding’ dient te worden gematigd, nu dit deel onvoldoende is onderbouwd. Wat betreft de hoogte refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. Verder dient de benadeelde partij ten aanzien van de kostenposten ‘persoonlijke verzorging’ en ‘huishoudelijke hulp’ niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu dit onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de officier van justitie dat een vergoeding op zijn plaats is en refereert zich voor de hoogte aan het oordeel van de rechtbank. De officier van justitie heeft daarnaast de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
8.1.2.
Standpunt verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat het deel van de vordering dat ziet op de kostenposten ‘kleding’, ‘huishoudelijke hulp’ en ‘persoonlijke verzorging’ onvoldoende is onderbouwd en niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Ten aanzien van de immateriële schade verzoekt de verdediging het bedrag fors te matigen en refereert zich wat betreft de hoogte van het bedrag aan het oordeel van de rechtbank.
8.1.3.
Beoordeling
Materiele schade
De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het deel van de vordering dat betrekking heeft op de kostenposten ‘huishoudelijke hulp’ en ‘persoonlijke verzorging’ niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, omdat dit onvoldoende is onderbouwd. Onvoldoende gesteld is welke beperkingen er gedurende welke periode speelden, als gevolg waarvan de benadeelde partij zorg en ondersteuning nodig had. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Ten aanzien van de kostenpost ‘reiskosten’ stelt de rechtbank vast dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Dit deel van de vordering is door de verdachte niet weersproken en is genoegzaam onderbouwd, waardoor dit zal worden toegewezen.
Ook wat betreft de kostenpost ‘kleding’, stelt de rechtbank vast dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Die schade zal - nu duidelijke stukken ter onderbouwing van die schade ontbreken - naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 100,-. De benadeelde partij zal voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Nu uit het dossier en de vordering blijkt dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, kan hij aanspraak maken op vergoeding van die schade (artikel 6:106 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek). Verder is gebleken dat het strafbare feit een emotionele impact heeft op de benadeelde partij. Uit de vordering en de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt voldoende dat het slachtoffer tot op de dag van vandaag worstelt met de gevolgen van de steekpartij.
Bij de begroting van de schade heeft de rechtbank acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. De rechtbank heeft bij de begroting van de schade ook gelet op andere relevante factoren, waaronder de ernst van het feit.
Gelet op al het voorgaande, zal de rechtbank de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid vaststellen op € 6.000,-. De gevorderde immateriële schadevergoeding zal dus tot voornoemd bedrag worden toegewezen. De benadeelde partij zal voor het overige deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wettelijke rente
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 10 maart 2025.
Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.1.4.
Conclusie
De verdachte moet de [benadeelde partij 1] een schadevergoeding betalen van € 6.194,91, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
8.2.
[benadeelde partij 2]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd ter zake van het onder parketnummer 10/277065-24 primair ten laste gelegde feit (poging teweegbrengen ontploffing), [benadeelde partij 2]. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.966,25 aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.1.
Standpunt officier van justitie en verdediging
De officier van justitie en de verdediging hebben verzocht de [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.
8.2.2.
Beoordeling
De [benadeelde partij 2] zal in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu onvoldoende is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder parketnummer 10/277065-24 primair ten laste gelegde feit. Het explosief is immers niet tot ontploffing gebracht. In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen. De vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
8.2.3.
Conclusie
Nu de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard, wordt de benadeelde partij veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

9.Vorderingen tenuitvoerlegging

9.1.
Vonnissen waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Parketnummer 10-073860-22
Bij vonnis van 2 juni 2022 van de kinderrechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht veroordeeld voor zover van belang tot een taakstaf bestaande uit een werkstraf van 50 uur, subsidiair 25 dagen jeugddetentie, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De proeftijd is ingegaan op 17 juni 2022.
Parketnummer 10-297514-22
Bij vonnis van 6 april 2023 van de kinderrechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van verboden wapenbezit veroordeeld voor zover van belang tot een taakstaf bestaande uit een werkstraf van 30 uur, subsidiair 25 dagen jeugddetentie, waarvan groot 24 uur, subsidiair 12 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 21 april 2023.
9.2.
Standpunt officier van justitie en standpunt verdediging
De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen tenuitvoerlegging af te wijzen. Ook de verdediging heeft tot afwijzing van de vorderingen bepleit.
9.3.
Beoordeling
De hierboven bewezenverklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.
In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straffen worden gelast. Gezien de oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel dient de tenuitvoerlegging van de vorderingen geen doel meer. De rechtbank acht het van belang dat de verdachte zo snel mogelijk aan zijn behandeling kan starten. Beide vorderingen worden daarom afgewezen, met dien verstande dat de aan deze voorwaardelijk opgelegde straffen verbonden bijzondere voorwaarden vervallen worden verklaard.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77s, 77gg, 157, 302, 312, 417bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de onder parketnummer 10/262461-25 ten laste gelegde feiten, het onder parketnummer 10/077969-25 subsidiair ten laste gelegde feit, , het onder parketnummer 10/277065-24 primair ten laste gelegde feit en het onder parketnummer 10/195449-24 subsidiair ten laste gelegde feit , zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie
voor de duur van 383 (driehonderddrieëntachtig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
legt de verdachte op de
maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;
veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de
[benadeelde partij 1], te betalen een bedrag van
€ 6.194,91,- (zegge: zesduizend honderdvierennegentig euro en eenennegentig eurocent), bestaande uit € 194,91,- aan materiële schade en € 6.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van
[benadeelde partij 1]te betalen
€ 6.194,91(hoofdsom,
zegge:
zesduizend honderdvierennegentig euro en eenennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
verklaart de
[benadeelde partij 2]niet-ontvankelijk in de vordering;
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 2 juni 2022 van de kinderrechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf;
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 6 april 2023 van de kinderrechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf;
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.J. Loorbach, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. H. Wielhouwer en J. Groot, (kinder)rechters,
in tegenwoordigheid van mr. B. de Pater, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 april 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlasteleggingen
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
Parketnummer 10/262461-25:
1.
hij op of omstreeks 10 augustus 2025 te Rhoon, gemeente Albrandswaard
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om een scooter, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1]
en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of
zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen
en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen
volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of
[slachtoffer 2] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te
bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf
en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken,
hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- zich dreigend aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft opgedrongen en/of
- de scooter van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en/of
- die [slachtoffer 2] bij haar arm heeft vastgepakt en/of
- een vuurwapen heeft getoond,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
2.
hij, op of omstreeks 12 augustus 2025, te Ridderkerk, althans in Nederland,
(een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie Pro I onder 7º van de Wet wapens en
munitie gelet op gelet op 3, onder a van de Regeling wapens en munitie, te weten
een door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen
gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, namelijk
een nabootsing van een vuurwapen
te weten een alarmpistool welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis
vertoont met een vuurwapen, namelijk een pistool
voorhanden heeft gehad;
Parketnummer 10/077969-25:
hij, op of omstreeks 10 maart 2025 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om
[slachtoffer 3]
opzettelijk
van het leven te beroven,
meermalen, althans eenmaal, met een mes in de rug van die [slachtoffer 2]
heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 10 maart 2025 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om
aan [slachtoffer 3]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
meermalen, althans eenmaal met een mes in de rug van die [slachtoffer 3]
heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Parketnummer 10/277065-24:
hij op of omstreeks 29 augustus 2024 te Bleiswijk, gemeente Lansingerland, althans
in Nederland,
ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om
opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor het pand aan [adres 3]
en/of één meer aangrenzende pand(en) en/of de goederen in
dat/die pand(en) te duchten was,
- zich - geheel in het donker gekleed - heeft begeven naar het pand aan [adres 3]
en/of
- een accu met een koperen draad en/of een elektriciteitskabel en/of een fascia
pakket/één of meer cobra('s) 6, althans zwaar vuurwerk, heeft meegenomen naar
(de omgeving van) voornoemd pand en/of
- bij dat pand een voorwerp heeft geplaatst en/of voor dat pand een kabel/snoer
heeft uitgerold,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 augustus 2024 te Bleiswijk, gemeente Lansingerland en/of te
Ridderkerk, althans in Nederland,
ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving
een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het teweegbrengen
van een ontploffing ex artikel 157 van Pro het Wetboek van Strafrecht,
opzettelijk voorwerpen, te weten:
- een kabel/snoer en/of
- een accu met een koperen draad en/of een elektriciteis kabel en/of een fascia
pakket/één of meer cobra('s) 6, althans zwaar vuurwerk en/of
- een aansteker
bestemd tot het begaan van dat misdrijf,
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad;
Parketnummer 10/195449-24:
hij
op of omstreeks 13 juni 2024
te Rotterdam
een bromfiets (merk/type La Souris Sourini R) met kenteken [kenteken] , in elk geval
enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk
toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij
op of omstreeks 13 juni 2024
te Rotterdam,
een bromfiets (merk/type) La Souris Sourini R) met kenteken [kenteken] , althans een
goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen,
terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist,
althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen
goed betrof;