Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7008

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
ROT 24/2352
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:15 AwbArt. 7, vijfde lid, Uitvoeringsregeling AwirArtikel 25.5.7 Leidraad Invordering 2008
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betwisting betalingscapaciteit in terugvordering toeslagen na vrijwillige inburgeringscursus

Eiseres is het niet eens met de betalingscapaciteit die de Dienst Toeslagen heeft vastgesteld in het kader van een terugvordering van huur- en zorgtoeslag over de jaren 2019, 2020 en 2022, met een totaalbedrag van € 10.829,-. Zij heeft een betalingsregeling verzocht en stelt dat de vastgestelde capaciteit van € 413,- per maand te hoog is, mede omdat zij geen inkomen heeft en een vrijwillige inburgeringscursus van € 500,- per maand volgt.

De Dienst Toeslagen heeft de betalingscapaciteit berekend op basis van de door eiseres verstrekte gegevens en heeft geen rekening gehouden met de kosten van de inburgeringscursus, omdat deze vrijwillig werd gevolgd en niet als een aanvaardbare uitgave wordt gezien die samenhangt met de maatschappelijke positie van eiseres.

De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen terecht heeft gehandeld en dat het beroep ongegrond is. De vastgestelde betalingscapaciteit blijft gehandhaafd. Eiseres kan bij wijziging van haar situatie een nieuw verzoek indienen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de vastgestelde betalingscapaciteit van € 413 per maand wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/2352

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en

Dienst Toeslagen,

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).

Samenvatting

1. Eiseres is het niet eens met de betalingscapaciteit die de Dienst Toeslagen heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen de betalingscapaciteit van eiseres terecht vastgesteld op € 413,- per maand. De Dienst Toeslagen hoefde geen rekening te houden met de uitgaven van eiseres aan een inburgeringscursus, omdat zij die vrijwillig volgde. Het beroep is ongegrond.

Procesverloop

2. Met het besluit van 15 augustus 2023 heeft de Dienst Toeslagen een betalingsregeling vastgesteld op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Uitvoeringsregeling Awir).
2.1.
Met het besluit van 27 december 2023 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 15 augustus 2023 ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit bij de Dienst Toeslagen. De Dienst Toeslagen heeft het beroepschrift doorgezonden aan de rechtbank. [1]
2.3.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 22 januari 2026 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de dochter van eiseres, [dochter eiseres] , en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres moet huur- en zorgtoeslag terugbetalen over de toeslagjaren 2019, 2020 en 2022. Het totale bedrag van de terugvorderingsbeschikkingen is € 10.829,-. Eiseres heeft om een betalingsregeling verzocht. De Dienst Toeslagen heeft de betalingscapaciteit van eiseres berekend op € 413,- per maand.
4. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen de betalingscapaciteit te hoog heeft vastgesteld. Zij heeft geen inkomen, haar echtgenoot betaalt alles. Eiseres is bezig met een inburgeringscursus die € 500,- per maand kost. Zij volgt die cursus om de Nederlandse nationaliteit te kunnen verkrijgen.
5. Voor de beoordeling van het beroep zijn de volgende regels van belang. Op verzoek van de belanghebbende kan de Dienst Toeslagen een betaling in termijnen van een terugvordering toestaan, gebaseerd op de betalingscapaciteit. [2] De Dienst Toeslagen kan – afhankelijk van de concrete situatie van de belanghebbende en zijn gezin – bepaalde aanvaardbare uitgaven op de berekende betalingscapaciteit in mindering brengen. Het moet dan gaan om uitgaven die samenhangen met de maatschappelijke positie van de belanghebbende, en die naar het oordeel van de Dienst Toeslagen niet in redelijkheid kunnen worden betaald uit het normbedrag voor levensonderhoud en de zogenoemde uitvoeringstolerantie van 20%. [3]
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen de betalingscapaciteit van eiseres terecht vastgesteld op € 413,- per maand. De Dienst Toeslagen heeft de betalingscapaciteit berekend op basis van de gegevens die eiseres bij het verzoek om een betalingsregeling heeft verstrekt. De Dienst Toeslagen hoefde geen rekening te houden met de uitgaven van eiseres aan de inburgeringscursus. Zij was namelijk niet verplicht die cursus te volgen, maar volgde die vrijwillig. De Dienst Toeslagen mocht zich daarom in redelijkheid op het standpunt stellen dat geen sprake was van een aanvaardbare uitgave die samenhangt met de maatschappelijke positie van eiseres. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van 27 december 2023 in stand blijft. Als de situatie van eiseres sinds 27 december 2023 is gewijzigd, kan zij een nieuw verzoek indienen om een betalingsregeling bij de Dienst Toeslagen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van G.J. Machwirth, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Artikel 7, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling Awir.
3.Artikel 25.5.7 van de Leidraad Invordering 2008.