ECLI:NL:RBROT:2026:7014

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
C/10/719949 / KG ZA 2026-477
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing tenuitvoerlegging vonnis ontbinding huurovereenkomst en ontruiming woning

Eiseres huurt sinds september 2024 een woning van gedaagde. De kantonrechter heeft bij vonnis van 27 maart 2026 de huurovereenkomst ontbonden en eiseres veroordeeld tot ontruiming en betaling van huurachterstand. Gedaagde betekende het vonnis met het bevel tot betaling en ontruiming op 21 juli 2026. Eiseres stelde hoger beroep in en vorderde in kort geding de executie van het vonnis te verbieden of te schorsen.

De voorzieningenrechter overwoog dat de toetsingsmaatstaf van het Zeester-arrest geldt: een vonnis is uitvoerbaar, ook als er hoger beroep is ingesteld, tenzij het belang van de veroordeelde bij behoud van de toestand zwaarder weegt. Eiseres bracht nieuwe omstandigheden naar voren, zoals substantiële betalingen waardoor de huurachterstand sterk is verminderd, tijdige betaling van de lopende huur, en haar deelname aan een schuldhulptraject. Ook speelt de zorg voor haar minderjarige zoon een rol.

Gedaagde betwistte enkele stellingen, maar de rechter vond dat de belangenafweging uitviel in het voordeel van eiseres. De schorsing van de executie is gerechtvaardigd totdat het hoger beroep is beslist of het vonnis onherroepelijk is geworden. De gevorderde dwangsom werd afgewezen wegens gebrek aan belang. De proceskosten werden aan gedaagde opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis tot ontbinding en ontruiming totdat het hoger beroep is beslist of het vonnis onherroepelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/719949 / KG ZA 26-477
Vonnis in kort geding van 16 juni 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. E. van Lent te Rotterdam,
tegen
[gedaagde],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. R.J. Maassen te Den Haag.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 mei 2026;
- de 9 producties van [eiseres] ;
- de conclusie van antwoord;
- de 6 producties van [gedaagde] ;
- de mondelinge behandeling op 5 juni 2026;
- de pleitnota van [eiseres] .

2.De feiten

2.1.
Vanaf 3 september 2024 huurt [eiseres] van [gedaagde] de woning gelegen aan de [adres] in Berkel en Rodenrijs (hierna: de woning).
2.2.
Bij mondelinge uitspraak van 27 maart 2026 (hierna: het Vonnis) heeft de kantonrechter van deze rechtbank kort gezegd de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden en [eiseres] veroordeeld tot ontruiming van de woning en tot betaling van € 6.328,54 aan [gedaagde] ten titel van huurachterstand.
2.3.
Bij deurwaardersexploot van 18 mei 2026 heeft [gedaagde] het Vonnis betekend aan [eiseres] , met het bevel om binnen twee dagen de op dat moment geldende huurachterstand met kosten van € 3.678,28 te betalen. Daarbij is aangezegd dat, indien [eiseres] niet tijdig aan het bevel voldoet, de gerechtelijke ontruiming plaatsvindt op 21 juli 2026.
2.4.
Bij dagvaarding van 28 mei 2026 heeft [eiseres] bij het gerechtshof Den Haag hoger beroep ingesteld tegen het Vonnis.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert – samengevat weergegeven – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I.
primairde executie van het Vonnis te verbieden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,00;
subsidiairde executie van het Vonnis te schorsen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,00, totdat in de hoger beroepsprocedure onherroepelijk is beslist op de vordering van [gedaagde] tot ontbinding en ontruiming;
voor het geval de executie niet wordt geschorst:
meer subsidiair[gedaagde] te verbieden na ontruiming de woning weder te verhuren op straffe van verbeurte van een dwangsom;
nog meer subsidiair[gedaagde] te gebieden na ontruiming de woning slechts weder te verhuren op zodanige wijze dat zij feitelijk en juridisch weer in staat is de woning aan [eiseres] ter beschikking te stellen op straffe van verbeurte van een dwangsom;
II. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding.
3.2. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.

4.De beoordeling

4.1.
[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat er na het Vonnis nieuwe feiten en omstandigheden zijn opgekomen die maken dat executie van het Vonnis misbruik van bevoegdheid oplevert dan wel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarmee hanteert zij echter een onjuiste toetsingsmaatstaf.
4.2.
Als het gaat om een uitgesproken veroordeling waarin een rechtsmiddel is ingesteld of nog openstaat, zoals hier aan de orde, geldt de toetsingsmaatstaf van de Hoge Raad uit het Zeester-arrest [1] . Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een daartegen ingesteld rechtsmiddel, uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand, zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling heeft verkregen bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Daarbij moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vastgestelde feiten en oordelen. De kans van slagen van het ingestelde rechtsmiddel blijft buiten beschouwing, tenzij sprake is van een kennelijke misslag.
4.3.
Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een kennelijke misslag in het Vonnis. De kans van slagen van het inmiddels ingestelde hoger beroep blijft bij de belangenafweging daarom buiten beschouwing.
4.4.
[eiseres] heeft, ter onderbouwing van haar belang bij behoud van de woning, gewezen op de volgende omstandigheden:
[eiseres] heeft substantiële betalingen verricht, waardoor de resterende huurachterstand ten tijde van de betekening van de dagvaarding is teruggebracht tot ongeveer twee maanden huur. Daarmee is de oorspronkelijke grondslag voor de toegewezen ontbinding en ontruiming, namelijk de omvangrijke huurachterstand, grotendeels weggevallen.
[eiseres] voldoet tijdig de lopende huur.
De minderjarige zoon van [eiseres] verblijft structureel bij haar.
[eiseres] heeft hulp gezocht en verkregen van begeleidende instanties om haar financiële situatie duurzaam te stabiliseren.
4.5 [gedaagde] heeft de stellingen van [eiseres] over het inwonen van de minderjarige zoon en het geaccepteerd hebben van schuldhulpverlening betwist. Volgens haar verblijft de minderjarige zoon vaak bij de vader en heeft de kantonrechter al een afweging gemaakt in het kader van artikel 3 IVRK Pro. Verder is [eiseres] nimmer toegelaten tot de gemeentelijke schuldhulp. Dat de huurachterstand is geslonken, is de enige nieuwe omstandigheid. Dat weegt echter niet op tegen het belang van [gedaagde] om als sociale verhuurder de woning weer tot haar beschikking te krijgen om het doelmatig te verhuren aan een ander, aldus [gedaagde] .
4.6.
De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat een belangenafweging in het onderhavige geval uitvalt in het voordeel van [eiseres] . Daartoe is het volgende redengevend.
4.7.
Vaststaat dat [eiseres] sinds het Vonnis de lopende huur tijdig heeft betaald en dat zij de huurachterstand grotendeels heeft ingelost. Uit het betalingsoverzicht van [gedaagde] (productie 2) blijkt dat de huurachterstand per 1 juni 2026 € 676,68 bedraagt. Dat is minder dan één maand huur.
4.8.
[eiseres] heeft ter zitting nader toegelicht hoe zij in de schulden is geraakt. De voorzieningenrechter begrijpt daaruit dat haar breuk met de vader van de minderjarige, haar ziekte en oplopende ziekenhuiskosten, mede gelet op haar zeer beperkte inkomsten (bijstandsuitkering en toeslagen), omstandigheden waren die daaraan hebben bijgedragen. Hoewel gemeente Lansingerland (hierna: de gemeente) in februari 2026 een aanvraag van [eiseres] voor een schuldhulptraject heeft afgewezen, heeft [eiseres] voldoende onderbouwd dat zij daarna opnieuw een aanvraag bij de gemeentelijke schuldhulp heeft ingediend en stappen heeft gezet om haar financiële situatie te stabiliseren. Zo heeft zij een ondertekend plan van aanpak overgelegd van Stichting Werkshop, waaruit blijkt dat zij deelneemt aan het Werkfit traject met het doel om eigen inkomen te verdienen. Dat traject is aangevangen op 3 juni 2026. In het plan van aanpak is vermeld dat de voortgang en ontwikkeling van [eiseres] wordt gerapporteerd aan de gemeente en dat de gemeente maatregelen kan treffen wanneer [eiseres] niet meewerkt of zich onvoldoende inzet. Daaruit blijkt de actieve en concrete inzet van [eiseres] om haar financiële situatie op orde te krijgen. Zij heeft er in dat kader gerechtvaardigd belang bij dat er niets aan haar woonsituatie verandert, omdat aannemelijk is dat het verliezen van haar woonruimte een ernstig verstorende invloed zal hebben op het nog maar kort geleden begonnen hulptraject.
4.9.
Verder speelt een rol dat [eiseres] en haar ex-partner de zorg over hun minderjarige zoon delen. Hoewel de rechtbank bij beschikking van 2 augustus 2024 een zorgregeling heeft bepaald waarbij de zoon meer bij [eiseres] verblijft dan bij zijn vader, heeft de kantonrechter later in het Vonnis vastgesteld dat de zoon veelal bij de vader verblijft. Kennelijk wordt in de praktijk afgeweken van de vastgestelde zorgregeling. Dat neemt echter niet weg dat de zoon in ieder geval deels bij [eiseres] verblijft. [eiseres] stelt dat zij bij ontruiming van de woning op straat komt te staan. Het (voorlopig) behouden van de woning stelt haar in staat de zorg voor haar zoon uit te blijven oefenen. Hieraan staat niet in de weg dat de kantonrechter al rekening heeft gehouden met het belang van het kind. Het gaat nu immers niet om de vraag of grond bestaat voor ontbinding en daaraan verbonden ontruiming, maar louter om de vraag of met die ontruiming moet worden gewacht zolang het hof niet heeft beslist op het hoger beroep.
4.10.
Deze omstandigheden bij elkaar genomen, is de voorzieningenrechter het met [eiseres] eens dat haar persoonlijke belangen bij een schorsing van de ontruiming zwaarder wegen dan het algemene belang van [gedaagde] om als sociale verhuurder de woning doelmatig te verhuren. Dat klemt te meer, nu [eiseres] klaarblijkelijk bij uitstek behoort tot de doelgroep die in aanmerking komt voor sociale huur.
4.11.
Het primair gevorderde is niet toewijsbaar. Voor het opleggen van een verbod om de executie van het Vonnis te verbieden, zonder enige voorwaarde of looptijd eraan te verbinden, bestaat geen grond.
4.12.
De belangenafweging leidt er wel toe dat de executie van het Vonnis wordt geschorst totdat in hoger beroep einduitspraak is gedaan over de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning of totdat het Vonnis gezag van gewijsde heeft. Voor zover de gevorderde schorsing ziet op de periode waarin einduitspraak is gedaan tot het moment dat de uitspraak onherroepelijk wordt, wordt dat afgewezen [2] . Zodra het hof uitspraak heeft gedaan, behoort die uitspraak leidend te zijn voor het antwoord op de vraag of [gedaagde] tot ontruiming mag overgaan.
4.13.
Een schorsing van het Vonnis houdt in dat [gedaagde] geen titel heeft om het Vonnis ten uitvoer te leggen. De gevorderde dwangsom wordt bij gebrek aan belang afgewezen.
4.14.
Met de gedeeltelijke toewijzing van de subsidiaire vordering, komt de voorzieningenrechter niet toe aan de behandeling van de meer subsidiaire en nog meer subsidiaire vorderingen.
4.15 [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiseres] procedeert op basis van een toevoeging, wordt [gedaagde] niet veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- griffierecht
93,00
- salaris advocaat
760,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.042,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
schorst de tenuitvoerlegging van het Vonnis van 27 maart 2026 totdat in hoger beroep einduitspraak is gedaan over de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning of totdat het Vonnis gezag van gewijsde heeft;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.042,00, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.
2091 / 1980

Voetnoten

1.Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026
2.Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, r.o. 5.6.4