Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7015

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
ROT 26/3098
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 172a Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen gebiedsverbod centrum Rotterdam wegens drugsdealactiviteiten

De burgemeester van Rotterdam legde op 2 april 2026 een gebiedsverbod van drie maanden op aan verzoeker voor het centrum van Rotterdam, vanwege ernstige verstoring van de openbare orde door drugsdealactiviteiten. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om het gebiedsverbod te schorsen.

De politie rapporteerde meerdere incidenten sinds augustus 2025, waaronder fouilleringen, aanhoudingen en vondsten van cocaïne en een uitklapbaar mes. Verzoeker werd herhaaldelijk betrapt op contact met drugsgebruikers en handel in drugs, zonder gedragsverandering ondanks eerdere aanhoudingen. De burgemeester motiveerde het gebiedsverbod als noodzakelijke en evenwichtige maatregel om de openbare orde te beschermen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was het gebiedsverbod op te leggen en dat de belangen van verzoeker voldoende waren meegewogen, onder meer door het toestaan van een looproute vanaf zijn woning. De gevolgen van het verbod, zoals beperkingen in het bezoeken van winkels en het brengen van zijn kind naar voetbal, zijn voor rekening van verzoeker. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen, waardoor het gebiedsverbod in stand blijft.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het gebiedsverbod wordt afgewezen, waardoor het verbod in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/3098
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 mei 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. S. Splinter),
en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam

(gemachtigden: mr. S.B.H. Fijneman en mr. D. Boet.

Inleiding

1. Met het bestreden besluit van 2 april 2026 heeft de burgemeester aan verzoeker een gebiedsverbod [1] opgelegd voor 3 maanden. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester.
1.2.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?
2. De burgemeester heeft van de politie een bestuurlijke rapportage gekregen van 18 februari 2026. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende.
3. Verzoeker is op 8 augustus 2025 op vrijwillige basis gefouilleerd. Daarbij is een uitklapbaar mes aangetroffen. Verzoeker is op 28 november 2025 aangehouden op de Westblaak in Rotterdam nadat er twee overdrachten werden waargenomen tussen verzoeker en drugsgebruikers. Naar aanleiding hiervan werd het voertuig van verzoeker doorzocht waarin 152 gripzakjes cocaïne werden aangetroffen. Naar aanleiding hiervan werd ook de woning van verzoeker binnengetreden. Hier werden diverse signalen van illegale prostitutie aangetroffen. Op 13 januari 2026 werd verzoeker gecontroleerd op de Westblaak omdat hij contact had met diverse drugsgebruikers. Verzoeker bleek geen geldig legitimatiebewijs bij zich te hebben en werd aangehouden. Tijdens zijn insluiting bleek hij veel geld in ambtshalve bekende dealer coupures te bezitten. Op 7 februari 2026 werd verzoeker, samen met een grote groep overlastgevers, gecontroleerd op het skatepark op de Westblaak. Tijdens de controle rende één persoon weg nadat er een overdracht was waargenomen. Op 14 februari 2026 wilden politieambtenaren een preventief fouilleren actie uitvoeren op het Skatepark op de Westblaak. Zij zagen dat verzoeker contact had met een drugsgebruiker waarop verzoeker werd gefouilleerd. Er werd niets bij hem aangetroffen. Vervolgens is het voertuig van verzoeker doorzocht waar 7,1 gram cocaïne werd aangetroffen. Op 18 februari 2026 werd er middels cameratoezicht een overdracht waargenomen tussen twee personen op de Korte Bajonetstraat te Rotterdam. Eén van deze personen werd herkend als verzoeker. Verzoeker haalde een sok uit zijn jaszak en haalde hier een klein zakje uit om deze te overhandigen aan de tweede persoon die de uiterlijke kenmerken had van een drugsgebruiker. Verzoeker werd aangehouden en bleek tijdens zijn insluiting 37 gripzakjes met cocaïne bij zich te hebben. De politie ziet de afgelopen jaren een beeld van aanhoudende overlast van dak- en thuislozen. Waar voorheen een drugsdealer op bestelling verdovende middelen kwam leveren, ziet de politie deze personen zich nu langdurig ophouden binnen de groepen dak- en thuislozen die soms wel met 25 man op deze locaties aanwezig zijn. De drugsdealers wachten in deze groep totdat er iemand iets wil kopen en leveren dit vervolgens direct. De politie wijst verzoeker aan als één van deze drugsdealers. De politie wijst op de urgentie dat het probleem zich middels een ‘waterbed-effect’ verplaatst door de stad en adviseert om verzoeker een gebiedsverbod op te leggen voor het gebied Centrum.
Waar gaat het in deze zaak om?
4. De burgemeester heeft aan verzoeker een gebiedsverbod opgelegd voor drie maanden voor het centrum van Rotterdam ter bescherming van de openbare orde. Omdat verzoeker in het centrum van Rotterdam woont, heeft hij van de burgemeester een looproute gekregen vanaf zijn woning. Verzoeker is het er niet mee eens dat hij een gebiedsverbod heeft gekregen. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat het bestreden besluit wordt geschorst.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
5. De burgemeester kan aan iemand een gebiedsverbod opleggen als deze persoon de openbare orde individueel of in groepsverband ernstig heeft verstoord of herhaaldelijk heeft verstoord én er een ernstige vrees is dat de openbare orde verder wordt verstoord. [2]
6. Gelet op de inhoud van de bestuurlijke rapportage is het aannemelijk dat verzoeker in drugs heeft gehandeld in het skatepark en ook dat hij dit al langere tijd deed. Ter zitting heeft verzoeker naar voren gebracht dat hij niet de veroorzaker is van de overlast en dat hij niet in drugs heeft gehandeld. De enkele ontkenning van de feiten die in de bestuurlijke rapportage zijn onvoldoende om deze te weerleggen. De burgemeester heeft daarom uit kunnen gaan van de inhoud van de bestuurlijke rapportage. In wat verzoeker naar voren heeft gebracht ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat de burgemeester om een andere reden niet bevoegd was om het gebiedsverbod op te leggen.
6.1.
De voorzieningenrechter vindt verder dat de burgemeester in het bestreden besluit goed heeft uitgelegd waarom het opleggen van een gebiedsverbod noodzakelijk en evenwichtig is.
6.2.
Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat er sinds 8 augustus 2025 zes politiemeldingen zijn geregistreerd over verzoeker waarbij hij vier keer is aangehouden, waarvan drie keer gerelateerd aan de handel in drugs. Deze aanhoudingen en de gesprekken die de politie met verzoeker heeft gevoerd hebben bij verzoeker echter niet geleid tot een gedragsverandering (wapenbezit en dealen in drugs). Het is belangrijk dat de bewoners en bezoekers in het centrum van Rotterdam zich veilig en prettig kunnen voelen. Verzoeker zorgt er met zijn gedrag voor dat dit juist niet het geval is. Verzoeker blijft maar doorgaan met zijn al veel langer bestaande overlast gevende gedrag. Dit maakt dat de burgemeester in de volgende stap om de overlast te stoppen, heeft kunnen kiezen voor een zwaardere maatregel door hem een gebiedsverbod op te leggen.
6.3.
De burgemeester heeft bij het opleggen van het gebiedsverbod voldoende rekening gehouden met de belangen van verzoeker. Zo hoeft verzoeker slechts de straat over te steken om vanuit zijn woning het gebied te verlaten of juist om zijn woning weer te bereiken. De politie heeft in de bestuurlijke rapportage een beeld geschetst waaruit blijkt dat de drugshandel zich telkens verschuift naar een ander gebied binnen het centrum wanneer een gebiedsverbod wordt opgelegd voor een klein gedeelte daarvan (een waterbed-effect), zodat het nodig is het gehele gebied in het verbod te betrekken. Dat verzoeker hierdoor niet de kledingwinkel om de hoek met zijn kinderen kan bezoeken, niet naar zijn vaste kapper kan en zijn kind niet naar voetbal kan brengen, maakt niet dat het besluit onevenredig is. De voorzieningenrechter vindt dat dit gevolgen zijn die verzoeker zelf moet dragen. Gelet op de ernst van de verstoring van de openbare orde heeft de burgemeester verder het algemeen belang (openbare orde) zwaarder mogen laten wegen dan het belang van verzoeker om zich vrij te bewegen binnen het gebied van het gebiedsverbod. Ter zitting heeft verzoeker verteld dat hij een afspraak heeft in het gemeentehuis. De gemachtigden van de burgemeester hebben hierop aangegeven dat verzoeker contact kan opnemen met de burgemeester zodat hij een looproute kan krijgen naar het gemeentehuis.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het gebiedsverbod in stand blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
8. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026 door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier.
De rechter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.De burgemeester heeft het gebiedsverbod opgelegd op grond van artikel 172a van de Gemeentewet.
2.Artikel 172a, eerste lid, van de Gemeentewet.