ECLI:NL:RBROT:2026:7015
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen gebiedsverbod centrum Rotterdam wegens drugsdealactiviteiten
De burgemeester van Rotterdam legde op 2 april 2026 een gebiedsverbod van drie maanden op aan verzoeker voor het centrum van Rotterdam, vanwege ernstige verstoring van de openbare orde door drugsdealactiviteiten. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om het gebiedsverbod te schorsen.
De politie rapporteerde meerdere incidenten sinds augustus 2025, waaronder fouilleringen, aanhoudingen en vondsten van cocaïne en een uitklapbaar mes. Verzoeker werd herhaaldelijk betrapt op contact met drugsgebruikers en handel in drugs, zonder gedragsverandering ondanks eerdere aanhoudingen. De burgemeester motiveerde het gebiedsverbod als noodzakelijke en evenwichtige maatregel om de openbare orde te beschermen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was het gebiedsverbod op te leggen en dat de belangen van verzoeker voldoende waren meegewogen, onder meer door het toestaan van een looproute vanaf zijn woning. De gevolgen van het verbod, zoals beperkingen in het bezoeken van winkels en het brengen van zijn kind naar voetbal, zijn voor rekening van verzoeker. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen, waardoor het gebiedsverbod in stand blijft.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het gebiedsverbod wordt afgewezen, waardoor het verbod in stand blijft.