Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7026

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
ROT 26/3522
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 4 sub b Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding

Het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee heeft de bijstandsuitkering van verzoeker ingetrokken en de betaalde bijstand over een periode teruggevorderd, omdat uit onderzoek bleek dat verzoeker samenwoonde met zijn ex-echtgenote en hun gezamenlijke kind. Verzoeker betwistte dit en vroeg om een voorlopige voorziening om de uitkering te behouden totdat op bezwaar zou worden beslist.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van een spoedeisend belang, maar dat het college voldoende aannemelijk had gemaakt dat verzoeker en zijn ex-echtgenote hun hoofdverblijf delen. Dit was gebaseerd op een onderzoeksrapport, waarnemingen van auto’s, waterverbruik dat overeenkomt met een meerpersoonshuishouden, en verklaringen van buren. Verzoeker gaf onvoldoende opheldering en weigerde medewerking aan huisbezoeken.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het college terecht de uitkering had ingetrokken en dat de intrekking naar verwachting in bezwaar stand zal houden. Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/3522

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 juni 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , uit [woonplaats 1] , verzoeker

(gemachtigde: J. de Waard),
en

het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee

(gemachtigde: [naam 2] ).

Samenvatting

1. Het college heeft besloten verzoekers bijstandsuitkering in te trekken en een bedrag aan betaalde bijstand terug te vorderen. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek in deze uitspraak af.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 6 februari 2026 heeft het college de uitkering van verzoeker op grond van de Participatiewet (bijstandsuitkering) ingetrokken met ingang van 23 juni 2025 en de over de periode van 23 juni tot en met 31 december 2025 uitbetaalde bijstand van verzoeker teruggevorderd tot een bruto bedrag van € 10.410,39.
3. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 mei 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, bijgestaan door [naam 3] (werkzaam bij Fivoor), en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Relevante feiten en omstandigheden
5. Verzoeker heeft vanaf 1 november 2016 een bijstandsuitkering ontvangen naar de norm van een alleenstaande. Op 31 oktober 2016 is hij gescheiden. Zijn ex-echtgenote staat sinds 11 september 2019 ingeschreven op het adres [adres 1] . Dit adres ligt op zo’n twee kilometer afstand van verzoekers woning aan het adres [adres 2] . Op 24 december 2019 is uit de relatie tussen verzoeker en zijn ex-echtgenote een zoon geboren. De zoon staat ingeschreven op het adres van zijn moeder.
6. Het college is een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de bijstandverlening aan verzoeker. De aanleiding daarvoor was een anonieme melding dat verzoeker feitelijk in gezinsverband zou samenwonen met zijn ex-echtgenote en kind en gebruik zou maken van de auto’s van zijn ex-echtgenote. De bevindingen van dit onderzoek zijn vastgelegd in een onderzoeksrapport van 2 februari 2026.
Waar gaat deze zaak om?
7. Het college heeft in de onderzoeksbevindingen aanleiding gezien om de bijstandsuitkering van verzoeker met ingang van 23 juni 2025 in te trekken en de over de periode vanaf 23 juni 2025 tot en met 31 december 2025 onverschuldigd betaalde bijstand van verzoeker terug te vorderen. Het college heeft uit de onderzoeksbevindingen afgeleid dat verzoeker in ieder geval vanaf 23 juni 2025 een gezamenlijke huishouding voert met zijn ex-echtgenote.
8. Verzoeker is het met het besluit van het college niet eens. Hij betwist dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Hij wil met zijn verzoek bereiken dat hem weer een bijstandsuitkering wordt toegekend, of voorschotten daarop, totdat op het bezwaar is beslist.
Spoedeisend belang
9. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar of het beroep niet kan worden afgewacht.
10. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij als gevolg van de intrekking van zijn bijstandsuitkering geen inkomsten meer heeft. Op de zitting heeft verzoeker nog toegelicht dat hij op dit moment geen huur en geen energielasten betaalt. De huurtoeslag gebruikt hij om in zijn levensonderhoud te voorzien. De zorgpremie betaalt hij wel, vanuit de zorgtoeslag. De voorzieningenrechter neemt op grond hiervan een spoedeisend belang aan. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom inhoudelijk beoordelen.
Juridisch kader
11. Op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Participatiewet (Pw) wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf in de woning hebben en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.
12. Uit de relatie tussen verzoeker en zijn ex-echtgenote is een kind geboren. Daarom dient voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding, te worden beoordeeld of verzoeker en zijn ex-echtgenote hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, in dit geval de woning van verzoeker. Iemands hoofdverblijf is naar vaste rechtspraak [1] daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven ligt. Het antwoord op de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De aard van de relatie van betrokkenen en hun subjectieve beleving blijven voor de toepassing van de Pw buiten beschouwing. [2]
13. De intrekking van een bijstandsuitkering is een belastend besluit. Het is daarom aan het bijstandsverlenend orgaan om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan. De bewijslast ligt in dit geval dus bij het college.
Het verzoek wordt afgewezen
14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
15. Het college baseert zijn standpunt dat verzoeker en zijn ex-echtgenote hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, op de conclusies en bevindingen in het onderzoeksrapport van 2 februari 2026. Blijkens het bestreden besluit heeft het college met name het volgende van belang geacht:
  • gedurende de periode van 23 juni 2025 tot en met 27 januari 2026 zijn tijdens waarnemingen beide auto’s op naam van de ex-echtgenote vrijwel dagelijks gezien in de omgeving van verzoekers woning;
  • de opgevraagde waterstanden over de periode van 2020 tot en met 2024 zijn te hoog voor iemand die alleen woont. De waterstanden zijn overeenkomstig een driepersoonshuishouden;
  • de zoon van verzoeker en zijn ex-echtgenote wordt door het leerlingenvervoer dagelijks opgehaald bij de woning van verzoeker om hem naar een school voor speciaal onderwijs in [locatie] te brengen. Dit is ingegaan vanaf het schooljaar 2025/2026;
  • verklaringen van buren bevestigen dat verzoeker al geruime tijd in gezinsverband samenwoont met zijn ex-echtgenote en hun gezamenlijke kind.
16. Volgens verzoeker is geen sprake van een gezamenlijke huishouding. Verzoeker heeft niet betwist dat zijn ex-echtgenote regelmatig bij hem in de woning verblijft en daar ook overnacht. Hij heeft hiervoor als verklaring gegeven dat zijn ex-echtgenote in de buurt van verzoekers woning door buurtbewoners is mishandeld en bedreigd in het bijzijn van hun zoon. Hierdoor voelt zij zich niet langer veilig. Daarom verblijft zij op diverse plaatsen maar ook regelmatig bij verzoeker. Verder heeft verzoeker verklaard dat zijn zoon bij hem in de buurt naar school gaat en met de taxi vanaf verzoekers adres wordt opgehaald omdat zijn ex-echtgenote zelf niet thuis is op het moment dat de taxi komt. Zij brengt hem daarom de avond ervoor of vroeg in de ochtend bij verzoeker. Omdat de zoon van verzoeker dat prettiger vindt, blijft zij ook regelmatig in de woning van verzoeker overnachten. Dit verklaart waarom haar auto’s regelmatig in de buurt van verzoekers woning zijn gesignaleerd. Volgens verzoeker gaat het slechts om een tijdelijke situatie. Verzoeker heeft erkend dat hij soms (één van) de auto’s van zijn ex-echtgenote gebruikt.
17. De voorzieningenrechter komt tot het voorlopige oordeel dat het college terecht tot de intrekking van de bijstandsuitkering is overgegaan. Het college had op grond van de onder 15 vermelde bevindingen voldoende aanleiding om aan te nemen dat verzoeker en zijn de ex-echtgenote samen hun hoofdverblijf hebben in de woning van verzoeker. Het college heeft verzoeker daarom terecht om opheldering gevraagd. Die opheldering heeft verzoeker onvoldoende gegeven. Met name is hierbij ook van belang dat het college tweemaal heeft geprobeerd een huisbezoek op het adres van verzoeker af te leggen (te weten op 27 november 2025 en aansluitend aan het gesprek op 19 januari 2026). De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat voor het afleggen van een huisbezoek geen redelijke grond bestond. Verzoeker heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan de huisbezoeken. Het college heeft daarom niet zelf kunnen vaststellen of al dan niet sprake is van (duurzaam) samenwonen. Ook op de zitting heeft verzoeker onvoldoende opheldering kunnen geven. Hij heeft bijvoorbeeld niet duidelijk kunnen maken hoe vaak zijn ex-echtgenote in zijn woning verblijft en daar ook blijft slapen. Ook is onvoldoende duidelijk geworden hoe het precies zit met de mishandeling en de bedreiging waarvan zijn ex-echtgenote het slachtoffer zou zijn geworden, en waarom dit voor haar reden is om regelmatig, maar niet voortdurend, in de woning van verzoeker te willen verblijven. Verder heeft verzoeker niet (met stukken) onderbouwd dat inderdaad sprake is van een tijdelijke situatie.
18. Gelet op het voorgaande verwacht de voorzieningenrechter dat de intrekking in bezwaar in stand zal blijven. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

19. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college verzoeker geen voorschotten op zijn bijstandsuitkering hoeft te verstrekken. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 5 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3467.
2.Zie de uitspraak van de Raad van 7 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:8.