ECLI:NL:RBROT:2026:703
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij afwijzing bijstandsuitkering wegens overschrijding vermogensgrens
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet, welke door het college is afgewezen vanwege een vermogen dat hoger is dan de geldende vermogensgrens van €7.777,00. Verzoeker betwist dit en verzoekt om een voorlopige voorziening om alsnog een uitkering of voorschot te ontvangen totdat op zijn bezwaar is beslist.
De voorzieningenrechter beoordeelt dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat het vermogen op het moment van de aanvraag €10.670,89 bedroeg, wat de vermogensgrens overschrijdt. Verzoeker heeft niet met voldoende bewijs onderbouwd dat het saldo op zijn rekening niet aan hem toebehoorde of dat het geld reeds naar een bewindvoerder was overgegaan.
Hoewel er sprake is van een spoedeisend belang, is het bezwaar niet ontvankelijk omdat het geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om een voorlopige voorziening af. Dit oordeel is voorlopig en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht heeft op bijstand.