Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- producties 21 tot en met 29 van [eiser];
- producties 1 tot en met 12 van [gedaagde]
- de pleitnota van mr. Van Leeuwen.
3.De feiten
CONSIDERANS
vijftigduizend euro (€ 50.000,00).
4.Het geschil
5.De beoordeling
Haviltex-norm). Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, in hun onderlinge samenhang bezien.
een in de toekomst gezamenlijk te verkrijgen woning”. Lid 9 van dat artikel verwijst naar levering van die gemeenschappelijke woning als opeisbaarheidsgrond. Vaststaat dat partijen nooit
gemeenschappelijkeen woning hebben verkregen en naar voorlopig oordeel geldt de opeisbaarheidsgrond dan ook niet voor de verkoop van de woning van [eiser], omdat [eiser] de enige eigenaar van die woning was.
het einde van de samenleving” is de voorzieningenrechter van oordeel dat de samenlevingsovereenkomst tegenstrijdigheden bevat. De considerans spreekt immers van “
relatie” en het beëindigen daarvan terwijl artikel 9 spreekt Pro van “
het beëindigen van de samenwoning”. [gedaagde] stelt dat zij vanaf eind 2018/begin 2019 tot het einde van de relatie van partijen begin 2025 wanneer haar kinderen bij haar verbleven, met hen in een andere woning woonde. De omstandigheden lieten het namelijk niet toe om als samengesteld gezin met elkaar in één woning te wonen. In die periode hadden partijen een affectieve relatie en hebben zij aan hun relatie gewerkt door middel van relatietherapie. De woning van [eiser] was haar thuis als haar kinderen bij hun andere ouder verbleven. [eiser] stelt dat voor de opeisbaarheid moet worden aangesloten bij het objectieve moment van uitschrijving uit de BRP in december 2018, wat betekent dat de vordering van [gedaagde] op grond van artikel 3:307 BW Pro – vijf jaar na opeisbaarheid – is verjaard.
6.De beslissing
3608/2009