ECLI:NL:RBROT:2026:7039

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
C/10/720537
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 3:307 BWArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing executoriale beslagen wegens verjaring vordering uit notariële samenlevingsovereenkomst

In deze kortgedingprocedure tussen ex-partners staat centraal of de vordering van [gedaagde] uit een notariële samenlevingsovereenkomst uit 2018 nog geldig is. [gedaagde] had executoriale beslagen gelegd op de auto, bankrekeningen en loon van [eiser].

De rechtbank oordeelt dat de vordering naar voorlopig oordeel is verjaard, omdat de samenleving vermoedelijk eind 2018/begin 2019 is geëindigd toen [gedaagde] zich op een ander adres inschreef. Dit betekent dat de vordering in december 2023 verjaard zou zijn. De rechtbank acht aannemelijk dat de bodemrechter dit zal bevestigen.

Daarnaast is vastgesteld dat [gedaagde] wel degelijk betalingen heeft gedaan voor de woning, maar dat [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij deze bedragen heeft verrekend. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] tot verrekening af.

De executoriale beslagen worden opgeheven en [gedaagde] wordt verboden verdere executiemaatregelen te treffen uit hoofde van artikel 9 van Pro de samenlevingsovereenkomst totdat een bodemprocedure is afgerond of partijen een regeling treffen. De proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Executoriale beslagen worden opgeheven wegens verjaring van de vordering en verdere executiemaatregelen worden verboden tot bodemprocedure of regeling.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/720537 / KG ZA 26-515
Vonnis in kort geding van 17 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. C.J.H. Anker,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. F.M.O. van Leeuwen.

1.De zaak in het kort

Dit kort geding betreft een geschil tussen ex-partners. [gedaagde] heeft uit hoofde van een vordering die is opgenomen in een tussen partijen gesloten notariële samenlevingsovereenkomst diverse executoriale beslagen gelegd ten laste van [eiser]. De voorzieningenrechter heft alle gelegde beslagen op, omdat de vordering van [gedaagde] naar voorlopig oordeel is verjaard. Ook wordt het haar verboden om executiemaatregelen te treffen uit hoofde van artikel 9 van Pro de samenlevingsovereenkomst totdat in een bodemprocedure in eerste aanleg eindvonnis is gewezen of partijen in onderling overleg een regeling hebben getroffen.

2.De procedure

2.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 3 juni 2026, met producties 1 tot en met 20;
- de akte vermeerdering van eis van [eiser];
- producties 21 tot en met 29 van [eiser];
- producties 1 tot en met 12 van [gedaagde]
- de pleitnota van mr. Anker;
- de pleitnota van mr. Van Leeuwen.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 11 juni 2026 plaatsgevonden. Daarbij is [eiser] via een digitale beeld- en geluidsverbinding verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. [gedaagde] was in de zittingszaal aanwezig, bijgestaan door haar advocaat.

3.De feiten

3.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad en hebben met elkaar samengewoond. Zij hebben op 28 mei 2018 een notariële samenlevingsovereenkomst gesloten waarin zij onder andere het volgende hebben afgesproken:

CONSIDERANS
1. De verschenen personen verklaren dat:
tussen hen een affectieve relatie bestaat en dat zij in het kader van die relatie vanaf één april tweeduizend achttien samenleven en zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren;
2. Bij deze akte wensen zij, verschenen personen, te regelen de vermogensrechtelijke gevolgen van die relatie, het beëindigen van die relatie en de verbreking van die relatie door overlijden van een van hen.
(..)
GEMEENSCHAPPELIJKE HUISHOUDING
Artikel 3.
1. a. Tenzij door partijen anders wordt overeengekomen, worden de kosten van de gemeenschappelijke
huishouding gedragen naar evenredigheid van ieders netto inkomsten uit arbeid.
(..)
WONING IN EIGENDOM BIJ EEN VAN DE PARTNERS
Artikel 9.
(..)
3. Door de partner onder sub 2. genoemd, niet-eigenaar van de woning, is tot op vandaag vijftigduizend euro (€ 50.000,00) uit eigen middelen bijgedragen in de financiering van de woning. Op grond hiervan heeft de partner onder sub 2. genoemd, mevrouw [gedaagde], een vordering op de partner onder sub 1. genoemd, de heer [eiser], van
vijftigduizend euro (€ 50.000,00).
(..)
5. Ten aanzien van een in de toekomst gezamenlijk te verkrijgen woning komen de partners het volgende overeen. Deze toekomstige gezamenlijke woning wordt hierna aangeduid als ‘gemeenschappelijke woning’.
Alle investeringen, kosten en lasten met betrekking tot de gemeenschappelijke woning, die niet onder de kosten van de huishouding vallen (zoals de in lid 4 bedoelde hypothecaire lening, de aflossing daarvan en de premies voor het spaargedeelte van de levensverzekering), komen voor rekening van beiden, ieder naar evenredigheid van hun aandeel in de eigendom, terwijl zij ook ieder in die verhouding delen in de gevolgen van een waardevermeerdering of waardevermindering van de woning.
(..)
9. De vorderingen bedoeld in de leden 3 en 6 van dit artikel zijn opeisbaar bij:
(..)
- levering van (een onverdeeld aandeel in) de gemeenschappelijke woning (waaronder begrepen economische eigendomsoverdracht);
- het einde van de samenwoning;
(..)
DUUR VAN DE OVEREENKOMST
Artikel 15.
1. Het in de vorige artikelen bepaalde geldt gedurende de periode dat de samenleving duurt, behoudens uiteraard de gelding van de bepalingen welke naar hun aard zijn bestemd te werken na de beëindiging van deze samenleving.
2. Indien tussen partijen verschil van mening bestaat over wanneer de samenleving is geëindigd, wordt deze geacht te zijn geëindigd op de dag, waarop een van hen bij aangetekend schrijven aan de wederpartij te kennen geeft de samenleving als geëindigd te beschouwen.(..)”
3.2.
[gedaagde] heeft zich op 1 december 2018 in de BRP ingeschreven op een ander adres dan het adres van de woning van [eiser].
3.3.
Op 30 april 2026 is de grosse van de notariële akte aan [eiser] betekend met een bevel tot betaling van de hoofdsom van € 50.000,-.
3.4.
Op 6 mei 2026 heeft [gedaagde] executoriaal beslag laten leggen op de auto van [eiser], van het merk BMW, type Z4 3.0l, met kenteken [kenteken]. De openbare verkoop van de auto staat gepland op 18 juni 2026.
3.5.
[gedaagde] heeft op 6 mei 2026 ook beslag laten leggen onder de bankrekeningen van [eiser] bij de Rabobank en op 13 mei 2026 op zijn loon.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert – na vermeerdering van eis – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
de gelegde executoriale beslagen door [gedaagde] op de BMW van [eiser] met het kenteken [kenteken], de Rabobank-bankrekeningen van [eiser] en het loon van [eiser] bij [naam bedrijf] op te heffen, althans [gedaagde] te bevelen deze beslagen op te heffen en opgeheven te houden, althans de executie van de notariële samenlevingsovereenkomst van 28 mei 2018 te schorsen totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- dag(deel) dat [gedaagde] dit bevel niet opvolgt;
[gedaagde] te verbieden (verdere) executiemaatregelen te treffen op grond van de notariële samenlevingsovereenkomst van 28 mei 2018, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per dag(deel) dat [gedaagde] dit verbod overtreedt;
[gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
4.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

5.De beoordeling

5.1.
In deze zaak staat de vraag centraal of [gedaagde] misbruik maakt van haar executiebevoegdheid. Hiervan is onder meer sprake indien de executant, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen (art. 3:13 lid 1 en Pro 2 BW). Als dit het geval is, dan kan dit leiden tot opheffing van de beslagen, dan wel kan het [gedaagde] verboden worden om tot de openbare verkoop van de auto van [eiser] over te gaan en/of verdere executiemaatregelen te treffen uit hoofde van de notariële akte. Uit de aard van de vorderingen vloeit genoegzaam het spoedeisend belang van [eiser] voort.
Het is aannemelijk dat [gedaagde] heeft geïnvesteerd in de woning van [eiser]
5.2.
[gedaagde] heeft executoriale beslagen laten leggen uit hoofde van de grosse van de notariële samenlevingsovereenkomst. Volgens [gedaagde] is haar vorderingsrecht in de akte vastgelegd en levert die akte dwingend bewijs op. [eiser] stelt in de dagvaarding dat [gedaagde] in de periode 2017-2018 geen betalingen in de zin van artikel 9.3 van de samenlevingsovereenkomst aan [eiser] heeft voldaan. [gedaagde] heeft bovendien ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij het in de samenlevingsovereenkomst genoemde bedrag heeft voldaan voor de financiering van de woning. [eiser] heeft daarmee voldoende tegenbewijs tegen de akte geleverd. Ter zitting erkent [eiser] dat [gedaagde] betalingen heeft verricht aan een aannemer (Koelman Bouw). Hij stelt zich echter op standpunt dat hij dit bedrag, door verrekening, al heeft terugbetaald aan [gedaagde] waardoor zij geen vorderingsrecht (meer) heeft op [eiser].
5.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij heeft geïnvesteerd in de woning van [eiser]. Uit de overgelegde afschriften blijkt immers dat [gedaagde] in de periode augustus 2017 tot december 2017 drie betalingen heeft verricht aan een aannemer voor een bedrag van ± € 29.000,-. De meest verstrekkende stelling van [eiser] dat [gedaagde] helemaal niks heeft betaald, klopt dus in ieder geval niet. Dit betekent dat [eiser] met deze aanvankelijk ingenomen stelling artikel 21 Rv Pro heeft geschonden.
Het is niet onaannemelijk dat de vordering van [gedaagde] is verjaard
5.4.
[eiser] stelt vervolgens dat de vordering van [gedaagde] is verjaard, omdat de samenleving van partijen in december 2018 is geëindigd toen [gedaagde] in een andere woning is gaan wonen en zich ook op het adres van die woning in de BRP heeft ingeschreven. De vordering van [gedaagde] is dan ook op grond van artikel 3:307 BW Pro in december 2023 verjaard. [gedaagde] betwist dit en stelt dat haar vordering pas opeisbaar is geworden na verkoop van de woning van [eiser] in juni 2024 of na het beëindigen van de relatie van partijen in januari 2025. [gedaagde] stelt subsidiair dat nu partijen twisten over de vraag wanneer de samenleving is beëindigd, artikel 15 lid 2 van Pro de samenlevingsovereenkomst geldt.
5.5.
Partijen twisten over (de uitleg van) wat zij precies hebben afgesproken in hun samenlevingsovereenkomst. Als de tekst niet glashelder en voor maar een uitleg vatbaar is
– zoals in dit geval – komt het bij de uitleg van een overeenkomst, ook als die is neergelegd in een notariële akte, niet alleen aan op een zuiver taalkundige uitleg, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en wat zij ten aanzien daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de
Haviltex-norm). Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, in hun onderlinge samenhang bezien.
5.6.
De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de stelling van [gedaagde] dat haar vordering opeisbaar is geworden nadat [eiser] zijn woning heeft verkocht in juni 2024, niet aannemelijk is. Artikel 9 lid 5 definieert Pro het begrip gemeenschappelijke woning immers als “
een in de toekomst gezamenlijk te verkrijgen woning”. Lid 9 van dat artikel verwijst naar levering van die gemeenschappelijke woning als opeisbaarheidsgrond. Vaststaat dat partijen nooit
gemeenschappelijkeen woning hebben verkregen en naar voorlopig oordeel geldt de opeisbaarheidsgrond dan ook niet voor de verkoop van de woning van [eiser], omdat [eiser] de enige eigenaar van die woning was.
5.7.
Ten aanzien van de opeisbaarheidsgrond “
het einde van de samenleving” is de voorzieningenrechter van oordeel dat de samenlevingsovereenkomst tegenstrijdigheden bevat. De considerans spreekt immers van “
relatie” en het beëindigen daarvan terwijl artikel 9 spreekt Pro van “
het beëindigen van de samenwoning”. [gedaagde] stelt dat zij vanaf eind 2018/begin 2019 tot het einde van de relatie van partijen begin 2025 wanneer haar kinderen bij haar verbleven, met hen in een andere woning woonde. De omstandigheden lieten het namelijk niet toe om als samengesteld gezin met elkaar in één woning te wonen. In die periode hadden partijen een affectieve relatie en hebben zij aan hun relatie gewerkt door middel van relatietherapie. De woning van [eiser] was haar thuis als haar kinderen bij hun andere ouder verbleven. [eiser] stelt dat voor de opeisbaarheid moet worden aangesloten bij het objectieve moment van uitschrijving uit de BRP in december 2018, wat betekent dat de vordering van [gedaagde] op grond van artikel 3:307 BW Pro – vijf jaar na opeisbaarheid – is verjaard.
5.8.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat voor de opeisbaarheid van de vordering moet worden aangesloten bij het moment dat [gedaagde] zich heeft uitgeschreven van het adres van de gezamenlijk bewoonde woning. Een gebruikelijke maatstaf in de jurisprudentie is immers de beëindiging van de gemeenschappelijke huishouding zodra één van de partners uit de woning vertrekt, wat het einde van de samenwoning markeert. [1] De omstandigheden dat [gedaagde] grotendeels haar huishouden met haar kinderen in een andere woning had, dat uit in ieder geval één verklaring van iemand uit de omgeving van [gedaagde] volgt dat er sinds 2019 sprake was van een LAT-relatie en dat [gedaagde] na de uitschrijving van het adres in de BRP (tijdelijk) is gestopt met het bijdragen aan de kosten van de huishouding, wat [gedaagde] niet heeft betwist, onderschrijven dat partijen eind 2018/begin 2019 hun samenleving hebben beëindigd. Dit betekent dat de vordering van [gedaagde] op grond van de samenlevingsovereenkomst op dat moment opeisbaar werd en dat de vordering eind 2023/begin 2024 op grond van artikel 3:307 BW Pro is verjaard. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] de verjaring heeft gestuit. Gelet op al het voorgaande is het niet onaannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat de vordering van [gedaagde] is verjaard. Het beroep van [gedaagde] op artikel 15 van Pro de samenlevingsovereenkomst maakt het voorgaande niet anders. Immers, onderhavig geschil tussen partijen is pas ontstaan bijna acht jaar nadat [gedaagde] zich heeft uitgeschreven uit de BRP en – als de stellingen van [gedaagde] worden gevolgd dat de relatie tot januari 2025 heeft geduurd – ruim anderhalf jaar na dit moment. Aansluiting bij dat artikel zou dan tot de conclusie leiden dat de samenlevingsovereenkomst pas recent ten einde is gekomen terwijl dit geen recht doet aan de omstandigheden.
Het is niet aannemelijk dat [eiser] een vordering heeft die hij kan verrekenen
5.9.
Subsidiair stelt [eiser] dat hij de door [gedaagde] betaalde bedragen aan de aannemer heeft verrekend met diverse betalingen die [eiser] aan [gedaagde] heeft verricht. Zo betaalde [eiser] gedurende 31 maanden € 300,- per maand aan [gedaagde] voor haar levensonderhoud, creëerde hij in zijn onderneming een fictief dienstverband voor [gedaagde] en heeft [eiser] de aflossingen van het financial lease contract voor de auto van [gedaagde] betaald. Het totaal te verrekenen bedrag bedraagt € 44.770,81 en dat bedrag moet [gedaagde] aan [eiser] terugbetalen op grond van artikel 3 van Pro de samenlevingsovereenkomst dan wel uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking. [gedaagde] betwist dat zij een bedrag aan [eiser] is verschuldigd. Er was geen sprake van een fictief dienstverband maar een dienstverband waarbij daadwerkelijk en veel werkzaamheden werden verricht, het bedrag aan levensonderhoud en de aflossingen op het financial leasecontract waren geen afzonderlijke posten maar dezelfde en [eiser] heeft het leasecontract voor [gedaagde] afgesloten zodat zij in een mooie en goede auto zou rijden. De grondslag voor terugbetaling van deze bedragen tijdens de relatie van partijen ontbreekt.
5.10.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een grondslag is voor het verrekenen van de betaalde bedragen. Artikel 3 van Pro de samenlevingsovereenkomst – een bijdrage in de kosten van de huishouding naar evenredigheid van het inkomen – geldt immers gedurende de samenwoning en die samenwoning is volgens het eigen standpunt van [eiser] reeds in december 2018 beëindigd. Onaannemelijk is dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt door de betalingen van [eiser], omdat niet aannemelijk is geworden dat deze bedragen zonder redelijke grond aan [gedaagde] zijn betaald. Een vrijwillige bijdrage aan een partner levert nog geen grondslag op om die bedragen na het beëindigen van de relatie allemaal terug te vorderen.
Toe te wijzen vorderingen
5.11.
Omdat de vordering van [gedaagde] naar voorlopig oordeel is verjaard, zijn de beslagen gelegd zonder dat daaraan een vordering ten grondslag ligt en moeten deze beslagen worden opgeheven. Om problemen bij de opheffing van de beslagen te voorkomen, heft de voorzieningenrechter de beslagen in dit vonnis zelf op. De nevengevorderde dwangsom wordt daarom afgewezen. Omdat het primair gevorderde onder 1. wordt toegewezen, komt de voorzieningenrechter niet meer toe aan de subsidiaire vorderingen onder 1.
5.12.
Vordering 2. wordt als het mindere van het gevorderde toegewezen. Het wordt [gedaagde] verboden om verdere executiemaatregelen te treffen uit hoofde van artikel 9 van Pro de notariële samenlevingsovereenkomst van 28 mei 2018. De voorzieningenrechter spreekt dit verbod uit totdat in een bodemprocedure in eerste aanleg eindvonnis is gewezen of partijen in onderling overleg een regeling hebben getroffen. Een verdergaand verbod zoals gevorderd is niet toewijsbaar.
De proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd
5.13.
Hoewel [gedaagde] grotendeels ongelijk krijgt in deze procedure, ziet de voorzieningenrechter in de discrepantie van de ingenomen stellingen van [eiser] in de dagvaarding en ter zitting (zie r.o. 5.3.) en daarmee de schending van artikel 21 Rv Pro, maar ook in het gegeven dat partijen ex-partners zijn, aanleiding om de proceskosten tussen hen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
heft de beslagen op de auto van het merk BMW met kenteken [kenteken], onder de bankrekeningen van [eiser] bij Rabobank en onder het loon van [eiser] bij [naam bedrijf], op,
6.2.
verbiedt [gedaagde] verdere executiemaatregelen te treffen uit hoofde van artikel 9 van Pro de notariële samenlevingsovereenkomst van 28 mei 2018 totdat in een bodemprocedure in eerste aanleg eindvonnis is gewezen of partijen in onderling overleg een regeling hebben getroffen,
6.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
3608/2009

Voetnoten

1.Vgl. Gerechtshof Den Bosch 5 april 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1077.