ECLI:NL:RBROT:2026:7047

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/7827
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 130 Wegenverkeerswet 1994Art. 132 Wegenverkeerswet 1994Art. 24 Regeling rijbewijzenArt. 134 Reglement rijbewijzen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ongeldigverklaring rijbewijs wegens onvoldoende medewerking rijvaardigheidsonderzoek

Eiser is door de politie staande gehouden wegens een snelheidsovertreding en het CBR heeft daarop een rijvaardigheidsonderzoek opgelegd. Na een eerste onderzoek waarbij eiser niet slaagde, werd een tweede onderzoek gepland. Eiser gaf telkens aan wegens rugklachten verhinderd te zijn, maar het CBR oordeelde dat voor de laatste afspraak geen geldige reden van verhindering bestond. Hierdoor verklaarde het CBR het rijbewijs ongeldig.

Eiser voerde onder meer aan dat sprake was van discriminatie en dat het eerste onderzoek niet correct was uitgevoerd. De rechtbank oordeelde dat het besluit tot het opleggen van het rijvaardigheidsonderzoek niet meer ter discussie stond en dat het eerste onderzoek deskundig was uitgevoerd. Ook was het terecht dat eiser het praktijkgedeelte mocht doen ondanks het niet slagen voor het theoriegedeelte.

Ten aanzien van het tweede onderzoek stelde de rechtbank vast dat eiser onvoldoende bewijs leverde voor zijn verhindering en dat het CBR niet verplicht was contact op te nemen met de behandelend arts. Ook was eiser in de gelegenheid gesteld het praktijkexamen in een auto met automatische versnellingsbak af te leggen. De rechtbank concludeerde dat het CBR het rijbewijs terecht ongeldig heeft verklaard en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen de ongeldigverklaring van het rijbewijs wegens onvoldoende medewerking aan het rijvaardigheidsonderzoek is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/7827

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaatsnaam], eiser,

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR

(gemachtigde: [naam 1]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het CBR om het rijbewijs van eiser ongeldig te verklaren. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR het rijbewijs van eiser terecht ongeldig heeft verklaard. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Bij besluit van 3 juli 2025 (het primaire besluit) heeft het CBR het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard vanaf 10 juli 2025. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.2.
Bij besluit van 3 september 2025 (het bestreden besluit) heeft het CBR het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.3.
Eiser heeft een aanvullend beroepschrift ingediend.
2.4.
Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn (tolkend) partner [naam 2] en de gemachtigde van het CBR.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1
De politie heeft eiser op 11 april 2024 staande gehouden wegens een snelheidsovertreding. Hij zou als bestuurder van zijn auto gecorrigeerd 156 kilometer per uur hebben gereden op een weg waar een maximumsnelheid gold van 100 kilometer per uur. Naar aanleiding hiervan heeft de politie het CBR conform artikel 130 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 medegedeeld dat een vermoeden is ontstaan dat eiser niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid en/of lichamelijke/geestelijke geschiktheid.
3.2
Bij besluit van 22 april 2024 heeft het CBR aan eiser een rijvaardigheidsonderzoek opgelegd. Daarbij heeft het CBR opgemerkt dat eiser niet in aanmerking komt voor het volgen van een lichte educatieve maatregel gedrag en verkeer (LEMG), omdat hij daarvoor niet goed genoeg Nederlands spreekt.
3.3
Eiser heeft op 10 september 2024 meegewerkt aan het rijvaardigheidsonderzoek. De uitslag van dit onderzoek was dat hij niet voldoende rijvaardig wordt geacht.
3.4
Eiser heeft een tweede rijvaardigheidsonderzoek aangevraagd. Dit tweede rijvaardigheidsonderzoek is achtereenvolgens ingepland op 6 december 2024, 14 februari 2025, 8 april 2025 en 18 juni 2025. Eiser heeft elke keer voorafgaand aan het geplande rijvaardigheidsonderzoek laten weten dat hij wegens rugklachten niet in staat was om deel te nemen. Het CBR oordeelde dat eiser een geldige reden van verhindering had voor de rijvaardigheidsonderzoeken op 6 december 2024, 14 februari 2025 en 8 april 2025. Volgens het CBR had eiser echter geen geldige reden van verhindering voor het rijvaardigheidsonderzoek op 18 juni 2025. Omdat eiser niet (volledig) aan het onderzoek heeft meegewerkt is zijn rijbewijs met het besluit van 3 juli 2025 ongeldig verklaard, welk besluit met het bestreden besluit is gehandhaafd.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of het CBR het rijbewijs van eiser terecht ongeldig heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Discriminatie
5.1.
Eiser voert aan dat sprake is van discriminatie, omdat het CBR aan hem een rijvaardigheidsonderzoek heeft opgelegd in plaats van een LEMG. Eiser is van mening dat het feit dat hij onvoldoende Nederlands spreekt hiervoor geen rechtvaardiging biedt. Eiser spreekt namelijk wel Engels, hij had de LEMG dan ook in die taal kunnen volgen.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van het CBR van 22 april 2024, waarin in plaats van een LEMG een rijvaardigheidsonderzoek aan hem is opgelegd. Dit besluit staat dan ook in rechte vast en daarom wordt niet ingegaan op de hiertegen gerichte beroepsgronden van eiser. Ten overvloede overweegt de rechtbank overigens dat eerder al is geoordeeld dat in dit soort gevallen weliswaar sprake is van indirecte discriminatie, maar dat hiervoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. [1]
Het eerste rijvaardigheidsonderzoek
6.1.
Volgens eiser is het eerste rijvaardigheidsonderzoek niet op de juiste wijze afgenomen. Zo mocht hij bij het theoriegedeelte geen gebruik maken van de door hem meegebrachte tolk Engels, omdat de examinator voldoende Engels zou spreken. Eiser heeft de examinator echter meermaals moeten vragen om bepaalde vragen te herhalen wegens taalproblemen. Bovendien noteerde de examinator de antwoorden van eiser, zodat hij niet heeft kunnen controleren wat zij noteerde. Eiser is bovendien ten onrechte in de gelegenheid gesteld om deel te nemen aan het praktijkgedeelte, terwijl hij het theoriegedeelte niet had gehaald. Verder heeft de examinator onprofessioneel gehandeld door tijdens het praktijkgedeelte persoonlijke gesprekken met eiser te voeren, bijvoorbeeld over haar hobby’s. Hierdoor werd eiser afgeleid.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgronden niet slagen. In artikel 134, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen is bepaald dat ‘een rijvaardigheidsonderzoek een theorie-gedeelte en een praktijk-gedeelte omvat’. Eiser is dan ook terecht in de gelegenheid gesteld om deel te nemen aan het praktijkgedeelte, ondanks dat hij het theoriegedeelte niet heeft gehaald. In wat eiser verder heeft aangevoerd ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het oordeel dat het eerste rijvaardigheidsonderzoek niet deskundig en objectief zou zijn uitgevoerd. Het CBR heeft zich in dat verband namelijk op het standpunt mogen stellen dat het aan de rijvaardigheidsdeskundige is om wel of niet toe te staan dat een derde persoon aanwezig is of niet, dat het voorstelbaar is dat het door de rijvaardigheidsdeskundige vertellen over de hobby’s wellicht bedoeld was om eiser op zijn gemak te stellen en dat door eiser niet aannemelijk is gemaakt dat de vastlegging van zijn antwoorden niet op de juiste wijze zou hebben plaatsgevonden.
Het tweede rijvaardigheidsonderzoek
7.1.
Het CBR heeft volgens eiser ten onrechte geconcludeerd dat hij zonder geldige reden geen medewerking heeft verleend aan het rijvaardigheidsonderzoek op 18 juni 2025. Eiser was immers door zijn rugklachten niet in staat om een handgeschakelde auto te besturen. Het CBR had hierover desgewenst contact kunnen opnemen met eisers behandelend arts. Eiser had het rijvaardigheidsonderzoek bovendien uit kunnen voeren in een auto met een automatische versnellingsbak, het CBR had hem daartoe ook in de gelegenheid moeten stellen.
7.2.
In artikel 132, eerste lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 is bepaald dat medewerking aan een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid verplicht is.
7.3.
In artikel 132, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is bepaald dat het CBR onverwijld besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs bij het ontbreken van de vereiste medewerking.
7.4.
In artikel 24, aanhef en onder b, van de Regeling is bepaald dat onder meer niet de vereiste medewerking wordt verleend wanneer iemand niet binnen de door het CBR gestelde termijn meewerkt aan het opgelegde onderzoek zonder dat daarvoor naar het oordeel van het CBR een geldige reden van verhindering is opgegeven.
7.5.
Gelet op de bewoordingen van artikel 24 van Pro de Regeling komt het CBR een zekere ruimte toe bij de beoordeling of iemand een geldige reden van verhindering heeft. Dat betekent concreet dat de rechtbank terughoudend toetst of het CBR zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser geen geldige reden van verhindering had voor het rijvaardigheidsonderzoek op 18 juni 2025.
7.6.
Het CBR heeft in het bestreden besluit toegelicht dat het kenmerkend is voor de mededelingenprocedure dat het ontstane vermoeden van onvoldoende rijvaardigheid zo spoedig mogelijk dient te worden weggenomen. Dit uit zich onder meer in de verplichting voor het CBR om besluiten zo spoedig mogelijk te nemen, strikte termijnen voor de betaling van de opleggings- en uitvoeringskosten, een strenge medewerkingsplicht voor de betreffende rijbewijshouder en de verplichting om onderzoeken zo spoedig mogelijk aan te laten vangen en de uitslag daarvan ook zo spoedig mogelijk vast te stellen. Dit spoedeisende karakter dient ter waarborging van de verkeersveiligheid. Volgens het CBR was ten aanzien van eiser immers een vermoeden ontstaan van onvoldoende rijvaardigheid door de geconstateerde snelheidsovertreding. Dit vermoeden werd bovendien versterkt door het feit dat eiser het eerste rijvaardigheidsonderzoek niet succesvol heeft afgerond. Desondanks mocht hij, in afwachting van de uitslag van het tweede rijvaardigheidsonderzoek, nog gebruik maken van zijn rijbewijs. Het was daarom van groot belang dat het tweede rijvaardigheidsonderzoek zo spoedig mogelijk zou plaatsvinden. De rechtbank kan dit volgen en betrekt deze achtergrond ook bij haar beoordeling van het beroep.
7.7.
De rechtbank stelt vast dat het CBR eiser bij brief van 24 april 2025 heeft uitgenodigd voor het rijvaardigheidsonderzoek op 18 juni 2025. Eiser heeft het CBR vervolgens op 6 juni 2025 laten weten dat hij door zijn rugklachten (nog steeds) niet in staat is om een auto met een handmatige versnellingsbak te besturen. Hij heeft daarbij gewezen op de afspraak die hij op 4 juni 2025 in het ziekenhuis had en de afspraak die hij op 19 juni 2025 zou hebben bij de Eisenhower Kliniek voor een injectie in zijn wervelkolom. De rechtbank stelt vast dat eiser zowel in bezwaar als in beroep deze stellingen niet heeft onderbouwd met (medische) stukken. Het CBR heeft eiser bij brief van 18 juni 2025 verzocht om vóór 2 juli 2025 bewijs van zijn verhindering toe te sturen. Eiser heeft vervolgens brieven van de Eisenhower Kliniek overgelegd van 14 en 29 november 2024 en een aanvraag voor een MRI-onderzoek van 14 november 2024. Ook heeft eiser stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij op 3 juni 2025 een afspraak had bij de Eisenhower Kliniek en dat hij daar op 3 juli 2025 opnieuw een afspraak zou hebben. De rechtbank is van oordeel dat het CBR zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hieruit niet volgt dat eiser op de datum van 18 juni 2025 niet in staat zou zijn om deel te nemen aan het rijvaardigheidsonderzoek. Op basis van de stukken uit 2024 en de afspraakbevestigingen dat eiser nog altijd onder behandeling staat van een arts ‘wegens persisterende rug- en beenpijn’ kan immers niet worden geconcludeerd dat eiser op die specifieke datum niet in staat was om deel te nemen aan het rijvaardigheidsonderzoek. De rechtbank is verder van oordeel dat het CBR niet gehouden was om zelf contact op te nemen met eisers behandelend arts. Het is immers aan eiser om aan te tonen dat hij een geldige reden van verhindering heeft voor het rijvaardigheidsonderzoek.
7.8.
Tot slot volgt de rechtbank eiser ook niet in zijn stelling dat het CBR hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om het rijvaardigheidsonderzoek af te leggen in een auto met een automatische versnellingsbak. Eiser werd hiertoe namelijk al in de gelegenheid gesteld. In de uitnodigingsbrieven van het CBR van 21 februari 2025 en 24 april 2025 voor de rijvaardigheidsonderzoeken op 8 april 2025 en 18 juni 2025 heeft het CBR immers expliciet gewezen op de mogelijkheid om het praktijkexamen af te leggen in een auto met een automatische versnellingsbak. Het is vervolgens de verantwoordelijkheid van eiser om ervoor te zorgen dat hij op de dag van het rijvaardigheidsonderzoek beschikt over een auto met een automatische versnellingsbak.
8. De beroepsgronden slagen niet. Het CBR heeft zich dus in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser zonder geldige reden van verhindering geen medewerking heeft verleend aan het tweede rijvaardigheidsonderzoek. Het CBR heeft het rijbewijs van eiser dan ook terecht ongeldig verklaard.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. de Vries, rechter, in aanwezigheid van A. van Duijn, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.
De griffier en de rechter zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bv. de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:4290, van de rechtbank Oost-Brabant van 7 februari 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:639 en de rechtbank Amsterdam van 16 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3332.