ECLI:NL:RBROT:2026:705

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
25/3816
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 5 Wet WIAArt. 6 lid 3 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vaststelling arbeidsongeschiktheidspercentage WIA-uitkering

Eiseres is het niet eens met het door het UWV vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage van 62,76% waarop haar WIA-uitkering is gebaseerd. Zij voert aan dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat haar beperkingen onvoldoende zijn meegewogen. De rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek beoordeeld en geoordeeld dat deze op zorgvuldige wijze zijn uitgevoerd.

De rechtbank constateert dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep alle beschikbare medische gegevens heeft betrokken en dat het ontbreken van een uitgebreider lichamelijk onderzoek niet leidt tot onzorgvuldigheid. De door eiseres aangevoerde nieuwe medische klachten en aandoeningen betreffen een periode na de datum in geding en konden daarom niet worden meegenomen in de beoordeling van het arbeidsongeschiktheidspercentage per 11 oktober 2023.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat zij meer beperkt is dan vastgesteld en benadrukt dat de mate van arbeidsongeschiktheid een theoretische schatting betreft die kan veranderen in de tijd. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage van 62,76% wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3816

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. S. Celiköz).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam ex-werkgever] .uit [plaats 2] , de ex-werkgever
(gemachtigde: [persoon A] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan eiseres toegekende uitkering op grond van de Wet werk en arbeid naar inkomensvermogen (Wet WIA). Eiseres is het niet eens met het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage waarop deze uitkering is gebaseerd. Zij voert hiertoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt deze beroepsgronden en komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiseres ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 28 november 2023 (het primaire besluit) heeft het UWV met ingang van 11 oktober 2023 (de datum in geding) een loongerelateerde WGA [1] -uitkering aan eiseres toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 62,76%.
2.1.
Met het besluit van 11 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
Eiseres heeft een aanvullend beroepschrift ingediend en daarbij stukken overgelegd die zien op haar medische situatie.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 7 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld door haar partner, en de gemachtigde van het UWV.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres heeft de rechtbank geen toestemming gegeven om gedingstukken die medische gegevens bevatten ter kennisname aan de ex-werkgever te brengen. Gelet hierop zal de rechtbank de motivering van de uitspraak voor zover nodig beperken om te voorkomen dat die gegevens langs deze weg alsnog in de openbaarheid worden gebracht.
3.1.
Eiseres, laatstelijk werkzaam als cateringmanager voor gemiddeld 30,80 uur per week, heeft zich op 13 oktober 2021 ziekgemeld voor dit werk wegens belemmerende gezondheidsklachten.
3.2.
Op 10 oktober 2023 is het einde van de wachttijd bereikt. In het kader van de WIA-beoordeling per einde wachttijd heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden.
3.3.
Op 27 september 2023 is eiseres op het spreekuur gezien door een arts, werkende onder supervisie van een verzekeringsarts. Deze arts heeft een Functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, die geldig is vanaf 27 september 2023. Hierin zijn beperkingen opgenomen ten aanzien van de rubrieken: 3. Fysieke omgevingseisen, 4. Dynamische handelingen, 5. Statische houdingen en 6. Werktijden.
3.4.
De arbeidsdeskundige heeft in de rapportage van 11 november 2023, met inachtneming van de beperkingen van eiseres, geconcludeerd dat eiseres niet meer geschikt is voor het verrichten van haar eigen werk, maar wel geschikt is voor de functies van telefonisch verkoper (SBC-code 315173), telefonist, medewerker callcenter (SBC-code 315174) en administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100). Het loon dat eiseres met de middelste van de drie eerstgenoemde functies (de mediaanfunctie) kan verdienen, ligt 62,76% lager dan het loon dat eiseres met haar eigen werk zou kunnen verdienen (het maatmaninkomen).
3.5.
Vervolgens heeft het UWV het primaire besluit genomen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing.
3.6.
In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 17 maart 2025 geconcludeerd dat de belastbaarheid zoals deze is vastgesteld door de primaire arts enige wijziging behoeft. De FML is hierop aangepast.
3.7.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft, met inachtneming van de beperkingen zoals opgenomen in de (aangepaste) FML van 17 maart 2025, geconcludeerd tot handhaving van de geduide functies. Daartoe wordt aangevoerd dat de aanvullend gestelde beperkingen de geschiktheid niet beïnvloeden. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt na heroverweging daarom ongewijzigd vastgesteld op 62,76%.
3.8.
Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.

Standpunt eiseres

4. In beroep voert eiseres – kort samengevat – aan dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest. Eiseres heeft last van verschillende aandoeningen. Volgens eiseres heeft de verzekeringsarts hier echter nauwelijks aandacht aan besteed bij het lichamelijk onderzoek. Eiseres is bovendien meer beperkt dan eerder is aangenomen. Bij het opstellen van de FML is onvoldoende rekening gehouden met haar klachten en beperkingen. Eiseres is in 2017 80% tot 100% afgekeurd en is er nu slechter aan toe dan toen. Het is daarom onbegrijpelijk dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid nu is vastgesteld op 62,76%. Eiseres voelt zich niet gehoord door het UWV en wil graag een herkeuring.

Toetsingskader

5. De wet- en regelgeving die van belang is voor deze zaak, staat in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank dient te beoordelen of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres met ingang van 11 oktober 2023 terecht heeft vastgesteld op 62,76%. Daartoe dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of het UWV de medische beperkingen correct heeft vastgesteld.
6.1.
De rechtbank constateert dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gebaseerd is op de bestudering van de dossiergegevens en een hoorzitting met aansluitend een medisch onderzoek. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep alle informatie die op dat moment voorhanden was meegewogen in haar oordeel. De omstandigheid dat geen uitgebreid(er) lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden maakt niet dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest. Het is namelijk niet altijd nodig om een uitgebreid(er) onderzoek te verrichten, bijvoorbeeld wanneer bepaalde informatie al voldoende blijkt uit de bestudering van dossiergegevens. Het is daarbij in principe aan de beoordelend arts om te bepalen of een medisch onderzoek van toegevoegde waarde is en, indien dat het geval is, hoe uitgebreid een dergelijk onderzoek zou moeten zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in het geval van eiseres op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.
6.2.
De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar stelling dat zij meer beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport (onder ‘belastbaarheid’) uitgebreid toegelicht welke beperkingen er (moeten) worden aangenomen op basis van elke aandoening of klacht. Daarbij is van belang dat het de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is om op grond van de beschikbare medische gegevens de beperkingen tot het verrichten van arbeid vast te stellen. De rechtbank constateert bovendien dat de klachten en beperkingen die eiseres in haar beroepschrift beschrijft al bekend waren bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep en door haar ook zijn betrokken in de beoordeling. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit.
6.3.
De omstandigheid dat eiseres in 2017 wel voor 80-100% arbeidsongeschikt is bevonden maakt dit oordeel niet anders. Dat betekent namelijk niet direct dat eiseres dan ook op de datum in geding van 11 oktober 2023 opnieuw 80-100% arbeidsongeschikt was. Hierbij is van belang dat het bij de WIA-beoordeling gaat om een theoretische schatting waarbij iemands medische situatie, of een bepaald aspect daarvan, in de loop van de tijd ook kan verbeteren, ongeacht of diegene die verbetering ook zelf zo ervaart of niet.
6.4.
De rechtbank stelt vast dat eiseres in haar aanvullende beroepschrift van 8 oktober 2025 ‘nieuwe’ aandoeningen en klachten beschrijft. Deze aandoeningen en klachten zijn onderbouwd met een brief van het Erasmus Medisch Centrum d.d. 2 juli 2025, een brief van het Sint Franciscus Gasthuis d.d. 28 juli 2025 en een ongedateerde brief van het Sint Franciscus Gasthuis (waaruit blijkt dat eiseres op 15 augustus 2025 en 3 oktober 2025 gezien is). Deze stukken zien echter op de periode van juni 2025 tot en met oktober 2025. De rechtbank is met het UWV van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen rekening heeft kunnen of hoeven houden met deze stukken bij het vaststellen van de beperkingen van eiseres op de datum in geding (11 oktober 2023). Deze stukken kunnen mogelijk wel relevant zijn voor de vraag hoe arbeidsongeschikt eiseres op dit moment is. Eiseres heeft immers al eerder en ook tijdens de zitting genoemd dat zij zich niet gehoord voelt door het UWV en dat zij graag een herkeuring zou willen. Zoals het UWV tijdens de zitting ook heeft aangegeven, staat het eiseres vrij om een wijziging in haar gezondheid door te geven aan het UWV. Hierbij moet eiseres ook mogelijk relevante medische informatie overleggen. Het UWV zal vervolgens beoordelen of aanleiding bestaat om de eerder aangenomen mate van arbeidsongeschiktheid te herzien. Dit staat verder los van deze beroepsprocedure.
6.5.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres terecht heeft vastgesteld op 62,76%.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt het griffierecht daarom niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. de Vries, rechter, in aanwezigheid van A. van Duijn, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Op grond van artikel 4 van Pro de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn regels gesteld betreffende de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

Voetnoten

1.WGA staat voor werkhervatting gedeeltelijk arbeidsongeschikten.