Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker, beiden uit [woonplaats] ,
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
Samenvatting
Procesverloop
- De actuele kredietbehoefte van verzoekers ligt boven de maximaal mogelijke Bbz-lening van € 253.000.
- De berekende taakstellende omzet van € 3.178.800 is volgens de berekening van het IMK niet haalbaar. Bij een taakstellende jaaromzet van ongeveer 3,2 miljoen euro en een gemiddelde besteding van € 45 per gast zijn gemiddeld ongeveer 235 couverts per dag vereist. Gezien de structurele capaciteit van ongeveer 100 binnenzitplaatsen impliceert dit een jaarrond gemiddelde omloopsnelheid van ruim 2,35 per zitplaats per dag. Dit wordt in de praktijk als zeer hoog en onvoldoende robuust beoordeeld. Daarbij is sprake van een sterke afhankelijkheid van seizoensgebonden serrecapaciteit.
- In de aangeleverde prognoses wordt de inkoop onderschat (op basis van marktgemiddelde en exploitatieresultaten in 2025). De huurkosten zijn te laag opgenomen. De aflossingen aan alle leningen zijn te laag opgenomen. De omzet is te hoog ingeschat op basis van een relatief beperkt aantal zitplaatsen en aanwezige seizoensinvloeden.
- De financiële problemen van verzoekers zijn mede het gevolg van het starten met te weinig financiële middelen, keuzes in de aansturing van aannemers en het betalingsgedrag ten opzichte van deze partijen. Er is sprake van vooruitbetalingen zonder evenredige voortgang van werkzaamheden en onvoldoende contractuele borging. IMK kwalificeert deze omstandigheden als normaal ondernemersrisico. Dit vormt geen grond voor de inzet van publieke middelen.
- Verder stelt het IMK vast dat verzoekster in 2023 haar hypotheek op de woning aan [straat] heeft verhoogd om een woning in [land] te kopen. De hypotheeklasten voor de woning in [land] bedragen € 1.711,46 per maand en de overdrachtsbelasting bedroeg € 24.721. Dit maandbedrag gaat nu naar de woning, terwijl verzoekers dit ook aan hun bedrijf hadden kunnen uitgeven. Een tweede woning in het buitenland wordt door het IMK bovendien gezien als niet-noodzakelijk privévermogen. Ondanks dat verzoekster heeft aangegeven de woning niet te willen verkopen, ziet het IMK de woning wel als een voorliggende voorziening op een Bbz-uitkering.