Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7126

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
ROT 26/3329
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:82 AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Verzoeker heeft op 14 november 2025 een ziektewetuitkering aangevraagd. Het UWV kende een voorschot toe, maar verklaarde verzoeker vanaf 3 februari 2026 arbeidsgeschikt, waardoor het recht op uitkering werd beëindigd. Verzoeker maakte bezwaar en kreeg uiteindelijk met ingang van 3 februari 2026 alsnog recht op uitkering.

Tegen het bestreden besluit werd beroep ingesteld en tegelijkertijd verzocht om een voorlopige voorziening. De rechtbank behandelde het verzoek op 18 mei 2026, waarbij verzoeker niet verscheen. De voorzieningenrechter stelde vast dat het griffierecht van €54,- niet tijdig was betaald, ondanks een aangetekende aanmaning.

Omdat verzoeker geen verontschuldiging gaf voor het niet betalen, werd het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter heeft het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/3329

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)

(gemachtigde: mr. S. Roodenburg).

Inleiding

1.1.
Verzoeker heeft op 14 november 2025 een uitkering op grond van de Ziektewet (ziektewetuitkering) aangevraagd. Met het besluit van 3 december 2025 heeft het UWV verzoeker een voorschot op de uitkering toegekend.
1.2.
Met het besluit van 9 februari 2026 heeft het UWV bepaald dat verzoeker sinds 3 februari 2026 weer arbeidsgeschikt is voor zijn eigen werk en daarom vanaf deze datum geen recht (meer) heeft op een ziektewetuitkering. Verzoeker heeft tegen dit besluit op 16 februari 2026 bezwaar gemaakt.
1.3.
Met het bestreden besluit van 7 april 2026 heeft het UWV verzoeker een ziektewetuitkering toegekend vanaf 14 november 2025 (tot en met 2 februari 2026)
.
1.4.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep (ROT 26/3321) ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (deze zaak, ROT 26/3329). De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 doorgezonden naar het UWV ter behandeling als bezwaar.
1.5.
Met het besluit van 28 april 2026 heeft het UWV het bezwaar van 16 februari 2026 gegrond verklaard en verzoeker alsnog met ingang van 3 februari 2026 een ziektewetuitkering toegekend. Dit betekent dat verzoeker vanaf 14 november 2025 doorlopend recht heeft op een ziektewetuitkering.
1.6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 18 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het UWV. Verzoeker is, zonder bericht, niet verschenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
2. Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. [1] In een zaak als deze is het griffierecht € 54,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dit betekent dat het hele bedrag binnen die termijn moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank, of op de griffie van de rechtbank moet zijn betaald. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald?
3. De griffier heeft verzoeker bij aangetekend verzonden brief van 21 april 2026 in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen, binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 24 april 2026 om 13:16 uur op het adres van verzoeker is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend. Verzoeker heeft het griffierecht niet op tijd betaald.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
4. Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.

Conclusie en gevolgen

5. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit is geregeld in artikel 8:82 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 8:41 van Pro de Awb.