Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7127

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
C/10/717798 / JE RK 26-673
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 BWArt. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling ongeboren kind wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De Raad voor de Kinderbescherming heeft een verzoek ingediend tot ondertoezichtstelling van een ongeboren kind vanwege ernstige zorgen over de ontwikkeling. De moeder vertoont positieve ontwikkelingen, maar de problematiek is langdurig en complex. Daarnaast vormt de vader een risico voor het kind en de moeder.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, werd bevestigd dat het ongeboren kind blootgesteld is aan drugsgebruik van de moeder, geweld van de vader en spanningen in het gezin. De moeder werkt mee aan hulpverlening, maar het is onzeker of zij zelfstandig de bedreigingen kan wegnemen.

De kinderrechter oordeelt dat het belang van het ongeboren kind voorop staat en dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is om veiligheid en zorg te waarborgen. De maatregel wordt vastgesteld tot 24 februari 2027, gelijklopend met de ondertoezichtstelling van de halfbroers en -zussen. De beschikking is direct uitvoerbaar en tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het ongeboren kind wordt onder toezicht gesteld tot 24 februari 2027 vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/717798 / JE RK 26-673
Datum uitspraak: 20 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen de Raad,
over
het ongeboren kind [ongeboren kind] ,
hierna te noemen het ongeboren kind.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. F. Pool uit Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar waarnemend advocaat mr. M.S. Krol;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;
- een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west, gevestigd in Dordrecht, hierna de GI, [vertegenwoordiger 2] .
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang tot de zitting verleend aan [persoon A] , werkzaam als begeleider bij [organisatie] .

2.Het verzoek

2.1.
De Raad verzoekt het ongeboren kind onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.2.
De Raad heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd. Een ondertoezichtstelling van het ongeboren kind is noodzakelijk, zoals omschreven in het rapport van de Raad. Er zijn ernstige zorgen over de ontwikkeling van het ongeboren kind. De moeder is gestresst vanwege het gedrag van [persoon B] die volgens de moeder de vader van het kind is. Er is weliswaar sprake van een positieve ontwikkeling bij de moeder, maar [persoon B] kan op de achtergrond een rol bij het ongeboren kind gaan spelen mocht hij zijn vaderschap gaan opeisen.

3.De standpunten

3.1.
De GI heeft ter zitting naar voren gebracht dat de moeder zich de afgelopen tijd positief heeft ontwikkeld. De moeder is zich aan het losweken van [persoon B] . Hij vormt het grootste gevaar en risico. Als [persoon B] terug wil naar de moeder belanden ze in de gevarenzone. Er is een heel netwerk om de moeder heen. Dat is ook nodig en heeft een positief effect. De afgelopen tijd is de moeder tot inzicht gekomen en is zij met haar eigen problematiek aan de slag gegaan. De GI ziet dat de moeder stappen maakt om in haar eigen kracht te komen. De GI ziet ook dat de moeder op haar tenen loopt. Een positieve ontwikkeling gaat met vallen en opstaan. De GI ziet wel dat er een goede basis is. Als de moeder dat kan vasthouden, heeft de GI er vertrouwen in dat het goed komt. Het is een risico als [persoon B] een grote rol gaat krijgen met betrekking tot het nog ongeboren kind. Er moet een goed gesprek met hem plaatsvinden. De GI hoopt dat de moeder het contact met hem kan afhouden.
3.2.
De advocaat van de moeder heeft ter zitting geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. De moeder is heel blij dat er geen machtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht. Het liefst wil zij geen ondertoezichtstelling, maar zij begrijpt het verzoek wel gelet op de (voor)geschiedenis. De moeder weerspreekt niet dat er sprake is van een ontwikkelingsbedreiging van het ongeboren kind, maar vanwege de meewerkende houding van de moeder aan de hulpverlening, is een ondertoezichtstelling eigenlijk niet noodzakelijk. Uit praktisch oogpunt verzoekt de advocaat de ondertoezichtstelling van het ongeboren kind gelijk te trekken met de ondertoezichtstelling van de (half)broers en -zus, namelijk tot 24 februari 2027. De recente informatie over de moeder is positief. Zij heeft de afgelopen tijd veel stappen gezet. De moeder snapt dat zij moet laten zien dat zij de positieve ontwikkeling kan vasthouden. De moeder heeft goede hulpverlening die ook vertrouwen heeft in de moeder. Er is sprake van een vertrouwensrelatie waarin de moeder ook dingen durft te melden. Ook heeft de moeder vertrouwen in de huidige jeugdbeschermer. Dat vertrouwen moet echter nog wel uitgebouwd worden vanwege haar ervaringen met vorige jeugdbeschermers. De frictie in de relatie tussen de moeder en [persoon B] is op dit moment op zijn ergst. De moeder dacht dat als zij minimaal contact met hem zou hebben, dat het rustig zou blijven. Eigenlijk wil de moeder helemaal geen contact met hem.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter kan een ongeboren kind als geboren beschouwen als dit in zijn belang is. [1] De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [2] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
4.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de ontwikkeling van het ongeboren kind ernstig wordt bedreigd. Een ongeboren kind is volledig afhankelijk van de zorg en bescherming van zijn ouder(s). Tijdens de zwangerschap is het ongeboren kind blootgesteld aan drugsgebruik van de moeder, fors geweld vanuit [persoon B] en verdere spanningen en onrust in het leven van de moeder. Alhoewel de moeder zich de afgelopen tijd positief heeft ontwikkeld, is het niet duidelijk of de moeder voldoende in staat is om onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging in de ontwikkeling weg te nemen en de hulpverlening te blijven accepteren, aangezien de problematiek van de moeder langdurig en complex is. Ook is het belangrijk dat er vanuit het gedwongen kader hulpverlening kan worden ingezet om de veiligheid van het ongeboren kind te waarborgen. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat een ondertoezichtstelling van het ongeboren kind noodzakelijk is.
4.3.
De ondertoezichtstelling van het ongeboren kind zal worden uitgesproken tot 24 februari 2027, zodat de maatregel gelijk zal lopen met die van de (half)broers en -zus van het ongeboren kind. Het meer of anders verzochte zal worden afgewezen.
4.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
beschouwt het ongeboren kind als geboren;
5.2.
stelt het ongeboren kind onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west, gevestigd in Dordrecht, met ingang van 20 mei 2026 tot 24 februari 2027;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door
mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 17 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:2 BW Pro.
2.Artikel 1:255 BW Pro.