3.6.Vervolgens vindt op gezamenlijk verzoek van partijen op 17 mei 2022 een psychiatrische expertise plaats bij [naam 4] . De psychiater komt in zijn rapport van 20 oktober 2022 (productie 31 bij akte overlegging producties van [persoon A] ) onder meer tot de volgende (samenvattende) diagnostische beschouwing en beantwoording van de vraagstelling:
“ Op moment van onderzoek lijkt er bij betrokkene sprake te zijn van een gedrukte stemming, verminderde energie, ervaren moeheid, ervaren subjectieve concentratieproblemen op sommige momenten. De pijnklachten treden op in de vorm van hoofdpijn, nekpijn, kapvormig uitstralend over het hoofd, symmetrisch, vrijwel voortdurend aanwezig. Daarnaast zijn er in de anamnese aanwijzingen voor verhoogde irritabiliteit, prikkelgevoeligheid voor geluid en licht, verminderde slaapkwaliteit, episodes met wisselend eetlust en gewichtsverandering, zowel in de vorm van nachtelijke eetbuien als bij periodes minder eten. Er is sprake geweest van wisselend libido, mede gekoppeld aan de medicatie die betrokkene in het verleden heeft gebruikt, en niet goed te duiden binnen het spectrum van vitale symptomatologie bij een depressie.
Uit de informatie uit het dossier en vanuit de anamnese komt naar voren dat er in eerdere periodes na het ongeval sprake is geweest van een meer uitgesproken depressief klachtenpatroon, meer uitgesproken angstige belevingen, gekoppeld aan een al dan niet paranoïde gedachtegang.
Bij huidig onderzoek is de stemming weliswaar gedaald, maar deze kan niet worden
gekarakteriseerd als ernstig depressief. Er is sprake van levendige affectmodulatie op dit moment en zijn er weinig aanwijzingen voor bijpassende symptomatologie, anders dan een verstoord slaappatroon. Dit wordt echter mede ingegeven door het wat verschoven dag-nachtritme van betrokkene, nu ook samenhangend met gamen.
Wat betreft de adaptatie premorbide kan worden opgemerkt dat betrokkene op jeugdige
leeftijd de transitie als familielid van een gezin dat gevlucht is uit Kosovo, redelijk goed lijkt te hebben doorstaan en dat er sprake is van een geslaagde integratie met betrekking tot scholing en socialisering. Er zijn dan ook geen aanwijzingen dat er ernstige scheefgroei op het vlak van de persoonlijkheid heeft plaatsgevonden.
In het dossier wordt op enkele plaatsen gesproken van externaliserende trekken.
Onderzoeker heeft dit bij huidig onderzoek niet kunnen vaststellen in de zin van
persoonlijkheidstrekken. Waarschijnlijk wordt bedoeld dat betrokkene naar een externe
oorzaak zoekt voor zijn klachten en de nadien gegroeide situatie, en dit volledig in het
ongeval legt.
Naar mening van onderzoeker is geen uiting van persoonlijkheidsproblematiek, doch lijkt dit gekoppeld aan de letselschadeprocedure en is dit hier vanuit begrijpelijk.
Er zijn aanwijzingen dat er voorafgaand aan het ongeval sprake was van psychiatrische
problematiek bij betrokkene. Ondanks het feit dat het vermelde in het huisartsdossier
waarschijnlijk onjuist is met betrekking tot een opname bij een GGZ-instelling in 2014, is het beslist aannemelijk dat er in al 2014 sprake is geweest van forse angstklachten, gepaard gaande met fysieke verschijnselen in de vorm van hartkloppingen, pijn op de borst en ernstige ongerustheid over de oorzaak hiervan. Daarnaast komt naar voren dat er toen ook sprake was van overbelasting vanuit het systeem, de moord op familieleden in Egypte. De mentale aandoening van vader die hiervoor specialistisch werd behandeld en waarover betrokkene zich zorgen maakte dat dit misschien ook voor hem zou gelden, lijkt ook een factor en verder was er sprake van spanningen in de werksituatie met een zeer moeizame relatie met een leidinggevende, zoals overigens ook collega's van betrokkene dat toen ondervonden. Gesproken wordt over een burnout-achtige karakter hiervan. Het lijkt dat er geen intensieve specialistische behandeling is ingezet in de periode voorafgaand aan het ongeval, doch er is wel een aantal gesprekken geweest met de eerstelijnspsycholoog, gekoppeld aan een GGZ-instelling.
Een medicamenteuze behandeling is in deze fase evenwel niet ingezet.
De aard van deze decompensatie en de onderliggende factoren werd bij huidig onderzoek slechts beperkt duidelijk. Betrokkene legt het begin van zijn fysieke en mentale klachten zelf volledig na het ongeval.
Met betrekking tot de toedracht van het ongeval zijn er verschillende versies die enigszins haaks op elkaar staan met betrekking tot de ernst van de impact, met name de snelheid waarmee het ongeval zich voltrok, de materiele schade, en het precieze moment van het ontstaan van de klachten erna.
In de neurologische expertise wordt gerept van een 'waarschijnlijk betrekkelijk geringe
impact', wel van een pijnsyndroom dat, ofschoon de impact gering was, gekoppeld kan
worden aan het ongeval. Onomstreden is in ieder geval dat de aanleiding voor het ongeval waarschijnlijk een paniekaanval is geweest met hyperventilatie, hartkloppingen, pijn op de borst en dat dit ligt in het spectrum van de eerder opgetreden angstklachten, voorafgaand aan het ongeval.
Naar mening van onderzoeker ligt dit complex van klachten dan ook in het angstspectrum en past dit beeld bij de eerdere beschrijvingen van 2014 en 2015.
Nadien lijkt er forse attributie van de pijnklachten te zijn opgetreden bij betrokkene, gezien de beschreven bevindingen in het dossier door de revalidatiearts, en de geconsulteerde psychiaters in het beloop. Gesproken wordt van een somatische symptoomstoornis met pijn, gezien ook de gedachtevorming, en de attributie van betrokkene aan de pijnklachten en de geringe winst die bij psychologische interventies is behaald in deze fase. Lastig in te schatten zijn de mogelijk eerdere psychotisch gekleurde gedachten van betrokkene. Op dit moment is er sprake van een rationele verklaring hiervan met emotionele afstand. Er zijn ook geen aanwijzingen voor waarnemingsstoornissen in dit kader in eerdere fases. Betrokkene gebruikt evenwel nog anti-psychotische medicatie die mogelijk actuele belevingen kan onderdrukken.
Betrokkene vulde driekwart van de SCL-90 R klachtenlijst in, waardoor de interpretatie
moeilijk was. Dit gaf bij de wel ingevulde delen zeer hoge scores op de dimensies, angst, depressie en somatiek, die in contrast staan bij de klachtenpresentatie bij vis-a-vis onderzoek .
Samenvattend lijkt er bij betrokkene sprake te zijn van: paniekstoornis gepaard gaande met fysieke verschijnselen, vrijwel in remissie, een depressieve stoornis, zonder psychotische kenmerken, zonder psychomotore betrokkenheid en met enige symptomatologie, episodisch, mild van ernst, actueel grotendeels in remissie en actueel een gokstoornis, licht tot matig van ernst.
Differentiaal diagnostisch is er nog de overweging dat er bij betrokkene episodisch sprake is geweest van een paranoid waanachtige gedachtegang zonder waarnemingsstoornis, gekoppeld aan specifieke context. Het lijkt onaannemelijk dat dit verbonden is geweest aan een eventueel ernstiger stemmingsstoornis in een eerdere fase. De belevingen zijn niet stemmingscongruent en in die episode paranoid gekleurd. Het kan goed zijn dat er geen sprake is geweest van daadwerkelijk psychotische ontregeling doch dat dit in een specifieke context plaatsvond, zoals betrokkene dit ervaart.
Bij huidig onderzoek zijn er geen overtuigende aanwijzingen voor psychotische
fenomenologie, waarbij aangetekend moet worden dat betrokkene antipsychotica gebruikt in een lichte tot gemiddelde dosering.
BEANTWOORDING VAN DE VRAAGSTELLING