Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7133

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
C/10/693298 / HA ZA 25-108
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:98 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing letselschadevordering wegens ontbreken causaal verband na aanrijding

Op 30 mei 2016 raakte eiser betrokken bij een aanrijding met een geparkeerde auto, waarbij hij klachten ontwikkelde zoals nek-, schouder- en hoofdpijnklachten, concentratieproblemen en psychische klachten. Eiser vordert vergoeding van letselschade van Allianz, verzekeraar van de auto, op grond van een SVI-verzekering.

De rechtbank heeft deskundigenrapporten van een neuroloog, neuropsycholoog en psychiater bestudeerd. De neuroloog concludeerde dat het ongeval een lichte impact had en dat er geen neurologisch substraat is voor de klachten, die mogelijk mede door psychiatrische problematiek worden onderhouden. De neuropsycholoog vond dat cognitieve stoornissen niet betrouwbaar konden worden vastgesteld vanwege onderpresteren en aanzetten van klachten. De psychiater stelde dat er sprake is van psychiatrische problematiek die deels al bestond vóór het ongeval.

De rechtbank oordeelt dat het causaal verband tussen het ongeval en de klachten ontbreekt. De impact van het ongeval was gering, het klachtenpatroon bestond al voor het ongeval en er is een alternatieve verklaring in de vorm van psychiatrische problematiek. De vorderingen van eiser worden daarom afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de letselschadevordering af wegens ontbreken van causaal verband tussen de klachten en het ongeval.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zittingsplaats Rotterdam
Zaaknummer: C/10/693298 / HA ZA 25-108
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
[persoon A],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [persoon A] ,
advocaat: mr. F. Arts,
tegen
ALLIANZ BENELUX N.V.,
h.o.d.n. ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING,
gevestigd te Brussel (België), kantoorhoudende te Rotterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Allianz,
advocaat: mr. H.A. Kragt.

1.Waar de zaak over gaat

1.1.
Deze procedure wordt gevoerd in verband met de letselschade die [persoon A] stelt te hebben geleden en nog te lijden door een ongeval dat plaatsvond op 30 mei 2016. Allianz is op grond van de SVI-verzekering gehouden de schade als gevolg van het ongeval te vergoeden. Partijen verschillen van mening over de vraag of de klachten (en – in het verlengde daarvan – beperkingen) die [persoon A] stelt te ondervinden zijn aan te merken als ongevalsgevolg.
1.2.
[persoon A] vordert daarom, kort gezegd, dat de rechtbank zal bepalen dat de door hem ondervonden klachten het gevolg zijn van het ongeval en te bevelen dat Allianz een nader voorschot op de schadevergoeding moet betalen.
1.3.
De rechtbank wijst de vorderingen af. Hierna omschrijft de rechtbank de procedure, de feiten, de inhoud van het geschil en licht zij haar oordeel toe.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 januari 2025;
- de akte overlegging producties (1 t/m 37) van [persoon A] ;
- de conclusie van antwoord, met producties (1 t/m 3);
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 11 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de ter gelegenheid van de mondelinge behandeling overgelegde spreekaantekeningen van mr. Arts.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

Algemeen
3.1.
Op 30 mei 2016 rijdt [persoon A] als bestuurder van een personenauto (Seat Ibiza) tegen een langs de weg geparkeerde personenauto (Volvo 460) aan (hierna: het ongeval). [persoon A] kreeg onderweg last van hartkloppingen als gevolg van een paniekaanval, waardoor hij de controle over het stuur verloor.
3.2.
[persoon A] ervaart diverse klachten en beperkingen en is volledig arbeidsongeschikt.
3.3.
Op de door [persoon A] bestuurde personenauto rustte een SVI-verzekering bij Allianz. Blijkens de polisvoorwaarden wordt voor de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding aangesloten bij Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
3.4.
In het in opdracht van Allianz opgemaakte schaderapport van de Volvo 460 (productie 2 bij akte overlegging producties van [persoon A] ) is de schade als volgt beschreven: “
beschadigd c.q. vernield zijn: linkerachterzijpaneel, linkerachterportier, diverse sier- en stootlijsten”. In (de samenvatting van) dit rapport staan voorts de volgende schadegegevens vermeld:
“(…)
Schade bevindt zich: L. achterzijde
Stootrichting: 7 uur
Aangrijppunt: Links achter (…)”.
De deskundigenonderzoeken
3.5.
Bij beschikking van 25 september 2019 heeft de rechtbank Rotterdam op een daartoe strekkend verzoek van [persoon A] een onderzoek door neuroloog [naam 1] en neuropsycholoog [naam 2] bevolen.
Neuroloog
3.5.1.
De neuroloog komt in zijn rapport van 10 maart 2020 (productie 29 bij akte overlegging producties van [persoon A] ) tot de volgende beschouwing:
“ Op 30-05-2016 lijkt betrokkene een tamelijk licht ongeval te zijn overkomen. Volgens de belangrijke eerste medische brief direct volgend op dit ongeval wordt vermeld dat betrokkene, doordat hij hevige klachten in de hartstreek kreeg, zijn auto aan de kant heeft gezet maar daarbij lichtjes tegen een andere stilstaande auto heeft getikt. Volgens betrokkene klopt deze lezing niet en heeft hij niet kunnen remmen en is hij met een behoorlijke vaart tegen een stilstaande auto gebotst. Betrokkene zelf weet niet hoe groot de schade is geweest die hierdoor ontstaan is. Er is echter een foto meegestuurd van de auto waartegen betrokkene aan is gebotst en hier zijn geen fors deuken op zichtbaar. Dit lijkt de mededeling van de cardioloog te ondersteunen in die zin dat er een geringe aanrijding lijkt te zijn geweest met lichte intensiteit. Er zijn geen aanwijzingen voor een trauma capitis en betrokkene denkt zelf ook niet dat er een duidelijk bewustzijnsverlies is geweest. Aanwijzingen voor een commotio/contusio cerebri zijn er derhalve niet. Aansluitend op de aanrijding ontwikkelde betrokkene zeer forse pijnklachten van nek, bovenste deel borst-wervelkolom, schouders en hoofd. Deze zeer forse pijnklachten duren tot op heden voort. Tevens ontwikkelde hij zeer forse psychische/psychiatrische problemen waarvoor hij inmiddels ook al langdurig door psycholoog/psychiater begeleid wordt. Volgens betrokkene zijn deze psychische problemen het gevolg van zijn uitgebreide pijnklachten welke hem ernstig beperken in zijn functioneren. Het feit dat hij zijn werk als buschauffeur niet meer kan uitoefenen stemt hem zeer droevig. De psychische/psychiatrische problematiek lijkt al de tijd de overhand te hebben over de (door betrokkene) als fors beleefde lichamelijke klachten. Er lijken meer argumenten te zijn om uit te gaan van een licht trauma/lichte aanrijding waarbij de intensiteit van de persisterende lichamelijke klachten in verhouding zeer fors zijn.
In de behandelsector wordt in geval van betrokkene een diagnose whiplash related disorder
gehanteerd. Of het aannemelijk is dat in dit geval een licht trauma een letsel van de cervicale
wervelkolom omringende weke delen heeft veroorzaakt is twijfelachtig. In de literatuur wordt overigens wel beschreven dat een relatief licht ongeval tot aanhoudende (nek)klachten kan leiden maar waarbij er dan ook vaak bijkomende beïnvloedende factoren zijn (van psychosociale, culturele en somatische aard). (…)
Bij algemeen, lichamelijk en klinisch neurologisch onderzoek worden geen evidente afwijkingen vastgesteld. Uiteindelijk kan gezegd worden dat de beweging van de cervicale wervelkolom als normaal te beschouwen is. Behalve dat er geen aanwijzingen zijn voor een commotio dan wel contusio cerebri zijn er evenmin aanwijzingen voor een cervicale myelopathie dan wel cervicale radiculopathie.
Betrokkene beschrijft een lichamelijk klachtenpatroon dat eveneens wordt gezien bij patiënten na een verrekking van de spieren in de nek ten gevolge van een verkeersongeval waarbij dan vaak tot een whiplash related disorder wordt besloten. De normale bewegingen van de cervicale wervelkolom in geval van betrokkene en een hoogstwaarschijnlijk licht ongeval, waarbij een geweldsinwerking op de cervicale wervelkolom moeilijk te begrijpen is maken dat in geval van betrokkene de diagnose post whiplash syndroom mijns inziens maar moeilijk te handhaven is. Bij betrokkene kan gesteld worden dat er sprake is van een chronisch pijnsyndroom zonder neurologisch substraat.
Evenals bij deze patiëntengroep moet bij betrokkene besloten worden tot een chronisch pijnsyndroom zonder neurologisch substraat. Voor de klachten van vergeetachtigheid en concentratieproblemen kan, behalve een mogelijke psychiatrische reden, geen neurologische oorzaak bedacht worden. Derhalve is er vanuit neurologisch oogpunt geen indicatie voor een neuropsychologisch onderzoek. Zoals reeds aangegeven staat de psychiatrische problematiek van betrokkene zeer sterk op de voorgrond en onderhoudt dit mogelijk mede de lichamelijke klachten.
Tenslotte dient nog te worden opgemerkt dat betrokkene al bijna 4 jaar lang onafgebroken paracetamol gebruikt in hoeveelheden van 2 - 6x daags. Dit kan een hoofdpijn onderhoudend effect hebben.”
[naam 1] concludeert dat na het ongeval sprake is van een chronisch pijnsyndroom zonder neurologisch substraat, dat mogelijk sprake is van deels medicatie-afhankelijke hoofdpijn en dat er vooral aanwijzingen zijn voor forse psychiatrische problematiek.
Neuropsycholoog
3.5.2.
De neuropsycholoog komt in haar rapport (productie 30 bij akte overlegging producties van [persoon A] ) tot de volgende samenvatting en beantwoording van de vragen:
“Samenvattend betreft het een 36-jarige man, oorspronkelijk afkomstig uit Kosovo, die na een auto-ongeluk op 30 mei 2016 aanhoudende klachten van pijn hield en die naderhand ook psychische klachten ontwikkelde in de vorm van stemmings- en angstklachten. De pijnklachten werden in het onderzoek van Ergatis door een neuroloog als passend bij whiplashklachten beoordeeld. Momenteel resteren bovengenoemde klachten nog steeds ondanks het gebruik van een antidepressivum, een antipsychoticum en slaapmedicatie. Afgaand op de behaalde testresultaten bij het huidige onderzoek behaalt onderzochte op tests voor het tempo van informatieverwerking en voor het (werk)geheugen scores die wijzen op stoornissen binnen de betreffende cognitieve domeinen. Doordat er echter aanwijzingen zijn voor onderpresteren en ook voor het aanzetten van klachten kan aan de behaalde scores geen waarde worden toegekend. Naar de oorzaak van het onderpresteren en het aanzetten van klachten kan slechts worden geraden: mogelijk speelt werkelijke stemmingsproblematiek hierbij een rol waardoor onderzochte zich niet optimaal heeft kunnen inzetten, mogelijk spelen er ook andere factoren als het vermijden van druk of mogelijk financieel gewin een rol. Opgemerkt zij dat werkelijke cognitieve stoornissen ook niet kunnen worden uitgesloten op basis van de huidige gegevens (er kan sprake zijn van het aanzetten van werkelijk bestaande klachten). Feit is dat door de geringe symptoomvaliditeit van het testonderzoek geen uitspraak kan worden gedaan over het bestaan van eventuele cognitieve stoornissen of andere psychiatrische aandoeningen.
Door de pijnklachten is het onderzochte afgaand op zijn verhaal niet gelukt zijn werk als
buschauffeur te hervatten. Er is voorafgaand aan het ongeluk een blanco psychiatrische
voorgeschiedenis, maar wel blijkt onderzochte op basis van de dossierinformatie vanaf januari 2014 bekend te zijn met hartkloppingen, druk/pijn op de borst en een benauwd gevoel, welke klachten destijds door de huisarts als passend bij hyperventilatie werden geduid. In februari 2015 stelde de huisarts zoals blijkt uit het dossier een burn out vast bij aanhoudende hartkloppingen en op dat moment sinds zes maanden bestaande slaapproblemen bij door onderzochte ervaren financiële zorgen, zorg om het behoud van werk en zorg voor zijn vader. Bij het huidige onderzoek ontkent onderzochte echter voorafgaand aan het ongeluk bekend te zijn geweest met angst- of paniekklachten. Mogelijk schrijft hij zijn hartkloppingen toe aan een lichamelijke en niet aan een
psychische oorzaak, hoewel hij ook noemt op de hoogte te zijn dat er (tot zijn opluchting) na het ongeluk in 2016 geen cardiologische bijzonderheden konden worden vastgesteld. De pijnklachten die ontstonden in mei 2016 als gevolg van het ongeluk waren waarschijnlijk de spreekwoordelijke laatste druppel waardoor onderzochte het niet meer vol kon houden. De bijkomende psychische klachten van depressiviteit hebben zijn toestand verder doen verslechteren en hebben gemaakt dat hij niet goed zijn voordeel heeft kunnen doen met aangedragen suggesties om de pijnklachten te verlichten (zie ook de brief van [naam 3] , d.d. 06-06-2017).
Al met al is sprake van een 36-jarige man die voorafgaand aan het doorgemaakte auto-ongeluk op 30 mei 2016 al ruim twee jaar lichamelijke signalen van stress ervoer doordat hij zich belast voelde door zaken in zijn privéleven (de moord in de familie van zijn vrouw, financiële zorgen om zijn vader) en in zijn werkend bestaan (zorgen over behoud van zijn baan). Vanwege geringe symptoomvaliditeit bij het huidige onderzoek kan geen uitspraak worden gedaan over óf er werkelijk cognitieve stoornissen of een andere psychiatrische aandoening bestaan en zo ja, wat de ernst van deze stoornissen is. Behandelingen door een fysiotherapeut, een ergotherapeut bij GGZ Mediant en revalidatiecentrum Het Roessingh na het ongeluk hebben alle niet geleid tot een betekenisvolle afname van klachten. Momenteel is onderzochte weer in behandeling bij GGZ Mediant. Uit de beschikbare correspondentie over de verschillende behandelingen blijkt onderzochte moeilijk te hebben kunnen profiteren van behandeling: er wordt over een externaliserende houding gesproken en onderzochte zelf meldt bij elke behandeling dat de pijn niet af nam. Bij behandeling van pijnklachten is het doel doorgaans echter niet afname van de pijn, maar het verhogen van het activiteitenniveau óndanks de pijn. Onderzochte heeft ondanks de verschillende behandelingen dit inzicht zich de afgelopen jaren niet eigen kunnen maken. Recent nu lijkt hij wel deze draai gemaakt te hebben, hij wil gaan re-integreren als afleiding van de pijn en ook van zijn zorgen. Dit wordt als een verstandig plan gezien daar een dergelijke actieve houding maakt dat onderzochte ondanks zijn chronische pijnklachten zich nuttiger, minder somber en minder waardeloos zal kunnen gaan voelen.
VII. Beantwoording van de vraagstelling
Vraag 1:
Zijn er stoornissen aantoonbaar in het mentale functioneren, het taalgebruik, de regulatie van emoties en gedrag of in de helderheid van het bewustzijn?
Antwoord 1:
Vanwege geringe symptoomvaliditeit (er zijn op basis van tests aanwijzingen voor onderpresteren en voor het aanzetten van klachten (aggraveren)) kan niet betrouwbaar worden vastgesteld of er sprake is van dergelijke stoornissen.
Vraag 2:
Zijn er oorzaken die een verklaring kunnen vormen voor de aangetoonde stoornissen?
Antwoord 2:
Op basis van het huidige onderzoek kunnen, zoals reeds opgemerkt, niet betrouwbaar eventuele cognitieve of psychiatrische stoornissen worden vastgesteld. Hierdoor kan ook geen uitspraak worden gedaan over een verklaring van de eventuele stoornissen daar onduidelijk is of deze stoornissen er zijn en zo ja in welke mate. Al met al is sprake van een 36-jarige man die reeds voor het ongeluk van 30 mei 2016 ruim twee jaar bekend was met spanningsklachten in de vorm van o.a. hyperventilatie en overspanning/burn out door zowel werkgerelateerde zorgen als privé zorgen. Met het ongeluk en de sindsdien ervaren pijnklachten heeft de draaglast de draagkracht overschreden.
Vraag 3:
Leiden de stoornissen tot beperkingen en zo ja welke?
Antwoord 3:
Aangezien eventuele stoornissen niet betrouwbaar konden worden vastgesteld kunnen ook geen hieruit voortvloeiende beperkingen worden beschreven.
Vraag 4:
Wilt u bij uw onderzoek gebruik maken van symptoomvaliditeitseisen?
Antwoord 4:
In het huidige onderzoek werden vier symptoomvaliditeitsmaten bepaald. Er bleken op basis van de scores behaald op drie van de vier maten aanwijzingen voor onderpresteren en voor het aanzetten van klachten: behaalde scores op de overige tests konden daardoor niet als een valide weergave van het werkelijke niveau van functioneren worden beschouwd en met name aan minder goede
prestaties kon geen waarde gehecht worden.”
Psychiater
3.6.
Vervolgens vindt op gezamenlijk verzoek van partijen op 17 mei 2022 een psychiatrische expertise plaats bij [naam 4] . De psychiater komt in zijn rapport van 20 oktober 2022 (productie 31 bij akte overlegging producties van [persoon A] ) onder meer tot de volgende (samenvattende) diagnostische beschouwing en beantwoording van de vraagstelling:
“ Op moment van onderzoek lijkt er bij betrokkene sprake te zijn van een gedrukte stemming, verminderde energie, ervaren moeheid, ervaren subjectieve concentratieproblemen op sommige momenten. De pijnklachten treden op in de vorm van hoofdpijn, nekpijn, kapvormig uitstralend over het hoofd, symmetrisch, vrijwel voortdurend aanwezig. Daarnaast zijn er in de anamnese aanwijzingen voor verhoogde irritabiliteit, prikkelgevoeligheid voor geluid en licht, verminderde slaapkwaliteit, episodes met wisselend eetlust en gewichtsverandering, zowel in de vorm van nachtelijke eetbuien als bij periodes minder eten. Er is sprake geweest van wisselend libido, mede gekoppeld aan de medicatie die betrokkene in het verleden heeft gebruikt, en niet goed te duiden binnen het spectrum van vitale symptomatologie bij een depressie.
Uit de informatie uit het dossier en vanuit de anamnese komt naar voren dat er in eerdere periodes na het ongeval sprake is geweest van een meer uitgesproken depressief klachtenpatroon, meer uitgesproken angstige belevingen, gekoppeld aan een al dan niet paranoïde gedachtegang.
Bij huidig onderzoek is de stemming weliswaar gedaald, maar deze kan niet worden
gekarakteriseerd als ernstig depressief. Er is sprake van levendige affectmodulatie op dit moment en zijn er weinig aanwijzingen voor bijpassende symptomatologie, anders dan een verstoord slaappatroon. Dit wordt echter mede ingegeven door het wat verschoven dag-nachtritme van betrokkene, nu ook samenhangend met gamen.
Wat betreft de adaptatie premorbide kan worden opgemerkt dat betrokkene op jeugdige
leeftijd de transitie als familielid van een gezin dat gevlucht is uit Kosovo, redelijk goed lijkt te hebben doorstaan en dat er sprake is van een geslaagde integratie met betrekking tot scholing en socialisering. Er zijn dan ook geen aanwijzingen dat er ernstige scheefgroei op het vlak van de persoonlijkheid heeft plaatsgevonden.
In het dossier wordt op enkele plaatsen gesproken van externaliserende trekken.
Onderzoeker heeft dit bij huidig onderzoek niet kunnen vaststellen in de zin van
persoonlijkheidstrekken. Waarschijnlijk wordt bedoeld dat betrokkene naar een externe
oorzaak zoekt voor zijn klachten en de nadien gegroeide situatie, en dit volledig in het
ongeval legt.
Naar mening van onderzoeker is geen uiting van persoonlijkheidsproblematiek, doch lijkt dit gekoppeld aan de letselschadeprocedure en is dit hier vanuit begrijpelijk.
Er zijn aanwijzingen dat er voorafgaand aan het ongeval sprake was van psychiatrische
problematiek bij betrokkene. Ondanks het feit dat het vermelde in het huisartsdossier
waarschijnlijk onjuist is met betrekking tot een opname bij een GGZ-instelling in 2014, is het beslist aannemelijk dat er in al 2014 sprake is geweest van forse angstklachten, gepaard gaande met fysieke verschijnselen in de vorm van hartkloppingen, pijn op de borst en ernstige ongerustheid over de oorzaak hiervan. Daarnaast komt naar voren dat er toen ook sprake was van overbelasting vanuit het systeem, de moord op familieleden in Egypte. De mentale aandoening van vader die hiervoor specialistisch werd behandeld en waarover betrokkene zich zorgen maakte dat dit misschien ook voor hem zou gelden, lijkt ook een factor en verder was er sprake van spanningen in de werksituatie met een zeer moeizame relatie met een leidinggevende, zoals overigens ook collega's van betrokkene dat toen ondervonden. Gesproken wordt over een burnout-achtige karakter hiervan. Het lijkt dat er geen intensieve specialistische behandeling is ingezet in de periode voorafgaand aan het ongeval, doch er is wel een aantal gesprekken geweest met de eerstelijnspsycholoog, gekoppeld aan een GGZ-instelling.
Een medicamenteuze behandeling is in deze fase evenwel niet ingezet.
De aard van deze decompensatie en de onderliggende factoren werd bij huidig onderzoek slechts beperkt duidelijk. Betrokkene legt het begin van zijn fysieke en mentale klachten zelf volledig na het ongeval.
Met betrekking tot de toedracht van het ongeval zijn er verschillende versies die enigszins haaks op elkaar staan met betrekking tot de ernst van de impact, met name de snelheid waarmee het ongeval zich voltrok, de materiele schade, en het precieze moment van het ontstaan van de klachten erna.
In de neurologische expertise wordt gerept van een 'waarschijnlijk betrekkelijk geringe
impact', wel van een pijnsyndroom dat, ofschoon de impact gering was, gekoppeld kan
worden aan het ongeval. Onomstreden is in ieder geval dat de aanleiding voor het ongeval waarschijnlijk een paniekaanval is geweest met hyperventilatie, hartkloppingen, pijn op de borst en dat dit ligt in het spectrum van de eerder opgetreden angstklachten, voorafgaand aan het ongeval.
Naar mening van onderzoeker ligt dit complex van klachten dan ook in het angstspectrum en past dit beeld bij de eerdere beschrijvingen van 2014 en 2015.
Nadien lijkt er forse attributie van de pijnklachten te zijn opgetreden bij betrokkene, gezien de beschreven bevindingen in het dossier door de revalidatiearts, en de geconsulteerde psychiaters in het beloop. Gesproken wordt van een somatische symptoomstoornis met pijn, gezien ook de gedachtevorming, en de attributie van betrokkene aan de pijnklachten en de geringe winst die bij psychologische interventies is behaald in deze fase. Lastig in te schatten zijn de mogelijk eerdere psychotisch gekleurde gedachten van betrokkene. Op dit moment is er sprake van een rationele verklaring hiervan met emotionele afstand. Er zijn ook geen aanwijzingen voor waarnemingsstoornissen in dit kader in eerdere fases. Betrokkene gebruikt evenwel nog anti-psychotische medicatie die mogelijk actuele belevingen kan onderdrukken.
Betrokkene vulde driekwart van de SCL-90 R klachtenlijst in, waardoor de interpretatie
moeilijk was. Dit gaf bij de wel ingevulde delen zeer hoge scores op de dimensies, angst, depressie en somatiek, die in contrast staan bij de klachtenpresentatie bij vis-a-vis onderzoek .
Samenvattend lijkt er bij betrokkene sprake te zijn van: paniekstoornis gepaard gaande met fysieke verschijnselen, vrijwel in remissie, een depressieve stoornis, zonder psychotische kenmerken, zonder psychomotore betrokkenheid en met enige symptomatologie, episodisch, mild van ernst, actueel grotendeels in remissie en actueel een gokstoornis, licht tot matig van ernst.
Differentiaal diagnostisch is er nog de overweging dat er bij betrokkene episodisch sprake is geweest van een paranoid waanachtige gedachtegang zonder waarnemingsstoornis, gekoppeld aan specifieke context. Het lijkt onaannemelijk dat dit verbonden is geweest aan een eventueel ernstiger stemmingsstoornis in een eerdere fase. De belevingen zijn niet stemmingscongruent en in die episode paranoid gekleurd. Het kan goed zijn dat er geen sprake is geweest van daadwerkelijk psychotische ontregeling doch dat dit in een specifieke context plaatsvond, zoals betrokkene dit ervaart.
Bij huidig onderzoek zijn er geen overtuigende aanwijzingen voor psychotische
fenomenologie, waarbij aangetekend moet worden dat betrokkene antipsychotica gebruikt in een lichte tot gemiddelde dosering.
BEANTWOORDING VAN DE VRAAGSTELLING

1.Situatie met ongeval.

Anamnese (aanbeveling 2.2.4 RMSR)

a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft aard en ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat daarvan? Kan in de anamnese worden vermeld welke beperkingen op psychiatrisch terrein betrokkene aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijks leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby's, bezigheden in de recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?
Hiervoor mag worden verwezen naar de desbetreffende paragrafen in dit rapport.
Samengevat is betrokkene behandeld middels meerdere benaderingen vanuit diagnostische procedures, neurologisch, episodes van revalidatie met aandacht voor fysieke en psychische interventies en middels psychiatrische interventies met gespreksbehandeling en medicatie. Er lijkt enig resultaat te zijn geweest van deze interventies, gezien eerder beschreven ernstiger episodes met depressieve klachten, angstklachten en mogelijk psychotische belevingen.
Betrokkene zelf ervaart een stabiel patroon van pijnklachten en mentaal ongerief, waarbij hij zich tot weinig in staat voelt ten opzichte van vroeger functioneren. Er zijn geen beperkingen van ADL, naar betrokkene aangeeft. Wel geeft hij beperkingen aan voor sociale activiteiten, het kunnen uitoefenen van werk op zijn niveau en voor sportieve activiteiten zoals hij die voordien gewoon was.
Medische gegevens (aanbeveling 2.2.6 RMSR)
b. Kan op basis van het medisch dossier van betrokkene een beschrijving worden gegeven van:
- de medische voorgeschiedenis van betrokkene op psychiatrisch terrein.
- de medische behandeling van het letsel van betrokkene en het resultaat

daarvan.

Zoals vermeld in het rapport bij psychiatrische voorgeschiedenis zijn er overtuigende aanwijzingen dat er bij betrokkene sprake is geweest van psychiatrische problematiek in eerdere fases, met name 2014-2015, waarschijnlijk onder invloed van stressoren in die periode: een moordaanslag in Egypte, de psychische gezondheid van vader en een moeizame relatie, evenals andere collega's overigens,
met een leidinggevende op het werk, resulterend in klachten van angst met hyperventilatie en dreigende burn out, zoals verwoord in het huisartsdossier.
De interventies lijken te hebben bestaan uit ambulante behandeling in de eerste lijn door GGZ medewerkers. Er is geen sprake geweest van een psychiatrische opname, zoals in eerdere informatie, naar aannemelijk is, foutief, vermeld stond.
Betrokkene is behandeld voor resterende pijnklachten na het ongeval, er heeft een cardiologische interventie en analyse plaatsgevonden en nadien revalidatiebehandeling en psychiatrische behandeling, zoals vermeld bovenstaand.
Als geheel ervaart betrokkene relatief weinig verbetering, met name over de pijnklachten, doch er is wel verbetering ten aanzien van de eerdere meer op de voorgrond staande psychische klachten van angst, depressie en mogelijk psychotische belevingen.
Medisch onderzoek (aanbeveling 2.2.5 en 2.2.7 RMSR)
c. Kan een beschrijving worden gegeven van de bevindingen bij lichamelijk en of psychiatrisch onderzoek en eventueel hulponderzoek?
Hiervoor mag worden verwezen naar de desbetreffende paragraaf. Lichamelijk onderzoek werd niet verricht, aangezien hiervan de meerwaarde niet duidelijk was. Inzage vond plaats in de neurologische en de neuropsychologische expertise. Hieruit komt naar voren dat er geen uitspraak kan worden gedaan over de door betrokkene ervaren cognitieve klachten in relatie tot het uitgevoerde onderzoek door de neuropsycholoog. De neuroloog achtte een relatief gering trauma aanwezig op basis
van de beschikbare informatie met ontbrekende aanwijzingen voor hersenletsel en hield de mogelijkheid open van pijnklachten, ook bij een licht trauma in het kader van een whiplash associated disorder.
Consistentie (aanbeveling 2.2.8 RMSR)
d. Is er sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen via betrokkene zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en de bevindingen bij onderzoek?
Er bestaat een redelijke consistentie wat betreft het verloop van de klachten, zoals betrokkene deze verwoordt bij onderzoek en de in het dossier aanwezige informatie van de behandelaars. Er is enige inconsistentie in de door betrokkene ervaren klachten en de getoonde klachtenpresentatie bij onderzoek, evenwel niet in die mate dat kan worden gesproken van een aggraverende wijze van klachtenpresentatie.
Er zijn wel aanwijzingen dat betrokkene dit op andere momenten zo ervaart, vanuit de ingevulde SCL-90 R en vanuit de beschreven bevindingen bij het neuropsychologisch onderzoek.
Voorts is er een duidelijke discongruentie met betrekking tot de beschikbare informatie in het dossier over de premorbide situatie voorafgaand aan het ongeval, waarbij betrokkene bij huidig onderzoek aangeeft volledig in balans te zijn geweest, met geen klachten, doch waarbij er zoals eerder aangegeven, wel aanwijzingen zijn dat er sprake was van mentale overbelasting in 2014-2015.
Deze interpretatie kan meerdere oorzaken hebben: in het algemeen is men geneigd betekenis te verlenen aan een ingrijpende gebeurtenis in het leven en hier lichamelijke en of psychische ontregeling aan te koppelen. Ook kan de gehele letselschadeprocedure hier een rol in spelen.
e. Voor zover de vorige vraag ontkennend beantwoord wordt kan dan worden aangegeven wat de reactie van betrokkene was op de geconstateerde inconsistenties en welke conclusies daaruit worden getrokken ?
Zie d.
Diagnose. (aanbeveling 2.2.15 RMSR)
f. Wat is de diagnose op psychiatrisch terrein? Kan daarbij worden aangegeven wat de differentiaal diagnostische overwegingen zijn?
Op basis van de classificerende diagnostiek volgens DSM-5 is er bij betrokkene sprake van: paniekstoornis gepaard gaande met fysieke verschijnselen, vrijwel in remissie, een depressieve stoornis, zonder psychotische kenmerken, zonder psychomotore betrokkenheid en met enige symptomatologie, episodisch, mild van ernst, actueel grotendeels in remissie en actueel een gokstoornis, licht tot matig van ernst. Differentiaal diagnostisch werd overwogen of er sprake kan zijn van actuele psychotische belevingen. Hiervoor waren geen aanwijzingen aanwezig.
Blijvende Invaliditeit.
g. Kan aan de hand van de AMA-guides to the Evaluation of Permanent impairment 6th edition worden aangegeven welk percentage blijvende invaliditeit op uw vakgebied ontstaan is? Kan dit zoveel mogelijk worden toegelicht?
Op basis van de classificerende diagnostiek volgens DSM-5 werd ingeschat welk percentage invaliditeit aanwezig wordt geschat volgens de AMA systematiek. BPRS impairmentscore van 34 met verhoogde scores op lichamelijke bezorgdheid, angst en depressie, leidend tot een impairmentscore van 5%. De ingeschatte GAF score van 61-70, leidend tot een GAF impairmentscore van 5%. De tabels 14.11 t/m 14.16 scoort als: 2, 2, 1, 3, 1, 2. De middelste somscore is dan 4, leidend tot een PRS van 10%. De geschatte beperkingen op basis van huidig onderzoek zou dan 5% zijn.
Beperkingen. (aanbeveling 2.2.17 en 2.2.18 RMSR)
h. Welke beperkingen op psychiatrisch terrein bestaan er bij betrokkene in de huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Kunnen deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk worden beschreven en zonodig worden toegelicht ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?
Hiervoor wordt gerefereerd aan de lijst van Spanjer (1996) vanuit psychiatrische problematiek ingeschat, waarbij aangetekend moet worden dat hiervoor een daadwerkelijke inschatting door een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidsdeskundige noodzakelijk is.
Medische eindsituatie. (aanbeveling 2.2.14 RMSR)
i. Is de huidige toestand van betrokkene zodanig te achten dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of is in de toekomst nog een belangrijke verbetering dan wel verslechtering van het op psychiatrisch terrein geconstateerde letsel te verwachten?
Inmiddels lijkt er na het afsluiten van de specialistische behandelingen sprake van een vrij stabiele situatie waarbij betrokkene nog wel regelmatig psychofarmaca gebruikt. Het is aannemelijk dat een verdere verbetering mogelijk is wanneer betrokkene in staat is om zijn wens activiteiten op te vatten gerealiseerd wordt. In combinatie met de verder verbeterde toestand ten opzichte van eerdere fases is
het aannemelijk dat er sprake is van een relatieve eindsituatie op dit moment, waarbij verdere verbetering niet uitgesloten is en waarbij terugval bij stresserende omstandigheden eveneens niet uitgesloten kan worden.
j. Zo ja, welke verbetering/verslechtering is te verwachten?
Dit is niet verder aan te geven.
k. Kan worden aangegeven op welke termijn en in welke mate die verbetering/verslechtering te verwachten is?
Dit is niet verder aan te geven.
I. Kan worden aangegeven welke gevolgen deze verbetering/verslechtering zal hebben op de mate van functieverlies(vraag 1g) en voor de beperkingen (vraag 1h)?
Niet van toepassing.
2. De situatie zonder ongeval.
Klachten, afwijkingen en beperkingen voor het ongeval.
a. Bestonden er vóór het ongeval bij betrokkene reeds klachten en afwijkingen op psychiatrisch terrein die betrokkene thans nog steeds heeft?
Er zijn sterke aanwijzingen dat er bij betrokkene voorafgaand aan het ongeval sprake was van psychiatrische klachten in de vorm van een angststoornis met fysieke verschijnselen, hyperventilatie en klachten in het spectrum van burn-out, zoals beschreven in het huisartsdossier. De klachten liggen in hetzelfde spectrum als een deel van de bij diagnostische beschouwing besproken klachten die na het ongeval zijn opgetreden. Aldus lijkt er bij betrokkene beslist sprake te zijn van een hoger dan
gemiddelde premorbide kwetsbaarheid op dat terrein.
b. Zo ja, kan dan worden aangegeven welke beperkingen (zie aanbevelingen 2.2.17 en 2.2.18 RMSR) uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?
Dit is moeilijk af te grenzen van de door betrokkene na het ongeval ervaren klachten op psychiatrisch terrein.
Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval.
c. Zijn er op psychiatrisch terrein klachten en afwijkingen die er ook geweest zouden zijn of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval betrokkene niet was overkomen?
Het is aannemelijk dat de eerdere ontregeling waarschijnlijk onder invloed van forse stressoren in die episode ook zich ook zouden kunnen voordoen bij oplopende stresserende momenten, als betrokkene het ongeval niet was overkomen.
d. Zo ja, (dus zonder ongeval ook klachten), kan dan een indicatie worden gegeven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?
Het is onmogelijk om te voorspellen met welke mate van waarschijnlijkheid zich dit zou hebben voorgedaan in de situatie waarin er geen sprake was van een ongeval.
e. Kan worden aangegeven welke beperkingen (aanbevelingen 2.2.17 en 2.2.18 RMSR) uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?
Deze vraag is niet goed te beantwoorden.
f. Is in de toekomst nog een belangrijke verbetering/verslechtering te verwachten van de op psychiatrisch terrein geconstateerde niet ongevalgerelateerde klachten en afwijkingen?
Het is aannemelijk dat er bij betrokkene een kwetsbaarheid is ten aanzien van de eerder weergegeven ontregeling in de vorm van angstsymptomatologie en onwelbevinden. De prognose hiervan is moeilijk aan te geven en hangt ook deels samen met omringende omstandigheden en stresserende factoren.
g. Zo ja, welke verbetering/verslechtering is te verwachten?
Dit is niet aan te geven.
h. Kan worden aangegeven op welke termijn en in welke mate die verbetering/verslechtering is te verwachten?
Dit is niet aan te geven.
i. Kan worden aangegeven welke gevolgen deze verbetering/verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2 e en 2f)?
Dit is niet aan te geven.

3.Overig

Zijn er naar aanleiding van de bevindingen binnen psychiatrisch vakterrein en het kader van de verstrekte opdracht liggende punten die naar voren gebracht dienen te worden?

Geen.”

4.Het geschil – de standpunten van partijen

Wat wil [persoon A] ?
4.1.
[persoon A] vordert, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat en zakelijk weergegeven:
I. voor recht te verklaren dat sprake is van causaal verband tussen de klachten van [persoon A] en het ongeval;
II. Allianz te veroordelen tot betaling aan [persoon A] van alle schade die [persoon A] door dat ongeval lijdt en heeft geleden, nader op te maken bij staat;
III. Allianz te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan [persoon A] te betalen een voorschot van € 50.000,00 op de totale schadevergoeding;
IV. Allianz te veroordelen tot afgifte aan [persoon A] van een belastinggarantie;
V. Allianz te veroordelen in de kosten van deze procedure, vermeerderd met rente.
4.2.
[persoon A] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Sinds het ongeval lijdt [persoon A] aan nek-, schouder-, rug-, hoofdpijn-, concentratie-, vermoeidheids- en psychische klachten. Voorts lijdt [persoon A] sinds het ongeval aan vergeetachtigheid en gevoeligheid voor licht en geluid. Vanwege deze klachten is [persoon A] sinds het ongeval volledig arbeidsongeschikt. De oorzaak van deze klachten is gelegen in het ongeval. De schade van [persoon A] bestaat onder meer uit verlies aan verdienvermogen, kosten huishoudelijke hulp, verlies van zelfwerkzaamheid, pensioenschade, medische kosten en smartengeld.
Wat vindt Allianz?
4.3.
Allianz voert verweer. Allianz concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [persoon A] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon A] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon A] in de kosten van deze procedure, vermeerderd met rente.
4.4.
Allianz voert het volgende aan. Betwist wordt dat de door [persoon A] ervaren klachten zijn ontstaan door het ongeval. Het ongevalsmechanisme is niet verklarend voor de klachten. De klachten van [persoon A] hebben een andere oorzaak. [persoon A] leed al vóór 30 mei 2016 aan de (ook) daarna ervaren klachten. Het causaal verband tussen de klachten en het ongeval ontbreekt, zodat [persoon A] geen aanspraak heeft op schadevergoeding op basis van de SVI-verzekering. Indien en voor zover een causaal verband tussen de klachten en het ongeval wordt aangenomen, dient de looptijd van de schade te worden beperkt (tot medio 2016, uiterlijk eind 2017), omdat te verwachten is dat [persoon A] ook zonder ongeval dezelfde klachten (en/of beperkingen) zou hebben ervaren. Tot slot wordt betwist dat sprake is van ongevalsgerelateerde beperkingen en schade in de vorm van verlies aan verdienvermogen bovenop het verlies aan verdienvermogen dat al bestond vanwege de forse pre-existente/ongevalsvreemde psychiatrische problematiek bij [persoon A] .
Algemeen
4.5.
Beide partijen verwijzen ter onderbouwing van hun respectieve standpunten naar de door de neuroloog, neuropsycholoog en psychiater opgestelde rapporten. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling – wat vindt de rechtbank?

Juridisch kader/Toetsingskader
5.1.
De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van het hieronder vermelde toetsingskader dat in letselschadezaken wordt gebruikt.
5.1.1.
Ten eerste dient [persoon A] te stellen en, bij gemotiveerde betwisting, te bewijzen dat hij aan gezondheidsklachten lijdt. Daarbij gaat het niet alleen om “stoornissen” in de zin van medisch waarneembare beschadigingen, afwijkingen of gebreken, maar ook om het bestaan van klachten die weliswaar naar hun aard subjectief zijn, maar waarvan niettemin objectief vastgesteld kan worden dat zij aanwezig, reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn. Wanneer kan worden vastgesteld dat het klachtenpatroon plausibel is, wat doorgaans het geval zal zijn bij een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten, kan van het bestaan van dergelijke subjectieve klachten worden uitgegaan.
5.1.2.
Als in rechte is komen vast te staan dat bij [persoon A] sprake is van een plausibel klachtenpatroon in de zojuist uiteengezette zin, dan dient [persoon A] – ten tweede – te stellen en, bij gemotiveerde betwisting, te bewijzen dat tussen dit plausibele klachtenpatroon en het hem overkomen ongeval condicio-sine-qua-non-verband bestaat. Aan het te leveren bewijs mogen geen al te hoge eisen worden gesteld, in die zin dat het ontbreken van een specifieke medische aantoonbare verklaring voor de klachten niet in de weg staat aan het oordeel dat het oorzakelijke verband tussen de klachten en het ongeval desondanks rechtens in voldoende mate vast staat. Voor het juridische causaal verband is echter wel vereist dat de klachten mede gelet op de toedracht van het ongeval daaraan redelijkerwijs kunnen worden toegeschreven. Dat een zodanig verband bestaat, kan worden aangenomen (i) als voor het ongeval geen sprake was van eenzelfde of een vergelijkbaar klachtenpatroon, (ii) het ongeval de klachten kan veroorzaken, en (iii) een alternatieve verklaring voor de klachten ontbreekt.
5.1.3.
Is het causaal verband tussen de klachten van [persoon A] en het ongeval vastgesteld, dan moet – ten derde – worden beoordeeld of die klachten ook tot beperkingen leiden. Ook voor wat betreft het bestaan, de ernst en de impact van die beperkingen op het algehele functioneren van [persoon A] , rusten de stelplicht en de bewijslast op [persoon A] . Bij de beoordeling daarvan gaat het niet zozeer om het bepalen van de meetbare functionele beperkingen van [persoon A] , maar om het vaststellen van de mate van activiteiten en participatie van [persoon A] . Daarbij zijn niet alleen de lichaamsfuncties en anatomische eigenschappen relevant, maar moeten ook de persoonlijke en omgevingsfactoren van [persoon A] worden gewogen. Dit betekent dat het enkele feit dat sprake is van subjectieve klachten terwijl een medisch substraat ontbreekt, niet in de weg staat aan de conclusie dat toch sprake kan zijn van beperkingen in de hiervoor weergegeven betekenis.
5.1.4.
Is vast komen te staan dat bij [persoon A] sprake is van beperkingen in de hiervoor bedoelde zin, dient – ten vierde – te worden beoordeeld of [persoon A] , naar de maatstaf van artikel 6:98 BW Pro, als gevolg daarvan schade heeft geleden en, zo ja, wat de omvang daarvan is. Ook hiervan rusten de stelplicht en bewijslast op [persoon A] .
(Juridisch) causaal verband
5.2.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [persoon A] op 30 mei 2016 tegen een langs de weg geparkeerde Volvo 460 is aangereden en dat Allianz op grond van de SVI-verzekering gehouden is de schade als gevolg van het ongeval te vergoeden.
5.3.
Veronderstellenderwijs uitgaande van het bestaan van (een plausibel) klachten(patroon) in de onder 5.1.1 uiteengezette zin, verschillen partijen van mening over de vraag of de klachten (en – in het verlengde daarvan – beperkingen) die [persoon A] stelt te ondervinden zijn aan te merken als ongevalsgevolg (zie hiervoor onder 5.1.2). De beantwoording van deze vraag valt uiteen in de volgende elementen: (1) de toedracht van het ongeval, (2) is sprake van een klachtenpatroon dat voor het ongeval niet bestond, (3) is het ongevalsmechanisme verklarend voor de klachten en (4) ontbreekt een alternatieve verklaring voor de klachten. Bij de beantwoording van (de elementen van) deze vraag dienen onder meer de deskundigenrapporten als uitgangspunt. Tussen partijen staat immers niet ter discussie dat zij aan de conclusies van de deskundigen zijn gebonden.
5.4.
De rechtbank komt tot de conclusie dat het juridisch causaal verband tussen de door [persoon A] ondervonden klachten en het ongeval niet kan worden aangenomen. De rechtbank licht dit hierna toe.
De toedracht van het ongeval
5.5.
Een aantal zaken rondom het ongeval is onduidelijk gebleven. [persoon A] verklaart inconsistent en uiteenlopend over de toedracht van het ongeval.
5.5.1.
In dit verband verklaart [persoon A] voor wat betreft de impact van de aanrijding en de hoek waarmee hij tegen de Volvo 460 is aangereden als volgt:
  • Op 30 mei 2016 verklaart [persoon A] tegenover de cardioloog dat hij lichtjes tegen de geparkeerde auto heeft getikt (productie 4 bij akte overlegging producties van [persoon A] ).
  • Medio juli 2016 verklaart [persoon A] tegenover de sociaal psychiatrisch verpleegkundige dat hij “
  • Tijdens de medische expertise van 29 maart 2018 bij Ergatis verklaart [persoon A] dat hij “
  • Tijdens het neurologisch onderzoek van 10 december 2019 meldt [persoon A] ervan uit te gaan dat het “
5.5.2.
Over de snelheid waarmee hij tegen de Volvo 460 is aangereden verklaart [persoon A] als volgt:
  • Uit de op 30 mei 2016 tegenover de cardioloog afgelegde verklaring volgt dat [persoon A] ten behoeve van het ‘aan de kant zetten’ van zijn auto de snelheid reeds had verminderd.
  • In het verzoekschrift tot het houden van het een voorlopig deskundigenbericht van 14 november 2018 (productie 1 bij conclusie van antwoord) stelt [persoon A] dat hij op het moment van de aanrijding ongeveer 50 km/uur reed.
  • Tijdens het neuropsychologisch onderzoek van 14 oktober 2019 verklaart [persoon A] dat hij niet weet hoe hard hij op dat moment reed (productie 30 bij akte overlegging producties van [persoon A] , pag. 8).
  • Tijdens het neurologisch onderzoek van 10 december 2019 verklaar [persoon A] dat hij “niet heeft geremd” (productie 29 bij akte overlegging producties van [persoon A] , pag. 2).
  • Tijdens het psychiatrisch onderzoek van 17 mei 2022 verklaart [persoon A] dat hij “
  • In de dagvaarding betwist [persoon A] dat het een aanrijding met lage impact betreft omdat ter plaatse een maximumsnelheid gold van 30 km/uur zodat het aannemelijk zou zijn dat [persoon A] ongeveer met deze snelheid tegen de Volvo 460 is aangereden (randnummer 33 van de dagvaarding).
5.6.
Omtrent de wijze waarop [persoon A] de impact van de aanrijding en de snelheid waarmee hij tegen de Volvo 460 is aangereden heeft beschreven, overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank acht aannemelijk dat de verklaring die [persoon A] op 30 mei 2016 tegenover de cardioloog heeft afgelegd, juist is weergegeven. Gesteld noch gebleken is dat er voor de cardioloog op dat moment redenen te bedenken zouden kunnen zijn waarom hij dit foutief in zijn brief van 31 mei 2016 (productie 4 bij akte overlegging producties van [persoon A] ) zou hebben weergegeven. De enkele stelling dat de toedracht van het ongeval voor de medische behandeling niet relevant is en dat daarom mogelijk de omschrijving van de toedracht van het ongeval in de medische stukken vaak niet accuraat is, is – wat daarvan overigens ook zij – onvoldoende en wordt om die reden gepasseerd. Aan bewijslevering op dit punt komt de rechtbank dan ook niet toe. Bovendien ondersteunen de foto’s behorend bij het onder 3.4 vermelde schaderapport (waarop is te zien dat de aanrijding heeft geleid tot krassen in de lak van de Volvo 460; er zijn geen deuken te zien) wat de cardioloog in zijn brief van 31 mei 2016 heeft geschreven. Dat de foto’s ongedateerd zijn en niet direct na het ongeval op de ongevalslocatie zijn gemaakt, maakt dat niet anders. Daarbij komt dat uit het schadeonderzoek is gebleken dat het botscontact plaatsvond in een minimale hoek van zeven uur. Daartegenover heeft [persoon A] geen enkele onderbouwing van zijn stelling gegeven, bijvoorbeeld in de vorm van nadere toedrachtsinformatie over de schade aan de Seat Ibiza en/of over de snelheid waarmee werd gereden op het moment van het ongeval. Het blijft bij (een) blote stelling(en).
5.7.
Dit betekent dat de rechtbank bij de verdere beoordeling uit zal gaan van een aanrijding met een (relatief) geringe c.q. lage impact als ongevalsmechanisme.
Het ongevalsmechanisme is niet verklarend voor de klachten die [persoon A] stelt te ondervinden
5.8.
Op basis van het neurologisch onderzoek oordeelt [naam 1] dat het moeilijk te begrijpen is dat het botscontact een geweldsinwerking heeft gehad op de cervicale wervelkolom en/of op de omringende weke delen. In het verlengde daarvan oordeelt [naam 1] dat de stelling dat er sprake zou zijn van een postwhiplashsyndroom moeilijk te handhaven is en dat voor de cognitieve klachten geen neurologische oorzaak bedacht kan worden. [naam 1] stelt vast dat forse psychiatrische problematiek bij [persoon A] zeer sterk op de voorgrond staat. Hij vermoedt dat de psychiatrische problematiek de lichamelijke klachten van [persoon A] onderhoudt.
5.9.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de aanrijding niet verklarend kan zijn voor het ontstaan van de door [persoon A] ondervonden klachten, omdat er geen sprake is geweest van een biomechanische geweldsinwerking. Feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zijn gesteld noch gebleken.
5.10.
De rechtbank ziet geen aanleiding tot het bevelen van een deskundigenonderzoek door een biomechanisch ingenieur, omdat een onderzoek over de relatie tussen een lage impact of geringe Delta v en het ontstaan van klachten geen mogelijkheid biedt tot het verkrijgen van zekerheid over de causaliteitsvraag. Een dergelijk onderzoek zal partijen dan ook onvoldoende opleveren, gelet op de bredere discussie over het causaal verband.
De huidige klachten betreffen een klachtenpatroon dat reeds voor 30 mei 2016 bestond
5.11.
Uit de overgelegde medische informatie blijkt dat zowel vóór als na 30 mei 2016 bij [persoon A] forse psychiatrische problematiek speelt en op de voorgrond staat, terwijl [persoon A] zelf stelt dat hij tot 30 mei 2016 klachtenvrij was. [naam 1] vermoedt dat de psychiatrische problematiek de lichamelijke klachten van [persoon A] onderhoudt. Dr. Stek onderschrijft dat [persoon A] lijdt aan psychiatrische problematiek, in de vorm van een paniekstoornis met fysieke verschijnselen, hyperventilatie, een depressieve stoornis, klachten in het spectrum van burn-out en actueel een gokstoornis. Dr. Stek stelt voorts vast dat de vastgestelde klachten zich bevinden in hetzelfde spectrum als de klachten die [persoon A] vóór en óp 30 mei 2016 ervaarde. Zie ook de toelichting van dr. Stek ten aanzien van de paniekaanval van 30 mei 2016: "
Onomstreden is in ieder geval dat de aanleiding voor het ongeval waarschijnlijk een paniekaanval is geweest met hyperventilatie, hartkloppingen, pijn op de borst en dat dit ligt in het spectrum van de eerder opgetreden angstklachten, voorafgaand aan het ongeval."
5.12.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de klachten van na 30 mei 2016 geen patroon van klachten betreffen dat voorheen nog niet bestond. Feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zijn gesteld noch gebleken.
Er is sprake van een alternatieve verklaring voor de huidige klachten
5.13.
Dr. Stek stelt op basis van de psychiatrische expertise vast dat [persoon A] voorafgaand aan het ongeval leed aan een angststoornis en concludeert dat de paniekaanval voorafgaand aan het ongeval van 30 mei 2016 kwalificeert als aanwijsbaar stresserend moment dat de daarna ervaren problematiek heeft getriggerd. Aldus kwalificeert die betreffende paniekaanval als alternatieve oorzaak.
De hoofdpijnklachten hebben een niet-ongevalsgerelateerde oorzaak
5.14.
De neuroloog brengt de hoofdpijnklachten van [persoon A] in verband met het voortdurende en langdurige paracetamolgebruik door [persoon A] (terwijl een verband met het betreffende ongevalsmechanisme naar het oordeel van de neuroloog ‘moeilijk te volgen is’). Gesteld noch gebleken is dat het (hoofdpijnveroorzakende) paracetamolgebruik vanuit het ongeval geïndiceerd is.
Conclusie
5.15.
De conclusie is dat het causaal verband ontbreekt en dat er geen ruimte is voor het aannemen van een juridisch causaal verband. Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat de klachten die [persoon A] ervaart c.q. presenteert zijn veroorzaakt door en kunnen worden toegerekend aan het ongeval. Het ongevalsmechanisme is niet verklarend voor de klachten: [persoon A] leed reeds voor 30 mei 2016 aan de (ook) daarna ervaren problematiek en er is sprake van een alternatieve oorzaak voor de klachten. De rechtbank volgt daarbij het oordeel van de door de rechtbank benoemde neuroloog en neuropsycholoog en de door partijen aangezochte psychiater. Er is dan ook geen aanspraak op uitkering onder de SVI-polis en de vorderingen van [persoon A] worden afgewezen.
5.16.
Daarmee wordt niet een mogelijke predispositie van [persoon A] miskend: er is hier niet sprake van door de gesteldheid van het slachtoffer extra ernstige gevolgen van een relatief lichte gebeurtenis, maar op grond van de uitgebrachte deskundigenrapporten moet worden aangenomen dat de problematiek van [persoon A] andere oorzaken heeft dan het ongeval, en dat het ongeval slechts “als kapstok” is gaan fungeren waaraan de door [persoon A] (deels reeds voor het ongeval) ervaren klachten (en beperkingen) zijn opgehangen.
5.17.
[persoon A] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Allianz worden begroot op:
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.764,00
5.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [persoon A] af;
6.2.
veroordeelt [persoon A] in de proceskosten van € 5.764,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [persoon A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.3.
veroordeelt [persoon A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
6.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.A. Baggerman en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.
801/2537