ECLI:NL:RBROT:2026:7137

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
11937751 CV EXPL 25 22839
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I. van Drongelen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:33 BWArt. 3:35 BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BWArt. 7:129c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Lening verstrekt aan natuurlijke persoon ondanks betaling aan vennootschap

In deze zaak staat centraal of een lening van €10.000,- is verstrekt aan de natuurlijke persoon gedaagde of aan diens vennootschap. Eiser stelt dat de lening aan gedaagde persoonlijk is verstrekt, terwijl gedaagde betwist dat en stelt dat de lening aan zijn vennootschap is verstrekt.

De kantonrechter weegt de whatsapp-correspondentie en de gedragingen van partijen. Uit de communicatie blijkt dat eiser de lening aan gedaagde wilde verstrekken, ondanks dat het bedrag op een rekening van de vennootschap werd overgemaakt. Gedaagde heeft niet kenbaar gemaakt dat de omschrijving bij de overboeking onjuist was en sprak in latere correspondentie over zijn persoonlijke situatie, niet over de vennootschap.

De kantonrechter oordeelt dat eiser gerechtvaardigd mocht vertrouwen op een lening aan gedaagde persoonlijk. Gedaagde moet daarom het openstaande bedrag van €9.930,- terugbetalen met wettelijke rente vanaf 9 mei 2025. Incassokosten worden niet toegewezen omdat de 14-dagenbrief werd verzonden voordat gedaagde in verzuim was. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten van €1.410,45. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde moet €9.930,- met wettelijke rente terugbetalen aan eiser, incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11937751 CV EXPL 25 22839
datum uitspraak 12 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats [woonplaats 1],
eiser,
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
[gedaagde],
woonplaats [woonplaats 2],
gedaagde,
gemachtigde: mr. V.G. Baran.
De partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 10 oktober 2025 met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • de repliek, met bijlagen;
  • de dupliek.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[eiser] en [gedaagde] hebben afgesproken dat [eiser] een bedrag van € 10.000,- verstrekt als lening. [eiser] heeft dit bedrag op verzoek van [gedaagde] overgemaakt naar de bankrekening van de vennootschap van [gedaagde] met als omschrijving “lening prive aan [gedaagde]”. [eiser] stelt dat het gaat om een lening aan [gedaagde] en vordert daarom van [gedaagde] betaling van het nog openstaande bedrag van € 9.930,- met rente en incassokosten van € 1.054,52. [gedaagde] is het hier niet mee eens en voert aan dat de lening niet aan hem persoonlijk is verstrekt, maar aan zijn vennootschap.
2.2.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] partij is bij de leningsovereenkomst. Daarom moet [gedaagde] het openstaande bedrag met rente terugbetalen aan [eiser]. [gedaagde] hoeft de gevorderde incassokosten niet te betalen. Dit wordt hierna uitgelegd.
De lening is verstrekt aan [gedaagde]
2.3.
Partijen zijn het erover eens dat er een lening van € 10.000,- is verstrekt, maar zij zijn het er niet over eens aan wie die lening is verstrekt. [eiser] stelt dat hij de lening heeft verstrekt aan [gedaagde]. [gedaagde] betwist dit en voert aan dat de lening is verstrekt aan zijn vennootschap [bedrijf]
2.4.
Bij de beantwoording van de vraag wie partij is geworden bij de leningsovereenkomst gaat het erom of [eiser] er gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat hij de overeenkomst met [gedaagde] is aangegaan. Dit is de zogenaamde wils-vertrouwensleer (artikel 3:33 en Pro 3:35 BW). Omdat [eiser] zich beroept op het rechtsgevolg van zijn stelling, namelijk dat [gedaagde] de lening moet terugbetalen, rust de bewijslast op hem (artikel 150 Rv Pro).
2.5.
De kantonrechter is van oordeel dat uit de whatsapp-correspondentie ten tijde van het sluiten van de leningsovereenkomst kan worden afgeleid dat [eiser] de lening aan [gedaagde] wilde verstrekken. Nadat [eiser] had toegezegd de lening te verstrekken heeft [gedaagde] verzocht het bedrag op een specifieke bankrekening over te maken. Op de vraag van [eiser] of die rekening op zijn naam stond (“Is het op je naam?”) meldde [gedaagde] dat het een bankrekening van zijn vennootschap betrof (“Is mijn bv”). [eiser] heeft vervolgens bij het overmaken van het bedrag de omschrijving “
lening prive aan [gedaagde]” opgegeven. Daarmee heeft [eiser] duidelijk gemaakt dat de lening bedoeld was voor [gedaagde]. [eiser] mocht er ook op vertrouwen dat [gedaagde] partij was geworden bij de leningsovereenkomst. [gedaagde] heeft nadat [eiser] het bedrag had overgemaakt niet aan [eiser] laten weten dat de omschrijving bij de overmaking niet klopte en hij heeft ook niet op een andere manier aangegeven dat het ging om een lening aan zijn vennootschap. In de door [eiser] overgelegde correspondentie van na het aangaan van de overeenkomst geeft [gedaagde] bovendien meerdere keren aan dat hij het geleende bedrag nog niet kan terugbetalen, waarbij hij het dan steeds heeft over zijn persoonlijke situatie. De vennootschap wordt in de correspondentie verder geen enkele keer genoemd.
2.6.
[gedaagde] brengt nog naar voren dat dat [eiser] wilde investeren in de vennootschap en dat dit zou blijken uit een betaling van de vennootschap van € 5.000,- aan een derde, kort nadat [eiser] het bedrag van € 10.000,- had overgemaakt. Uit deze enkele betaling kan naar het oordeel van de kantonrechter echter niet worden afgeleid dat [gedaagde] de bedoeling had de lening niet aan [gedaagde], maar aan de vennootschap te verstrekken. Ook de hoogte van de lening is, anders dan [gedaagde] betoogt, geen indicatie dat het ging om een zakelijke lening.
2.7.
De kantonrechter oordeelt dan ook dat [eiser] de lening heeft verstrekt aan [gedaagde]. Dit betekent dat [gedaagde] de lening moet terugbetalen. [gedaagde] heeft al een bedrag van € 70,- terugbetaald, zodat de kantonrechter een bedrag van € 9.930,- zal toewijzen.
[gedaagde] moet wettelijke rente betalen
2.8.
De kantonrechter zal de wettelijke rente vanaf 9 mei 2025 toewijzen, omdat [gedaagde] vanaf dat moment in verzuim was. [eiser] en [gedaagde] zijn natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Zij hebben geen schriftelijke afspraken gemaakt dat [gedaagde] rente moet betalen. Dat betekent dat er niet automatisch rente is gaan lopen (artikel 7:129c BW). Wel is het zo dat wettelijke rente verschuldigd is vanaf het moment dat de partij die de lening moet terugbetalen in verzuim is (artikel 6:119 BW Pro). [eiser] en [gedaagde] hebben bij het aangaan van de lening niet afgesproken wanneer het bedrag van € 10.000,- moest worden terugbetaald. Voor die situatie bepaalt artikel 7:129e BW dat de lener het geleende bedrag moet terugbetalen binnen zes weken nadat de uitlener daarom heeft verzocht. [eiser] stelt dat hij op 27 maart 2025 daadwerkelijk tot opeising van het uitgeleende bedrag is overgegaan. De termijn van zes weken is op die datum gaan lopen en [gedaagde] is dus op 9 mei 2025 in verzuim geraakt.
[gedaagde] hoeft geen incassokosten te betalen
2.9.
[eiser] vordert incassokosten. Incassokosten worden alleen verschuldigd als er eerst sprake is van verzuim en vervolgens niet binnen 15 dagen nadat de een zogenaamde “14-dagenbrief” is ontvangen wordt betaald (artikel 6:96 lid 6 BW Pro). Zoals hiervoor is uitgelegd was [gedaagde] vanaf 9 mei 2025 in verzuim. De 14-dagenbrief is gedateerd 6 mei 2025. [gedaagde] was op dat moment dus nog niet in verzuim. Dat betekent dat [gedaagde] geen incassokosten hoeft te betalen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.10.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 145,45 aan dagvaardingskosten, € 257,- aan griffierecht, € 864,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 432,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.410,45. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.11.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daartegen geen bezwaar heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 9.930,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf 9 mei 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.410,45;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I. van Drongelen en in het openbaar uitgesproken.
68254