Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7139

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
C/10/717587 / JE RK 26-642
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b, eerste lid, BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking kinderrechter over ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarigen

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van drie minderjarigen en een machtiging tot uithuisplaatsing van twee van hen bij hun oma. De procedure vond plaats op 8 mei 2026 met gesloten deuren, waarbij de moeder, vader, oma en vertegenwoordigers van de Raad en gecertificeerde instelling aanwezig waren.

De feiten tonen een complexe en onveilige opvoedsituatie met middelengebruik en agressie binnen het gezin. De moeder heeft het ouderlijk gezag, maar de relatie tussen haar en de oma is verstoord. Twee kinderen verblijven bij de oma, één bij de moeder. De kinderen vertonen zorgelijke signalen zoals emotionele problemen en gedragsproblemen.

De kinderrechter oordeelt dat aan de voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling en veiligheid van de kinderen. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend voor zes maanden bij de oma, ondanks zorgen over de opvoedsituatie daar, omdat terugplaatsing bij de moeder op dit moment niet in het belang van de kinderen is.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de duur van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is vastgesteld. De moeder stemt in met ondertoezichtstelling maar verzet zich tegen de duur van de uithuisplaatsing. De vader stemt in met ondertoezichtstelling maar verzet zich tegen uithuisplaatsing bij de oma. De oma benadrukt dat zij de kinderen niet wil afpakken maar opvangt vanwege escalaties in het gezin.

Uitkomst: De kinderrechter stelt drie minderjarigen onder toezicht en verleent een machtiging tot uithuisplaatsing voor twee van hen bij de oma voor zes maanden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/717587 / JE RK 26-642
Datum uitspraak: 8 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3],
geboren op [geboortedatum 3] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.A. Smits, kantoorhoudende te Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[vader] ,
hierna te noemen: de vader, zonder bekende woon- of verblijfplaats,
[oma mz] ,
hierna te noemen: de oma moederzijde (mz), wonende te [woonplaats] ,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de Raad van 2 april 2026 met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 3 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader;
  • de oma mz;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger 2] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben geen mening gegeven. [minderjarige 1] heeft per e-mail van 4 mei 2026 zijn mening gegeven. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de oma mz. [minderjarige 3] woont bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] onder toezicht te stellen tot aan zijn meerderjarigheid en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een netwerkpleeggezin, te weten bij de oma mz, voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft het verzoek en licht het ter zitting als volgt toe. Binnen het gezin spelen al langere tijd problemen. De verhalen van de kinderen over wat zich binnen het gezin heeft afgespeeld, onder meer rondom alcohol- en cannabisgebruik, verschillen van die van de ouders. Daarnaast is de relatie tussen de moeder en de oma mz verstoord. Hierdoor kunnen verschillende zaken voor de kinderen niet worden geregeld. De moeder wilde eerder niet meewerken aan de hulpverlening, omdat zij hier geen vertrouwen in had. Belangrijk is dat dit vertrouwen wordt hersteld. Behandeling bij [zorginstelling] , in de vorm van Mentalization Based Treatment, wordt hiervoor passend geacht. Ook bestaan er zorgen over de opvoedsituatie bij de oma mz. Onderzocht moet worden of dit voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de juiste plek is om op te groeien. Intussen moet pleegzorgondersteuning worden ingezet en dient een netwerkscreening plaats te vinden. De kinderen laten verschillende zorgelijke signalen zien en lijken alle drie in een overlevingsstand te verkeren. Bij [minderjarige 1] uit zich dit in paniekaanvallen. Ook vindt hij het moeilijk om relaties aan te gaan en trekt hij zich terug. [minderjarige 1] heeft onvoldoende geleerd om zijn emoties te herkennen en te uiten. Hetzelfde geldt voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . [minderjarige 3] laat op school wisselend gedrag zien; zij kan snel boos reageren en vertoont stoer gedrag. Positief is dat de kinderen onderling een sterke band hebben en contact met elkaar onderhouden. Tot slot is belangrijk is dat de ouders inzicht krijgen in hun aandeel in de ontstane situatie en niet blijven vasthouden aan de strijd met de oma mz.

4.De standpunten

4.1.
De GI ondersteunt het verzoek van de Raad en licht het ter zitting als volgt toe. De thuissituatie is complex. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de oma mz, terwijl [minderjarige 3] bij de moeder thuis verblijft. De moeder heeft slechts af en toe contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het is belangrijk dat de moeder meer initiatief neemt om het contact met hen te herstellen. De moeder kan hier begeleiding bij gebruiken. Ook het contact tussen de moeder en de oma mz verloopt moeizaam. Het is noodzakelijk dat zij werken aan herstel van hun onderlinge relatie. De oma mz verdient een compliment nu zij de zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft overgenomen. De moeder heeft daarentegen het gevoel dat de oma mz [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van haar afpakt. Het is belangrijk dat de moeder met de oma mz leert samenwerken in het belang van de kinderen. De GI begrijpt de wens van de moeder dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer bij haar wonen, maar daarvoor moeten eerst dingen veranderen. Er zijn zorgen over de opvoedsituatie bij de oma mz. Er moet een pleegzorgscreening plaatsvinden en bezien worden of dit de juiste plek is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om op te groeien. Ook moet de inzet van pleegzorgondersteuning worden onderzocht. Er is niet direct een vaste jeugdbeschermer voor het gezin beschikbaar, maar de GI verwacht dit op korte termijn te regelen. Desgevraagd acht de GI een uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden noodzakelijk, omdat de hulpverlening nog moet worden opgestart en sprake is van wachtlijsten.
4.2.
Door en namens de moeder wordt ter zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder stemt in met de ondertoezichtstelling, maar voert verweer tegen de uithuisplaatsing. De moeder erkent dat er zorgen zijn en staat open voor hulpverlening, maar heeft moeite met de manier waarop de hulpverlening is ingezet. Sinds september 2025 verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de oma mz. De moeder maakt zich zorgen over de opvoedomgeving bij de oma mz. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden hier niet gecorrigeerd, kunnen doen en laten wat zij willen en gaan niet naar school. De moeder is dankbaar dat zij bij de oma mz kunnen verblijven, maar dit is niet de juiste plek voor hen om op te groeien. De moeder wil dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer bij haar thuis komen wonen of op een andere plek worden geplaatst. Gelet op de zorgen over de opvoedomgeving bij de oma mz en het feit dat de ouders nu geen contact hebben met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , verzoekt de moeder om de duur van een eventuele machtiging uithuisplaatsing te beperken tot twee maanden. Het is belangrijk dat zo snel mogelijk een jeugdbeschermer aan het gezin wordt gekoppeld, zodat samen met de ouders en de oma mz kan worden onderzocht hoe de kinderen naar de moeder kunnen terugkeren. Daarbij dient de mogelijkheid van een Eigen Kracht-conferentie te worden onderzocht.

5.De informatie van de informanten

5.1.
De vader brengt ter zitting het volgende naar voren. De vader stemt in met een ondertoezichtstelling als dit in het belang van de kinderen is. De vader voert verweer tegen een uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de oma mz. Zij moeten naar de moeder terugkeren of in een instelling verblijven. De vader erkent dat hij eerder voor onrust in de thuissituatie heeft gezorgd, maar hij werkt nu aan zichzelf. Hij heeft nauw contact met [minderjarige 3] , maar onregelmatig contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
5.2.
De oma mz brengt ter zitting het volgende naar voren. Er wordt een onjuist beeld geschetst, namelijk dat de problemen in de thuissituatie bij de moeder pas sinds september 2025 spelen. Deze problematiek bestaat al veel langer. In de thuissituatie bij de moeder hebben zich vaker escalaties voorgedaan waarbij de moeder de kinderen meermaals uit huis heeft gezet. De oma mz ving de kinderen in dergelijke situaties op. Het is vervolgens zo gegroeid dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geheel bij de oma verblijven. De oma mz wil de kinderen niet van de moeder afpakken. Zij wil graag weer de rol van oma vervullen.

6.De beoordeling

De ondertoezichtstelling
6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.2.
Uit de stukken en de mondelinge behandeling volgt dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Er bestaan grote zorgen over hun emotionele en fysieke veiligheid. De kinderen zijn opgegroeid in een onveilige opvoedomgeving, waarin sprake was van middelengebruik en van fysieke en verbale agressie tussen de ouders onderling en richting de kinderen. Het gezinssysteem wordt gekenmerkt door complexe problematiek en een verstoorde dynamiek. De ouders hebben nauwelijks contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daarnaast is de relatie tussen de moeder en de oma mz, bij wie [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven, verstoord. Hierdoor kunnen meerdere zaken rondom de kinderen niet worden geregeld. Deze ingrijpende gebeurtenissen hebben een weerslag op de kinderen, die allen zorgelijke signalen laten zien met betrekking tot hun emotieregulatie.
6.3.
Er zijn al meerdere hulpverleningsinstanties in het vrijwillig kader bij het gezin betrokken geweest, maar dit heeft niet tot de gewenste verandering geleid. Gelet op de duur en de complexiteit van de problematiek, is de moeder onvoldoende in staat gebleken om de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen zelfstandig weg te nemen met hulpverlening in het vrijwillig kader. Het is noodzakelijk dat er een jeugdbeschermer bij het gezin betrokken raakt die de regie voert en de juiste hulpverlening inzet. Voor de kinderen dient individuele hulpverlening ingezet te worden gericht op verwerking van de gebeurtenissen uit het verleden. Daarnaast moet onderzocht worden hoe zij hun schoolgang volledig kunnen hervatten. Ook voor de ouders is hulpverlening noodzakelijk zodat zij aan hun eigen trauma’s en problematiek kunnen werken en hun inzicht in de situatie kunnen versterken. Tevens moet onderzocht worden hoe contactherstel tussen de ouders, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kan plaatsvinden, evenals tussen de moeder en de oma mz. Van belang is dat de volwassenen die een belangrijke rol spelen in het leven van de kinderen, de strijdbijl begraven en leren samenwerken in het belang van de kinderen.
6.4.
De ondertoezichtstelling is daarom nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] onder toezicht tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot 10 november 2026. Ook stelt de kinderrechter [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht voor de duur van een jaar, te weten tot 8 mei 2027.
De machtiging tot uithuisplaatsing
6.5.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [2]
6.6.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven sinds november 2025 bij de oma mz, na aanhoudende escalaties in de thuissituatie met de moeder. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn bekend met de thuissituatie bij de oma mz en willen graag bij de oma mz blijven. De moeder wil dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer thuis komen wonen. Op dit moment hebben de moeder, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] echter nauwelijks contact met elkaar. Hierdoor wordt een terugplaatsing bij de moeder niet in hun belang geacht. Voordat de mogelijkheden van een terugplaatsing bij de moeder kunnen worden onderzocht, dient eerst passende hulpverlening te worden ingezet en gewerkt te worden aan contactherstel. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een netwerkpleeggezin, te weten bij de oma mz, verlenen tot 8 november 2026. Wel dient de aankomende periode onderzocht te worden of dit de juiste plek is voor de kinderen om op te groeien, omdat er zorgen zijn over de opvoedsituatie bij de oma mz. Van belang is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] duidelijkheid krijgen over de vraag waar zij kunnen opgroeien. Gezien de complexiteit van de situatie verwacht de kinderrechter dat het enige tijd zal kosten om duidelijkheid te verkrijgen over het perspectief van de kinderen. Een machtiging van kortere duur, zoals door de moeder is voorgesteld, acht de kinderrechter daarom niet passend.
6.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
stelt [minderjarige 1] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 8 mei 2026 tot 10 november 2026;
7.2.
stelt [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 8 mei 2026 tot 8 mei 2027;
7.3.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een netwerkpleeggezin, te weten bij de oma mz, met ingang van 8 mei 2026 tot 8 november 2026;
7.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026 door mr. S. Riege, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.T. van Ringelesteijn als griffier, en op schrift gesteld op 29 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.