De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van drie minderjarigen en een machtiging tot uithuisplaatsing van twee van hen bij hun oma. De procedure vond plaats op 8 mei 2026 met gesloten deuren, waarbij de moeder, vader, oma en vertegenwoordigers van de Raad en gecertificeerde instelling aanwezig waren.
De feiten tonen een complexe en onveilige opvoedsituatie met middelengebruik en agressie binnen het gezin. De moeder heeft het ouderlijk gezag, maar de relatie tussen haar en de oma is verstoord. Twee kinderen verblijven bij de oma, één bij de moeder. De kinderen vertonen zorgelijke signalen zoals emotionele problemen en gedragsproblemen.
De kinderrechter oordeelt dat aan de voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling en veiligheid van de kinderen. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend voor zes maanden bij de oma, ondanks zorgen over de opvoedsituatie daar, omdat terugplaatsing bij de moeder op dit moment niet in het belang van de kinderen is.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de duur van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is vastgesteld. De moeder stemt in met ondertoezichtstelling maar verzet zich tegen de duur van de uithuisplaatsing. De vader stemt in met ondertoezichtstelling maar verzet zich tegen uithuisplaatsing bij de oma. De oma benadrukt dat zij de kinderen niet wil afpakken maar opvangt vanwege escalaties in het gezin.