ECLI:NL:RBROT:2026:7141

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
C/10/718814 / JE RK 26-797
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.2 Jw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige ter stabilisatie en behandeling

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en jeugdreclassering om een machtiging te verlenen voor gesloten jeugdhulp aan een minderjarige die momenteel verblijft op een open woongroep. De minderjarige kan daar niet langer blijven omdat de juiste hulp niet geboden kan worden. De GI wil de minderjarige plaatsen bij een gesloten jeugdhulpinstelling om stabilisatie en behandeling mogelijk te maken.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, waren de minderjarige, haar moeder en een vertegenwoordiger van de GI aanwezig. De stiefvader was opgeroepen maar niet verschenen. De minderjarige droeg een gedicht voor waarin zij haar gevoelens van onmacht en eenzaamheid uitte. Zowel de minderjarige als haar moeder voerden geen verweer tegen het verzoek. De moeder benadrukte het belang van schoolhervatting, het terugwinnen van autonomie van de minderjarige en het vinden van een passende plek na de gesloten plaatsing.

De kinderrechter erkende de moeilijke situatie van de minderjarige en het tekortschieten van de hulpverlening. Gezien de oplopende incidenten zoals zelfbeschadiging en suïcidepogingen achtte de kinderrechter een gesloten plaatsing noodzakelijk. De machtiging wordt verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 25 augustus 2026, met het oog op stabilisatie en behandeling bij de gesloten instelling. De kinderrechter benadrukte het belang van betrokkenheid van de minderjarige en haar moeder bij de besluitvorming en het maken van een concreet toekomstplan.

Uitkomst: Machtiging verleend voor gesloten jeugdhulp tot 25 augustus 2026 wegens noodzakelijke stabilisatie en behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/718814 / JE RK 26-797
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. A. van ’t Hek, kantoorhoudende te Dordrecht.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M. Nentjes, kantoorhoudende te Rotterdam,
[stiefvader] ,
hierna te noemen: de stiefvader, wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de GI van 22 april 2026 met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 24 april 2026;
  • de instemmende verklaring van de onafhankelijke van de gedragswetenschapper van 29 april 2026, binnengekomen bij de rechtbank op 6 mei 2026;
  • het gedicht door [minderjarige] voorgedragen ter zitting en later overgelegd.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] , bijgestaan door haar advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger] .
1.3.
De stiefvader is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de stiefvader wel juist is opgeroepen.
1.4.
Bijzondere toegang is verleend aan mr. B.J.N. Deckers, een kantoorgenoot van mr. Nentjes.
1.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover voorafgaand aan de zitting in het bijzijn van haar advocaat een gesprek gevoerd met de kinderrechter.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft op een open groep van [woongroep] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 augustus 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 25 augustus 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 februari 2026 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 25 augustus 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek en licht het ter zitting als volgt toe. Er is sprake van een verdrietige situatie. [minderjarige] kan niet langer bij [woongroep] blijven en zij hebben een einddatum ingesteld. Dit ligt niet aan het gedrag van [minderjarige] , maar omdat het [woongroep] niet lukt [minderjarige] de juiste hulp te bieden. [minderjarige] kan terugkeren naar [zorginstelling 1] , maar om dit in gang te zetten moet eerst een gesloten machtiging worden afgegeven. Het is nog onbekend wanneer [minderjarige] precies bij [zorginstelling 1] terecht kan. Gelukkig wil [zorginstelling 2] [minderjarige] ter overbrugging opvangen, maar met de randvoorwaarde dat zij 1 op 1-begeleiding krijgt. Alles wordt nu in gang gezet om dit te regelen. Helaas kan [zorginstelling 2] [minderjarige] geen onderwijs, dagbesteding of hulpverlening bieden. Desgevraagd zou [minderjarige] bij [zorginstelling 2] terecht kunnen met de reeds afgegeven open machtiging, maar om ervoor te zorgen dat zij zo snel mogelijk bij [zorginstelling 1] terecht kan, is een gesloten machtiging nodig. De GI betreurt dat een gesloten plaatsing op dit moment de enige optie is en de GI gunt dit [minderjarige] niet. De GI gaat de aankomende periode op zoek naar een passende plek voor [minderjarige] . Intussen is het belangrijk dat [minderjarige] de steun van haar moeder en familie, die zo nauw bij haar betrokken zijn, blijft krijgen.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens [minderjarige] wordt geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. [minderjarige] wil liever niet gesloten worden geplaatst, maar bij [zorginstelling 1] begrijpen ze haar beter en hebben ze begrip voor haar problemen. De overstap naar [zorginstelling 2] vindt [minderjarige] spannend, maar na het zien van de foto’s van de kamer heeft zij vertrouwen in de plaatsing.
4.2.
Ter zitting wordt door [minderjarige] een gedicht voorgedragen en overgelegd. De kinderrechter citeert hieruit als volgt:
“ Ik ben een mier. Zo sta ik tenminste wel beschreven op papier.
Hun zijn de reuzen, daardoor heeft mier geen keuze. De reuzen zijn sterk, groot en doen mier pijn.
Fysiek en mentaal waardoor mier denkt dit hoort zo toch niet te zijn? Mier is klein en heeft niet zo’n harde stem.
Daardoor zit ze nu klem. Want hoe moet ze nou verder?
Mier voelt zich alleen nooit op haar gemak of überhaupt goed. Daardoor vinden de reuzen dat ze opgesloten moet.
Maar mier weet zelf ook dat ze zich niet goed uit, en dat zegt ze ook altijd even luid. Maar mier is zo klein dat niemand haar hoort of ziet. Of enigszins goede zorg biedt.”
4.3.
Door en namens de moeder wordt ter zitting geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De komende periode moet onderzocht worden wat [minderjarige] nodig heeft en moet er aan drie punten worden gewerkt. Ten eerste is het van belang dat [minderjarige] , na haar overgang van [zorginstelling 2] naar [zorginstelling 1] , haar schoolgang weer hervat en behandeling krijgt. Ten tweede moet [minderjarige] , die ontzettend veel heeft meegemaakt, haar autonomie terugkrijgen. [minderjarige] moet zelf ook een stem krijgen en er dient niet enkel over haar te worden beslist. Ten derde moet [minderjarige] een stip op de horizon krijgen. Met alle betrokkenen moet naar een passende plek worden gezocht waar [minderjarige] naartoe kan na haar verblijf bij [zorginstelling 1] . Voor de volgende zitting is het belangrijk dat er een concreet plan ligt waarbij alle mogelijkheden zijn onderzocht. Om opnieuw een faalervaring voor [minderjarige] te voorkomen, moet een plek worden gevonden waar [minderjarige] ook kan blijven als het mis gaat en waar zij haar leven kan opbouwen. De moeder wenst meer betrokken te worden bij de besluitvorming rondom [minderjarige] . Zij moet niet langer buiten spel worden gezet en de advocaat ziet een rol voor zichzelf weggelegd om dit te ondersteunen. De advocaat van de moeder verzoekt de kinderrechter in de beschikking op te nemen dat wanneer [minderjarige] bij [zorginstelling 1] wordt geplaatst, er alles aan gedaan wordt dat zij weer op haar oude groep wordt geplaatst, groep 9.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter richt zich tot [minderjarige] .
[minderjarige] , de kinderrechter vindt het allereerst heel knap en moedig dat jij een gedicht hebt geschreven en deze op zitting hebt durven voorlezen. Je zit in een lastige situatie. Je verblijft nu bij [woongroep] , maar daar ben je niet op je plek. Helaas kunnen zij jou daar niet de hulp bieden die jij nodig hebt en verwacht. Je hebt stappen in de goede richting gezet en tegelijkertijd zijn er grote zorgen over hoe het met jou gaat en de oplopende incidenten die zich uiten in zelfbeschadiging en suïcidepogingen. De kinderrechter wil benadrukken dat dit niet aan jou ligt, maar dat dit een tekortkoming van de hulpverlening is. De kinderrechter heeft goed naar je geluisterd en begrijpt dat jij voor een korte periode terug wilt naar [zorginstelling 1] , omdat jij je daar wel begrepen voelt. Vanuit daar hoop je het liefst weer naar huis te kunnen gaan, zodat je jouw leven weer kan oppakken.
5.2.
Tijdens de zitting heeft de kinderrechter van iedereen gehoord hoe zij vinden dat het met jou gaat en wat er volgens hen de komende tijd moet gebeuren. [persoon A] , je moeder, [persoon B] en [persoon C] zijn het er allemaal over eens dat het verstandig is dat jij de komende tijd weer bij [zorginstelling 1] verblijft. Hier kan je weer tot rust komen. Met een duur woord noemen we dat ook wel ‘stabiliseren’. Helaas is er op dit moment nog geen plek voor jou bij [zorginstelling 1] . De kinderrechter spreekt de hoop uit dat er zo snel mogelijk een plek voor jou beschikbaar komt. Tot die tijd kan je bij [zorginstelling 2] verblijven waar je 1 op 1-begeleiding krijgt. Je hebt aangegeven dat je deze overgang spannend vindt. Tegelijkertijd is het positief dat je, na het zien van de foto’s, een goed gevoel hebt gekregen bij deze plek. De kinderrechter begrijpt dat het voor jou heel belangrijk is om, als je teruggaat naar [zorginstelling 1] , op je oude groep terecht komt : groep 9. De kinderrechter kan dit helaas niet bepalen, maar vraagt wel uitdrukkelijk aan de hulpverlening om met jouw wens rekening te houden. Als je op een nieuwe groep wordt geplaatst, voelt dat namelijk voor jou als een volledig nieuwe plaatsing. Dat brengt veel spanning met zich mee.
5.3.
De kinderrechter kan zich vinden in de drie punten waar de komende tijd aan gewerkt moet worden. Allereerst is het belangrijk dat wanneer je weer bij [zorginstelling 1] verblijft, je behandeling krijgt en weer naar school gaat. Je hebt zelf ook verteld dat school erg belangrijk voor je is en dat je daar altijd met plezier naartoe ging. Daarnaast is het van belang dat jij meer autonomie krijgt, zoals [persoon C] dat met een moeilijk woord noemde. Dat betekent dat beslissingen samen met jou worden genomen en niet alleen over jou. Zo heb je niet langer het gevoel dat je een mier bent in een wereld vol met reuzen. Het is belangrijk dat de reuzen met de mier gaan samenwerken. Tot slot moet er worden gezocht naar een plek waar jij naartoe kan nadat je bij [zorginstelling 1] tot rust bent gekomen. Dat moet een plek zijn waar je langere tijd kan blijven en je leven verder kan opbouwen. De kinderrechter vindt het heel belangrijk dat er zo snel mogelijk een duidelijk plan voor jou wordt gemaakt, zodat je weet waar je aan toe bent. Ook is het belangrijk dat niet alleen jij, maar ook je moeder meer wordt betrokken bij beslissingen die over jou gaan. De kinderrechter voegt aan deze drie punten ook toe dat het van belang is dat, waar mogelijk en verantwoord, bij plaatsing in [zorginstelling 1] wordt gekeken naar de opbouw jouw vrijheden.
5.4.
De kinderrechter vindt het erg mooi om te zien dat jij wordt omringd door mensen die heel veel om jou geven, met je meevoelen en graag het beste voor jou willen. Zo heb je een moeder die voor je klaar staat en [persoon A] , jouw jeugdbeschermer, die ontzettend haar best doet om alles zo goed mogelijk voor jou te regelen, ook al is dat niet altijd makkelijk. Gelukkig zijn [persoon C] en [persoon B] er ook om daarbij te helpen. De kinderrechter hoopt dat de mier de komende tijd nog sterker wordt, zich meer gehoord voelt en de ruimte krijgt om zich verder te ontwikkelen. Ook hoopt de kinderrechter dat er een tijd aanbreekt waarin jij je weer goed voelt. Dat gunt de kinderrechter jou van harte.
5.5.
Gezien het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat een gesloten plaatsing noodzakelijk is. Er spelen op dit moment veel dingen die jouw ontwikkeling naar volwassenheid belemmeren. Daarom is een gesloten plaatsing nodig, zodat jij de hulp krijgt die je nodig hebt. Op dit moment is er geen minder ingrijpende mogelijkheid is om de situatie te verbeteren. [1] De kinderrechter geeft de jeugdbescherming daarom toestemming om jou gesloten te plaatsen bij [zorginstelling 1] voor de duur van de ondertoezichtstelling, tot 25 augustus 2026.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 2 juni 2026 tot 25 augustus 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.T. van Ringelesteijn als griffier, en op schrift gesteld op 12 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).