ECLI:NL:RBROT:2026:7144

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
C/10/700401 / HA ZA 25-437
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:759 lid 2 BWArt. 6:96 lid 2 BWArt. 6:119 BWArt. 6:233 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aannemer aansprakelijk voor gebreken en herstelkosten bij maatwerkmeubelen en verbouwing cosmetische kliniek

Cleo Clinics Holding B.V. gaf opdracht aan een aannemer voor maatwerkmeubelen en verbouwing van een cosmetische kliniek. Na oplevering constateerde Cleo gebreken, bevestigd door twee partijdeskundigen. Cleo vorderde vervangende schadevergoeding op basis van herstelkosten en stelde dat het werk niet voldeed aan de impressietekeningen die vooraf waren verstrekt.

De rechtbank oordeelde dat de impressietekeningen weliswaar deel uitmaken van de overeenkomst, maar slechts een globale indruk geven van het eindresultaat. De aannemer was tekortgeschoten in de nakoming door het leveren van ondeugdelijk werk met diverse gebreken. Cleo mocht de herstelverplichting omzetten in een verbintenis tot schadevergoeding, die de rechtbank schatte op € 45.000.

Cleo's vorderingen tot vergoeding van indirecte schade zoals winstderving werden afgewezen op grond van een aansprakelijkheidsbeperking in de algemene voorwaarden. De vordering tot terugbetaling van teveel gefactureerde bedragen werd eveneens afgewezen, omdat de aannemer een vaste aanneemsom had geoffreerd en de opdrachtgever nog een deel van de factuur moest betalen.

In reconventie vorderde de aannemer betaling van de resterende aanneemsom, die deels werd toegewezen. De rechtbank veroordeelde partijen tot betaling van proceskosten en rente en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De aannemer wordt veroordeeld tot betaling van vervangende schadevergoeding en kosten, terwijl de opdrachtgever een deel van de openstaande factuur moet betalen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/700401 / HA ZA 25-437
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
CLEO CLINICS HOLDING B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Cleo,
advocaat: mr. Ö. Kenç,
tegen
[gedaagde],
gevestigd te Strijen,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. C.J.H. Anker.

1.De zaak in het kort

[gedaagde] heeft voor Cleo maatwerkmeubelen gemaakt en een cosmetische kliniek verbouwd. Cleo meent dat zij niet heeft gekregen wat zij op grond van impressietekeningen mocht verwachten en ook dat het werk gebreken vertoont. Cleo vordert vervangende schadevergoeding. [gedaagde] vordert op haar beurt betaling van de slotfactuur voor de door haar verrichte werkzaamheden. De rechtbank veroordeelt [gedaagde] tot het betalen van vervangende schadevergoeding en Cleo tot het betalen van een deel van de slotfactuur.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in het incident van 25 maart 2026 en de daarin genoemde stukken;
- de akte houdende een wijziging en vermeerdering van de eis van Cleo van 7 april 2026;
- de akte overlegging producties van Cleo van 13 mei 2026 met producties 41-50;
- de spreekaantekeningen van Cleo en [gedaagde] voor de mondelinge behandeling van 3 juni 2026.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Cleo drijft een onderneming die zich bezig houdt met het uitvoeren van cosmetische behandelingen, zoals botox- en fillerbehandelingen.
3.2.
[gedaagde] drijft een aannemingsbedrijf dat zich bezig houdt met onder meer interieurbouw. [naam] is indirect, via [bedrijf], bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde].
3.3.
Op 26 april 2023 heeft [gedaagde] na een intakegesprek een eerste offerte uitgebracht voor de bouw van maatmeubelen voor en de verbouwing van een cosmetische kliniek van Cleo in Rotterdam. Bij deze offerte heeft [gedaagde] impressietekeningen (“3D Artist Impressions”) verstrekt waarop te zien is hoe de kliniek er na de verbouwing uit zal zien.
3.4.
Op 29 juni 2023 heeft [gedaagde] een aangepaste offerte uitgebracht. Cleo heeft die offerte op dezelfde datum aanvaard. Hierdoor is tussen partijen een aannemingsovereenkomst tot stand gekomen, waarin onder meer staat dat de aanneemsom wordt berekend op € 88.774,00 (exclusief btw), dat oplevering plaatsvindt op 1 oktober 2023 en ook dat de algemene voorwaarden van [gedaagde] van toepassing zijn.
3.5.
Artikel 13 lid 3 van Pro de algemene voorwaarden van [gedaagde] luidt:
“13.3. Niet voor vergoeding in aanmerking komt:
a. indirecte schade, waaronder maar niet beperkt tot bedrijfsschade waaronder bijvoorbeeld stagnatieschade en gederfde winst;
(…)”
3.6.
Op 4 juli 2023 heeft Cleo een bedrag van € 53.708,27 (inclusief btw) aanbetaald.
3.7.
Op 5 september 2023 is [gedaagde] met de werkzaamheden begonnen. Op 12 september 2023 heeft [gedaagde] technische tekeningen aan Cleo verstrekt.
3.8.
Op 3 oktober 2023 hebben partijen het pand waarin de kliniek van Cleo is gevestigd bezocht met het oog op de oplevering.
3.9.
Op 4 oktober 2023 heeft [gedaagde] Cleo een lijst met opleverpunten gestuurd. Cleo heeft op die lijst gereageerd.
3.10.
Op 12 oktober 2023 heeft [gedaagde] Cleo een nacalculatie gestuurd. De aanneemsom bedroeg volgens die nacalculatie € 93.423,00 exclusief btw. Dat is € 113.041,83 inclusief btw. [gedaagde] heeft € 107.416,56 inclusief btw gefactureerd. Zij maakt aanspraak op een bedrag van € 5.625,29 inclusief btw op grond van de nacalculatie dat zij nog niet heeft gefactureerd.
3.11.
Cleo heeft op de facturen van [gedaagde] in totaal een bedrag van € 93.989,48 inclusief btw betaald. De slotfactuur van € 13.427,07 heeft Cleo onbetaald gelaten. Cleo heeft ook het bedrag van de nacalculatie betwist.
3.12.
Op 15 oktober 2023 heeft Cleo aan [gedaagde] een eigen lijst van oplevergebreken met foto’s gestuurd. Het betreft een PDF van 90 pagina’s.
3.13.
Bij brief van 6 november 2023 heeft een jurist van de VvAA namens Cleo [gedaagde] gesommeerd om de gebreken in de lijst van Cleo te herstellen binnen 14 dagen bij gebreke waarvan Cleo de verbintenis om de gebreken te herstellen zal omzetten in een verbintenis om vervangende schadevergoeding te betalen. De lijst van gebreken van Cleo van 15 oktober 2023 is als bijlage bij de brief gevoegd.
3.14.
Op 10 december 2023 heeft [gedaagde] geschreven dat zij de opleverpunten waarover geen discussie bestaat wil herstellen.
3.15.
Bij email van 20 december 2023 heeft de VvAA [gedaagde] geschreven dat Cleo instemt met herstel van de erkende opleverpunten, mits er een plan van aanpak komt opdat de bedrijfsvoering van Cleo zo min mogelijk wordt gehinderd.
3.16.
Bij email van 17 januari 2024 heeft [gedaagde] aan het herstel van de erkende opleverpunten de voorwaarde verbonden dat na dat herstel de slottermijn van € 13.427,07 betaald moet worden en dat Cleo voor “meerwerk” (bedoeld is: de extra aanneemsom als gevolg van de nacalculatie) zal betalen. Cleo is hiermee niet akkoord gegaan.
3.17.
Op 22 mei 2024 heeft een bespreking plaatsgevonden in de kliniek van Cleo. [naam] nam deel aan die bespreking samen met een jurist van DAS Rechtsbijstand. Cleo had bijstand van een jurist van de VvAA. Het doel van de bespreking was om een minnelijke regeling te beproeven. [naam] is tijdens die bespreking boos weggelopen.
3.18.
Op 29 mei 2024 heeft de VvAA namens Cleo een brief gestuurd met de strekking dat zij de verbintenis van [gedaagde] omzet in een verbintenis tot het betalen van vervangende schadevergoeding. Cleo heeft aangekondigd een deskundige opdracht te zullen geven om de gebreken en de herstelkosten vast te stellen.
3.19.
Cleo heeft Dekra opdracht verleend om het werk van [gedaagde] te onderzoeken. Op 15 augustus en op 16 september 2024 heeft de deskundige van Dekra de kliniek van Cleo bezocht. [naam] is namens [gedaagde] bij het eerste bezoek van Dekra aanwezig geweest.
3.20.
Op 28 oktober 2024 heeft Dekra gerapporteerd. Dekra heeft gebreken geconstateerd aan onder meer stucwerk, de tegelvloer en de PVC-vloer op de eerste verdieping. In totaal rapporteerde Dekra 26 gebreken die het gevolg zijn van ondeugdelijk werk van [gedaagde]. Dekra begroot de herstel- en vervangingskosten op een bedrag van € 51.350,00 inclusief btw. Dekra heeft ook gerapporteerd dat het geoffreerde lichtplan niet is geleverd, dat betwijfeld wordt of bouwbegeleiding heeft plaatsgevonden en ook dat wat [gedaagde] tot stand heeft gebracht qua uitstraling, esthetische kwaliteit en omvang van de inrichting niet is wat Cleo mocht verwachten op basis van de impressietekeningen.
3.21.
Bij brief van 21 november 2024 heeft de VvAA namens Cleo het rapport van Dekra aan DAS gestuurd en heeft zij [gedaagde] gesommeerd om te bevestigen dat de schade van Cleo zal worden vergoed en ook om het bedrag van € 51.350,00 vermeerderd met de kosten van Dekra bij wijze van voorschot te betalen.
3.22.
[gedaagde] heeft een eigen deskundige opdracht gegeven om het werk te onderzoeken. Uit het rapport van 2 juli 2025 van ZNEB volgt dat ZNEB de meeste gebreken bevestigt. ZNEB begroot de herstelkosten op een bedrag van € 32.524,00.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
Cleo vordert - samengevat en na vermeerdering van de eis - om [gedaagde] te veroordelen om € 126.368,80, althans € 51.350,00 te betalen als (vervangende) schadevergoeding en een bedrag van € 28.883,00 voor ten onrechte gefactureerde bedragen, alsmede verklaringen voor recht, kosten voor het vaststellen van de schade, incassokosten, rente, beslag- en proceskosten. De eis omvat acht primair gevorderde onderdelen, genummerd van I tot en met VIII en elf subsidiair gevorderde onderdelen, genummerd van I tot en met XI. Bij de bespreking van de hoofdvorderingen houdt de rechtbank die nummering aan.
4.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Cleo, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Cleo, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Cleo in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.4.
[gedaagde] vordert - samengevat – om Cleo te veroordelen tot het betalen van € 19.052,36 (de resterende aanneemsom) en – na vermeerdering van haar eis - € 1.459,62 (als vergoeding voor de kosten van een bankgarantie) met rente en kosten.
4.5.
Cleo voert verweer. Cleo concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

in conventie
Cleo heeft geen recht op een werk dat geheel aan de impressietekeningen beantwoordt
5.1.
De primaire vordering in conventie onder I strekt ertoe dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 126.368,80. De subsidiaire vordering van Cleo onder V strekt ertoe dat de rechtbank voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is voor schade gelijk aan het bedrag dat nodig is om de kliniek van Cleo in overeenstemming te brengen met de impressietekeningen van [gedaagde].
5.2.
Cleo heeft hiertoe het volgende gesteld. Cleo is tot het aanvaarden van de offerte van 29 juni 2023 bewogen door de impressietekeningen. Die tekeningen maken daarom deel uit van de aannemingsovereenkomst. Cleo mocht verwachten dat de kliniek er na de verbouwing uit zou zien als op die tekeningen, althans dat [gedaagde] een “totaalconcept zou [leveren]: een
boutiquekliniek waarin ontwerp, uitstraling, afwerking en functionaliteit samenkomen”. De impressietekeningen zijn “het overeengekomen eindbeeld”. [gedaagde] heeft dat overeengekomen eindbeeld niet geleverd en zij is daardoor tekortgekomen in de nakoming van de aannemingsovereenkomst. Volgens de offerte van The Renovation kost het € 126.368,80 om dat eindbeeld tot stand te brengen en dat bedrag is haar schade, aldus Cleo.
5.3.
[gedaagde] heeft betwist dat de impressietekeningen onderdeel zijn van de aannemingsovereenkomst. Die tekeningen zijn aan Cleo zijn verstrekt, opdat zij weet wat zij ongeveer kan verwachten. De technische tekeningen en niet de impressietekeningen zijn de basis voor het uitvoeren van de opdracht. Bovendien heeft Cleo de opdracht ten opzichte van de impressietekeningen ingrijpend gewijzigd, aldus [gedaagde].
5.4.
De rechtbank oordeelt als volgt. De inhoud van de aannemingsovereenkomst tussen Cleo en [gedaagde] volgt niet alleen uit wat er is opgeschreven. Het komt er ook op aan hoe partijen die overeenkomst mochten begrijpen en wat zij redelijkerwijs van elkaar konden verwachten. Daarbij kan ook van belang zijn wat de achtergrond is van partijen en welke rechtskennis van hen kan worden verwacht. In de aannemingsovereenkomst staat niets over de impressietekeningen, dus een taalkundige uitleg biedt geen aanknopingspunt. Naar het oordeel van de rechtbank maken de impressietekeningen wel deel uit van de aannemingsovereenkomst, omdat zij samen met de offerte zijn verstrekt en ook volgens [gedaagde] invulling geven aan wat Cleo van het werk mocht verwachten. Het gaat echter, zoals het woord al zegt, om een “impressie”. Dat betekent dat Cleo wel mocht verwachten dat de uitstraling en het niveau van afwerking van het werk globaal met de impressietekening overeenkomen, maar niet dat de werkelijkheid na afronding van het werk tot in detail met de impressietekening overeenstemt. Cleo heeft onvoldoende concreet gesteld dat het herstel van de gebreken die door Dekra en ZNEB zijn vastgesteld (zie hierna) onvoldoende is om de kliniek voor wat betreft uitstaling en afwerking in overeenstemming te brengen met wat Cleo mocht verwachten. Daarbij neemt de rechtbank ook in overweging dat de offerte van The Renovation werkzaamheden omvat die geen onderdeel waren van de opdracht aan [gedaagde], zoals het aanbrengen van een tochtportaal. Dat tochtportaal staat weliswaar op de impressietekeningen, maar de bouw ervan maakt geen deel uit van de offerte. [gedaagde] heeft gesteld dat de opdracht ten opzichte van de impressietekeningen ingrijpend is gewijzigd. Cleo heeft dat niet betwist. De impressietekeningen zijn daarom achterhaald en aan de details ervan komt daarom geen betekenis meer toe.
5.5.
De slotsom is dat de rechtbank de vorderingen van Cleo onder Primair I en Subsidiair V zal afwijzen.
[gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst
5.6.
De subsidiaire vordering in conventie onder I strekt ertoe dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het betalen van een (vervangende) schadevergoeding van € 51.350,00. Cleo heeft hiertoe het volgende gesteld. Het werk van [gedaagde] vertoont gebreken. Cleo heeft [gedaagde] gesommeerd om die gebreken te herstellen en zij heeft [gedaagde] hiertoe in gebreke gesteld. [gedaagde] heeft de gebreken niet hersteld. [gedaagde] is ten aanzien van alle gebreken in verzuim. Omdat [gedaagde] de gebreken niet heeft hersteld, mocht Cleo de verbintenis van [gedaagde] omzetten in een verbintenis tot het vergoeden van vervangende schadevergoeding. Dat heeft Cleo bij brief van 29 mei 2024 gedaan. De gevorderde schadevergoeding van € 51.350,00 is het bedrag van de herstelkosten volgens het rapport van Dekra.
5.7.
[gedaagde] heeft een deel van de gebreken betwist en heeft een deel van de gebreken erkend. [gedaagde] heeft betwist dat zij met betrekking tot de erkende gebreken schadeplichtig is. Zij heeft in dit verband het volgende aangevoerd. Voor zover [gedaagde] in gebreke is gesteld, is dat niet gebeurd ten aanzien van alle gebreken die in het rapport van Dekra staan. [gedaagde] is bovendien steeds bereid geweest om de (oplever)gebreken die zij heeft erkend te herstellen. Cleo heeft het herstel onmogelijk gemaakt. Daardoor is het verzuim van [gedaagde] niet ingetreden en kon Cleo de verbintenis tot herstel niet omzetten.
5.8.
De rechtbank oordeelt als volgt. Het werk is op 3 oktober 2023 opgeleverd. Dat sprake is van (oplever)gebreken is niet in geschil. Over het bestaan van gebreken in het aangenomen werk zijn ook de deskundigen, Dekra en ZNEB, het goeddeels eens. Beide deskundigen hebben gebreken geconstateerd aan stucwerk, schilderwerk, maatwerkmeubelen, plinten, tegelvloer, verlichting, Sonos-speakers, wegwerken van leidingen, PVC-vloer, leidingwerk en kitwerk. Dekra en ZNEB verschillen van inzicht op ondergeschikte punten, die meer te maken hebben met de inhoud van de aannemingsovereenkomst dan met de kwaliteit van het werk: mocht Cleo inbouwwandcontactdozen verwachten of moest zij genoegen nemen met opbouwdozen; mocht Cleo een tochtportaal verwachten; was het leggen van een droogloopmat overeengekomen. De gebreken in het rapport van Dekra (productie 18 van Cleo) genoemd op pagina 3 onder de letters a, b, c, d, e, g, h, j, l, m, o, p, q, r, s, t, u, v, w, x, y en z staan op grond van de twee deskundigenrapporten voldoende vast. Dit betekent dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst. Op grond van artikel 7:759 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) kon Cleo verlangen dat [gedaagde] de gebreken zou wegnemen. [gedaagde] heeft de gebreken niet hersteld.
5.9.
[gedaagde] is ten aanzien van haar verplichting tot het herstellen van deze vaststaande gebreken in verzuim geraakt en schadeplichtig geworden. De ingebrekestelling van Cleo van 6 november 2023 ging vergezeld van foto’s en een opsomming van gebreken die nadien zijn aangevuld met de bevindingen van Dekra. In zoverre heeft [gedaagde] gelijk dat zij niet ten aanzien van alle vaststaande gebreken in gebreke is gesteld. Dat kan haar echter niet baten. Nadat [gedaagde] het rapport van Dekra had ontvangen heeft Cleo haar opnieuw gelegenheid geboden om de gebreken te herstellen. [gedaagde] heeft daaraan voorwaarden verbonden die Cleo niet hoefde te accepteren, zoals het betalen van een meerprijs die volgens Cleo niet was overeengekomen. Tijdens de bespreking op 22 mei 2024, waarin besproken zou worden wat [gedaagde] zou herstellen en wanneer, is [naam] boos weggelopen. Uit deze mededelingen en gedragingen van [gedaagde] mocht Cleo afleiden dat [gedaagde] niet tot herstel zou overgaan. [gedaagde] was daardoor in ieder geval vanaf 22 mei 2024 in verzuim. Cleo mocht de verbintenis van [gedaagde] tot herstel bij brief van 29 mei 2024 omzetten in een verbintenis tot het betalen van vervangende schadevergoeding.
5.10.
De schade bestaat uit de kosten die Cleo zal moeten maken om de gebreken door een of meer derden te laten herstellen. Dekra raamt de kosten van herstel op € 51.350,00. ZNEB raamt die kosten op € 32.524,00. Het verschil wordt voor een deel verklaard doordat ZNEB niet alle gebreken die Dekra heeft vastgesteld onderschrijft. Voor een ander deel is geen verklaring gegeven. De rechtbank kan de omvang van de schade daardoor niet nauwkeurig vaststellen en zij zal de schade daarom schatten op een bedrag van € 45.000,00. [gedaagde] wordt veroordeeld om dit bedrag aan Cleo te betalen.
Geen vergoeding voor winst- en omzetschade
5.11.
Met haar primaire vordering in conventie onder III en subsidiaire vordering in conventie onder VI beoogt Cleo voor recht te laten verklaren dat [gedaagde] aansprakelijk is voor alle winst- en omzetderving van Cleo als gevolg van de herstelwerkzaamheden. [gedaagde] heeft die vordering met een beroep op artikel 13 lid 3 van Pro haar algemene voorwaarden bestreden.
5.12.
De rechtbank wijst deze vorderingen van Cleo af. Het gaat om indirecte schade die op grond van de algemene voorwaarden van [gedaagde] van vergoeding is uitgesloten. Cleo heeft niet betwist dat deze voorwaarden onderdeel zijn van de aannemingsovereenkomst. Cleo heeft wel een beroep gedaan op (de reflexwerking van) artikel 6:233 lid 1 BW Pro. Anders dan Cleo heeft betoogd, is zij geen consument en dient zij ook niet aan een consument gelijk gesteld te worden, omdat haar onderneming klein is en zij zwaar door de herstelwerkzaamheden wordt geraakt. Een beperking van de aansprakelijkheid zoals hier aan de orde is niet ongebruikelijk. Cleo heeft desgevraagd bevestigd dat ook zij gebruik maakt van algemene voorwaarden waarin een beperking van de aansprakelijkheid is opgenomen. Dat een aannemer indirecte schade niet mag uitsluiten, vindt in het recht geen steun. Het beding is al met al niet onredelijk bezwarend. Het is ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [gedaagde] op deze bepaling een beroep doet. De stelling dat [gedaagde] opzettelijk of bewust roekeloos schade heeft veroorzaakt, heeft Cleo op geen enkele manier onderbouwd. Van omstandigheden die het beroep op de aansprakelijkheidsbeperking onaanvaardbaar maken, is niet gebleken.
[gedaagde] hoeft de aanneemsom niet gedeeltelijk aan Cleo terug te betalen
5.13.
Cleo vordert dat [gedaagde] € 28.883,00 exclusief btw terugbetaalt (primair en subsidiair in conventie onder II). Zij heeft hiertoe het volgende gesteld. De aanneemsom bedroeg volgens de offerte van 29 juni 2023 € 88.774,00 exclusief btw. De offerte had betrekking op maatwerkmeubelen, een lichtplan, bouwwerkzaamheden en projectkosten. Voor de maatwerkmeubelen heeft [gedaagde] € 5.883,00 teveel in rekening gebracht; het lichtplan van € 8.500,00 heeft Cleo niet gekregen en ook dat bedrag is ten onrechte in rekening gebracht; voor de bouwwerkzaamheden rekende [gedaagde] € 14.500,00 teveel. Die bedragen tellen op tot € 28.883,00 exclusief btw. [gedaagde] heeft dit bedrag teveel gefactureerd, aldus Cleo.
5.14.
[gedaagde] betwist dat zij teveel heeft gerekend. De offerte omvatte diverse stelposten. De bouwkosten zijn hoger uitgevallen, omdat de staat van het pand waarin de kliniek van Cleo is gevestigd slechter bleek dan waarvan [gedaagde] uitging bij het uitbrengen van haar offerte. Juist daarom worden stelposten gehanteerd. Op grond van artikel 7.1 van de algemene voorwaarden is [gedaagde] gerechtigd om de prijs te wijzigen. Bovendien heeft Cleo de facturen van [gedaagde] niet volledig betaald, zodat terugbetaling niet aan de orde is.
5.15.
De rechtbank oordeelt als volgt. De offerte van 29 juni 2023 omschrijft de verschillende werken en werkzaamheden en noemt daarvoor steeds een prijs. Bij vijf werken heeft [gedaagde] een bedrag genoemd onder vermelding “stelpost” (bar/balie, loungehoek, roomdivider, bespreektafel en lichtplan). Bij de overige werken en werkzaamheden staat alleen een prijs. Voor de bouwwerkzaamheden heeft [gedaagde] geen stelposten opgenomen. De offerte telt op tot een bedrag van € 88.774,00 exclusief btw.
5.16.
[gedaagde] heeft bij email van 29 juni 2023 aan Cleo geschreven:
“De bouwbedragen die in mijn offerte staan zijn extreem laag en ik neem het risico het daarvoor te kunnen doen. (…)”
5.17.
Op grond van een redelijke uitleg van de aannemingsovereenkomst en de email van 29 juni 2023 mocht Cleo verwachten dat uitsluitend de prijs die zij moest betalen voor de werkzaamheden die als stelpost zijn aangemerkt nog kon wijzigen. Voor de werkzaamheden die niet als stelpost waren aangemerkt, heeft [gedaagde] een vaste aanneemsom geoffreerd. Alle werkzaamheden die [gedaagde] als stelposten heeft aangemerkt, zijn na nacalculatie (iets) lager uitgevallen dan geoffreerd (productie 18.7 van [gedaagde]). Dat geldt ook voor het lichtplan. Weliswaar heeft Cleo geen plan gekregen (in de zin van lichtontwerp), maar onder de noemer “lichtplan” heeft Cleo wel verlichtingsarmaturen voor een bedrag van € 6.930,00 ontvangen. Indien de stelposten worden herberekend op het lagere bedrag na nacalculatie en de overige posten worden gehandhaafd op het geoffreerde bedrag dan is de prijs die Cleo voor de werkzaamheden moet betalen € 84.922,00 exclusief btw. Dat is weergegeven in de tabel hieronder (alles exclusief btw).
Werk
Offerte
Nacalculatie
Maatwerk meubelen
€ 28.154,00
€ 25.872,00
Lichtplan
€ 8.500,00
€ 6.930,00
Bouwwerk
€ 43.290,00
€ 43.290,00
Projectkosten
€ 8.830,00
€ 8.830,00
Totaal
€ 88.774,00
€ 84.922,00
Betaald
€ 77.677,26
Saldo (nog aan [gedaagde] te betalen)
€ 7.244,74
5.18.
Bij het begroten van haar vordering van € 28.883,00 is Cleo er kennelijk vanuit gegaan dat zij het gehele bedrag van de factuur van € 88.774,00 exclusief btw/ € 107.416,56 inclusief btw daadwerkelijk heeft betaald. Dat is niet het geval. Cleo heeft in totaal een bedrag van € 77.677,26 exclusief btw/ € 93.989,48 inclusief btw betaald. De slotfactuur van € 13.427,07 heeft Cleo onbetaald gelaten. Per saldo moet Cleo dus nog € 7.244,74 exclusief btw/ € 8.766,14 inclusief btw aan [gedaagde] betalen. De vordering van Cleo tot terugbetaling wordt daarom afgewezen.
Overige verklaringen voor recht worden afgewezen
5.19.
Cleo heeft tegenover de betwisting door [gedaagde] van het belang van Cleo bij de subsidiair onder III en IV gevorderde verklaringen voor recht onvoldoende onderbouwd waarin haar belang gelegen is. De vorderingen worden afgewezen.
Buitengerechtelijke kosten
5.20.
Cleo vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor een bedrag van € 3.429,75 inclusief btw. Dat is het bedrag van de twee facturen van Dekra. [gedaagde] heeft hiertegen geen afzonderlijk verweer gevoerd. Het gaat naar het oordeel van de rechtbank om redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt en zij komen op de voet van artikel 6:96 lid 2 BW Pro voor vergoeding in aanmerking. De factuur voor een bedrag van € 2.435,13 is vervallen op 18 december 2024. De factuur voor een bedrag van € 994,62 is vervallen op 5 april 2026. De gevorderde wettelijke rente over deze bedragen wordt toegewezen zoals hierna onder de beslissing is weergegeven.
5.21.
De rechtbank wijst de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten toe voor een bedrag van € 1.225,00. De rechtbank zoekt aansluiting bij het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten uitgaande van een hoofdsom van € 45.000,00. De hoofdsom waartoe [gedaagde] wordt veroordeeld wordt met dit bedrag verhoogd. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag wordt toegewezen zoals hierna onder de beslissing is weergegeven.
Rente
5.22.
De wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de toewijsbare hoofdsom van € 45.000,00 zal worden toegewezen vanaf 22 mei 2024 tot de dag van betaling. Dat was de dag waarop het verzuim is ingetreden.
Proceskosten in conventie en in reconventie en kosten van het beslag
5.23.
[gedaagde] is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Cleo vordert een bedrag van € 8.290,77 aan beslagkosten. In dat bedrag begrepen is een bedrag van € 7.223,00 aan advocaatkosten. De daadwerkelijke advocaatkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Daarvoor wordt een forfaitaire vergoeding toegekend. De overige beslagkosten (griffierecht € 714,00 en explootkosten € 353,77) zijn toewijsbaar.
5.24.
De proceskosten van Cleo in conventie en in reconventie en de kosten van het beslag worden begroot op:
- dagvaarding
119,40
- griffierecht bodemprocedure
2.281,00
- griffierecht beslag
714,00
- explootkosten beslag
353,77
- salaris advocaat
5.805,00
(4,5 punt x tarief IV)
- nakosten
296,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
9.569,17
5.25.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
5.26.
Uit wat hiervoor onder 5.18 is overwogen volgt dat Cleo nog een bedrag van € 8.766,14 inclusief btw aan [gedaagde] moet betalen. Cleo zal hiertoe worden veroordeeld. Cleo heeft betaling van de slottermijn van [gedaagde] opgeschort. Zij mocht dat doen, omdat [gedaagde] ten aanzien van haar herstelverplichtingen in verzuim was geraakt. De gevorderde handelsrente over het onbetaald gebleven gedeelte van de aanneemsom komt [gedaagde] daarom niet toe. Het beslag dat Cleo heeft gelegd is niet onrechtmatig gebleken, omdat haar vordering gedeeltelijk is toegewezen. [gedaagde] heeft daarom geen recht op vergoeding van de kosten van de bankgarantie die zij heeft gesteld om het beslag opgeheven te krijgen.
in conventie en in reconventie
5.27.
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat partijen dat hebben gevorderd. Daartegen is geen afzonderlijk verweer gevoerd.

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Cleo te betalen een bedrag van € 46.225,00 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 22 mei 2024 tot de dag van betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Cleo te betalen een bedrag van € 2.435,13 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 18 december 2024 tot de dag van betaling,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan Cleo te betalen een bedrag van € 994,62 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 5 april 2026 tot de dag van betaling,
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.6.
veroordeelt Cleo om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 8.766,14,
6.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in conventie en in reconventie
6.9.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 9.569,17, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
6.10.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.11.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
[3669/801]