Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7150

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2610770:R-RK – NL:TZ:2610771:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratorium en opschorting ontruiming huurwoning wegens beschermingsbewind

Verzoekster heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 16 december 2025. Verzoekster heeft een inkomen van €3.279 netto per maand en betaalt een huur van €671,83 per maand. Zij heeft betalingsbewijzen overgelegd waaruit blijkt dat de huurtermijnen van mei en juni 2026 zijn voldaan, waarbij de betaling van mei 2026 te laat was.

Verzoekster staat sinds kort onder beschermingsbewind, wat volgens haar voldoende waarborg biedt dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan. Dit beschermingsbewind is ingesteld mede vanwege haar gokverslaving, waarvoor zij zich ook heeft ingeschreven in het Centraal Register Uitsluiting Kansspelen. Verweerster betwijfelt echter of het beschermingsbewind effectief zal zijn, mede omdat verzoekster al meerdere keren bij verschillende beschermingsbewindvoerders heeft gestaan en eerdere pogingen tot schuldregeling niet succesvol waren.

De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming en dat het belang van verzoekster om in haar woning te kunnen blijven en het schuldhulpverleningstraject te doorlopen zwaarder weegt dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. De rechtbank wijst het moratorium toe voor zes maanden onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Uitkomst: De rechtbank wijst het moratorium toe en schorst de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2]
Uitspraak van 22 mei 2026
In de zaak van
[naam 1],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te geheim adres,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 28 april 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 28 april 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 11 mei 2026.
Ter zitting van 11 mei 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • de heer mr. D.A. IJpelaar, werkzaam bij JAW Advocaten (hierna: advocaat);
  • de heer [naam 2], werkzaam bij Stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).
De advocaat van verzoekster heeft op 13 mei 2026 aanvullende stukken aan de rechtbank overgelegd.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 december 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster ontvangt inkomen uit arbeid van € 3.279,- netto per maand. De huur bedraagt
€ 671,83 per maand. Verzoekster heeft een betalingsbewijs overgelegd, waaruit blijkt dat de huurtermijn van mei 2025 op 13 mei 2026 – weliswaar te laat – is betaald. Ook is een betalingsbewijs overgelegd, waaruit blijkt dat de huurtermijn van juni 2026 op 13 mei 2026 tijdig is betaald. Daarnaast staat verzoekster – sinds kort – onder beschermingsbewind, waardoor voldoende is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan.
Verzoekster heeft ter zitting aangegeven dat de lopende huurtermijnen tijdelijk niet zijn betaald door haar gokverslaving. Verzoekster gaf prioriteit aan gokken in plaats van het betalen van haar vaste lasten. Doordat het beschermingsbewind is uitgesproken zullen de vaste lasten van verzoekster weer worden betaald. Ook heeft verzoekster zich ingeschreven in het Centraal Register Uitsluiting Kansspelen, waardoor zij niet meer (online) kan gokken.

3.Het verweer

Verweerster heeft twijfels over de vraag of het beschermingsbewind naar behoren zal gaan lopen. Verzoekster is voor de vierder keer bij een andere beschermingsbewindvoerder onder beschermingsbewind gesteld. Verweerster ziet hierin geen garantie dat de lopende huurtermijnen door het beschermingsbewind zullen worden betaald. Ook heeft verzoekster al meerdere keren geprobeerd met haar schuldeisers te zoeken naar een oplossing voor haar schulden. Dit is meerdere keren niet gelukt.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 december 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 22 april 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 11 mei 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 16 december 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft een betalingsbewijs overgelegd, waaruit blijkt dat de huurtermijn van mei 2025 op 13 mei 2026 – weliswaar te laat – is betaald. Ook is een betalingsbewijs overgelegd, waaruit blijkt dat de huurtermijn van juni 2026 op 13 mei 2026 tijdig is betaald. Daarnaast staat verzoekster – sinds kort – onder beschermingsbewind, waardoor voldoende is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 16 december 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan een bij de deurwaarder bekend geheim adres, voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 28 april 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.