Verzoekster heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 16 december 2025. Verzoekster heeft een inkomen van €3.279 netto per maand en betaalt een huur van €671,83 per maand. Zij heeft betalingsbewijzen overgelegd waaruit blijkt dat de huurtermijnen van mei en juni 2026 zijn voldaan, waarbij de betaling van mei 2026 te laat was.
Verzoekster staat sinds kort onder beschermingsbewind, wat volgens haar voldoende waarborg biedt dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan. Dit beschermingsbewind is ingesteld mede vanwege haar gokverslaving, waarvoor zij zich ook heeft ingeschreven in het Centraal Register Uitsluiting Kansspelen. Verweerster betwijfelt echter of het beschermingsbewind effectief zal zijn, mede omdat verzoekster al meerdere keren bij verschillende beschermingsbewindvoerders heeft gestaan en eerdere pogingen tot schuldregeling niet succesvol waren.
De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming en dat het belang van verzoekster om in haar woning te kunnen blijven en het schuldhulpverleningstraject te doorlopen zwaarder weegt dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. De rechtbank wijst het moratorium toe voor zes maanden onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw.