Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7152

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2604340:R-RK – NL:TZ:2604342:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing dwangakkoord bij weigering schuldeiser in schuldregeling

Verzoekster heeft een schuldregeling aangeboden aan vijftien schuldeisers, waarbij geen uitkering aan schuldeisers plaatsvindt en zij verzoekt om kwijtschelding van haar schulden. Veertien schuldeisers stemden in, maar Capabel Onderwijs, met een vordering van 23,8% van de totale schuld, weigerde mee te werken.

De rechtbank oordeelt dat hoewel schuldeisers in beginsel recht hebben op volledige betaling, de weigering van Capabel Onderwijs niet redelijk is gezien de onevenredigheid tussen haar belang en de belangen van verzoekster en overige schuldeisers. Verzoekster ontvangt een Participatiewet-uitkering en is door omstandigheden niet in staat tot arbeid, waardoor haar afloscapaciteit nihil is.

De rechtbank stelt vast dat het voorstel goed is gedocumenteerd en getoetst door een onafhankelijke partij. Er is geen reëel perspectief op afloscapaciteit binnen een wettelijke schuldsaneringsregeling, die bovendien hoge kosten met zich brengt. Daarom prevaleert het belang van verzoekster bij een schuldenvrije toekomst boven het belang van de schuldeiser.

Het verzoek om Capabel Onderwijs te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt toegewezen, het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen. Capabel Onderwijs wordt veroordeeld in de proceskosten, die nihil zijn vastgesteld. Het vonnis treedt in de plaats van vrijwillige instemming en is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank beveelt de schuldeiser in te stemmen met het dwangakkoord en wijst het subsidiaire verzoek tot schuldsaneringsregeling af.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2]
Vonnis van 22 mei 2026
op het verzoek van
[naam 1],
[geboortedatum] te [geboorteplaats]
[adres] ,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 20 februari 2026, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- Capabel Onderwijs Zolle, in behandeling bij GGN Mastering Credit B.V. (hierna: Capabel Onderwijs);
die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Ter zitting van 11 mei 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • de heer [naam 2] , werkzaam bij de Gemeente Nissewaard (hierna: schuldhulpverlening);
  • mevrouw [naam 3] , moeder van verzoekster.
De weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift vijftien schuldeisers, waarvan één preferent en veertien concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 11.243,55 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van
18 september 2025 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, die inhoudt dat geen uitdeling zal plaatsvinden aan de schuldeisers en waarbij aan de schuldeisers verzocht wordt de betreffende schulden kwijt te schelden.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar Participatiewet-uitkering. Verzoekster heeft vanuit de Gemeente Nissewaard geen formele ontheffing vaan haar sollicitatieverplichting. Er is een verklaring van de werkadviseur overgelegd, waarom verzoekster de aankomende periode niet in staat kan worden geacht tot het verrichten van betaalde arbeid. Kort samengevat verklaart de werkadviseur het volgende. Verzoekster heeft een Jellooo traject gevolgd. Verzoekster is zwanger geweest en heeft tijdens de zwangerschap aangegeven bereid te zijn om te solliciteren. Hierdoor is geen officiële ontheffing afgegeven. Door complicaties tijdens de zwangerschap van verzoekster was solliciteren geen haalbare optie meer. Ook was er op dat moment sprake van een instabiele thuissituatie. Na de geboorte heeft verzoekster samen met haar zoon verbleven in het Ronald McDonalds Huis. Daarna is verzoekster verhuisd naar een moeder-kindhuis, waar zij begeleiding ontving vanuit het CVD. Naast haar zoon heeft verzoekster ook een dochter die intensieve zorg behoeft, waardoor er geen passende opvangmogelijkheden beschikbaar zijn voor de kinderen. Geconcludeerd kan worden dat verzoekster door recente ingrijpende gebeurtenissen niet in staat kan worden geacht te solliciteren naar betaalde arbeid. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat hij niet verwacht dat de afloscapaciteit van verzoekster binnen afzienbare tijd zal toenemen. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan.
Veertien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Capabel Onderwijs stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 2.677,08 op verzoekster, welke 23,8% van de totale schuldenlast beloopt.

3.Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft Capabel Onderwijs geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Capabel Onderwijs bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Capabel Onderwijs in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van Capabel Onderwijs een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 23,8%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk veertien van de vijftien schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten de Gemeente Nissewaard. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster inkomen ontvangt uit een Participatiewet-uitkering. Verzoekster is niet formeel ontheven van haar sollicitatieverplichting. Echter – gelet op de overgelegde verklaring van de werkcoach van verzoekster – is de rechtbank van oordeel dat verzoekster niet in staat kan worden geacht tot het solliciteren naar betaalde arbeid. Het ligt dan ook niet in de lijn der verwachtingen, zoals ook schuldhulpverlening ter zitting heeft verklaard, dat het inkomen van verzoekster binnen afzienbare tijd zal toenemen. Voorts is ter onderbouwing van het verzoek een vtlb-berekening aangeleverd, waaruit blijkt dat verzoekster onder de huidige omstandigheden geen afloscapaciteit heeft. Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk geworden dat verzoekster in de komende periode geen afloscapaciteit zal verkrijgen.
Uit het bovenstaande vloeit ook voort dat er geen reëel perspectief is op afloscapaciteit binnen een wettelijke schuldsaneringsregeling, zoals subsidiair verzocht. Dat betekent dat ook in de situatie dat de schuldsaneringsregeling (eventueel met een eerdere ingangsdatum) op verzoekster van toepassing zou zijn, er geen vooruitzicht is op een uitdeling aan de schuldeisers. Dat terwijl toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling aanzienlijke kosten met zich brengt, bestaande uit onder meer salaris voor de bewindvoerder en griffierecht. De verwachting is dat een groot deel van de wsnp-gerelateerde kosten ten laste van de Staat zouden moeten komen.
Gelet op die omstandigheden en het belang van verzoekster bij een schuldenvrije toekomst, dient het belang van verzoekster in dit geval naar het oordeel van de rechtbank te prevaleren boven het belang van Capabel Onderwijs.
Het verzoek om Capabel Onderwijs te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
Capabel Onderwijs zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- beveelt Capabel Onderwijs om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt Capabel Onderwijs in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.