ECLI:NL:RBROT:2026:7183

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/9830
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogenArt. 7:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij voorschotbesluit WIA-uitkering

Eiser is op 10 juli 2023 arbeidsongeschikt geraakt en heeft op 10 april 2025 een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV kende hem vanaf 7 juli 2025 een voorschot op de WIA-uitkering toe, gebaseerd op een vastgesteld dagloon van €133,49, wat resulteerde in een bruto maandbedrag van €1.881,81 exclusief vakantiegeld. Eiser was het niet eens met de hoogte van dit voorschot en stelde beroep in tegen het besluit van 24 oktober 2025, waarin het UWV het voorschot handhaafde.

Op 17 december 2025 nam het UWV een definitief besluit over de hoogte van de WIA-uitkering vanaf dezelfde datum, waarbij een hoger bedrag van €2.016,23 bruto per maand werd vastgesteld. Hierdoor verloor eiser het procesbelang bij een beoordeling van het voorschotbesluit. De rechtbank oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat het resultaat dat eiser met het beroep nastreefde reeds is bereikt met het definitieve besluit.

De rechtbank benadrukte dat eiser de gronden die hij in de procedure over het voorschotbesluit heeft ingebracht, zoals de vaststelling van het dagloon, ook in de bezwaarprocedure tegen het definitieve besluit kan aanvoeren. Tevens verzocht de rechtbank het UWV het bezwaar van eiser voortvarend te behandelen. Het beroep werd niet inhoudelijk beoordeeld en niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het voorschotbesluit WIA-uitkering wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9830

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaatsnaam], eiser

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een aan eiser toegekend voorschot vanaf 7 juli 2025 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser is het niet eens met de hoogte van het voorschot en heeft beroep ingesteld.
1.1.
Hierna heeft het UWV een definitief besluit genomen over de hoogte van de WIA-uitkering vanaf 7 juli 2025. Eiser heeft daarom geen belang meer bij een beoordeling van het voorschotbesluit. De rechtbank komt in deze uitspraak dan ook tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 8 juli 2025 heeft het UWV bepaald dat eiser vanaf 7 juli 2025 recht heeft op een voorschot op zijn WIA-uitkering. Met het bestreden besluit van 24 oktober 2025 is het UWV bij dat besluit gebleven. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
2.1.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
Eiser heeft een nader stuk ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn ouders en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser is op 10 juli 2023 arbeidsongeschikt geraakt. Hij heeft op 10 april 2025 een WIA-uitkering aangevraagd. Vervolgens heeft het UWV het primaire besluit genomen. In dit besluit is aan eiser vanaf 7 juli 2025 een voorschot op zijn WIA-uitkering toegekend ter hoogte van € 1.881,81 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. Dit voorschot is vastgesteld aan de hand van het loon dat eiser in de referteperiode (1 juli 2022 tot en met 30 juni 2023) ontving bij zijn toenmalige werkgevers (Ordina Business consulting en de Erasmus Universiteit Rotterdam). Hiermee heeft het UWV vastgesteld dat eisers dagloon € 133,49 is, wat een maandloon van € 2.032,38 bruto oplevert. [1] Exclusief 8% vakantiegeld is dat € 1.881,81 bruto. In bezwaar heeft het UWV het primaire besluit gehandhaafd.
4. Op 17 december 2025 heeft het UWV een inhoudelijk besluit genomen op eisers aanvraag voor een WIA-uitkering. Daarin heeft het UWV bepaald dat eiser vanaf 7 juli 2025 recht heeft op een loongerelateerde WIA-uitkering ter hoogte van € 2.016,23 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. Gelet op dit besluit van 17 december 2025 dient de vraag te worden beantwoord of eiser nog voldoende procesbelang heeft bij een uitspraak over de hoogte van de WIA-uitkering als voorschot.
5. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van het (hoger)beroepschrift met het indienen van het (hoger) beroep nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een enkel formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.
6. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van 24 oktober 2025. Met het besluit van 17 december 2025 is namelijk een inhoudelijk besluit genomen op eisers aanvraag voor een WIA-uitkering over dezelfde periode als waarvoor het voorschot was toegekend. De rechtbank zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk zal beoordelen.
7. De rechtbank overweegt ter informatie van partijen nog het volgende. Eiser heeft in het beroepschrift en op de zitting gronden ingebracht die zien op de vaststelling van de (hoogte van) het dagloon, op basis waarvan de hoogte van het voorschot op zijn WIA-uitkering is vastgesteld. Op de zitting heeft eiser verklaard dat hij tegen het besluit van 17 december 2025 bezwaar heeft gemaakt en dat hij daarbij gronden heeft ingediend die zien op de medische beoordeling. De rechtbank geeft eiser mee dat hij de gronden die hij in de procedure over het voorschotbesluit heeft ingebracht over het dagloon ook in de bezwaarprocedure tegen het besluit van 17 december 2025 kan inbrengen. Daarnaast verzoekt de rechtbank het UWV het bezwaar van eiser tegen het besluit van 17 december 2025 voortvarend op te pakken.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
de griffier is verhinderd te tekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.€ 133,49 × 21,75 × 0,7 = € 2.032,38.