Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7193

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
10-016521-26
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 57 SrArt. 2 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit en voorbereiding handel in harddrugs met voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Rotterdam heeft op 13 mei 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een verdachte geboren in 1978, die op 16 januari 2026 in Rotterdam en Raamsdonksveer verschillende soorten harddrugs en stoffen voorhanden had waarvan hij ernstige reden had te vermoeden dat deze bestemd waren voor de vervaardiging en handel in harddrugs.

De tenlastelegging omvatte het bezit van grote hoeveelheden MDMA, amfetamine en a-PVP, alsmede het voorhanden hebben van versnijdingsmiddelen, precursoren, een vacuümmachine en een drugsstempel. De verdachte werd vrijgesproken van het opzettelijk binnen- of buitenbrengen van drugs in Nederland. De feiten werden bewezen verklaard op basis van verklaringen, proces-verbalen en deskundigenverslagen.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de negatieve maatschappelijke effecten van harddrugs, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn drugsgebruik, financiële problemen en het advies van de reclassering. De verdachte werd veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie, verbod op verdovende middelen en dagbesteding.

De straf is met aftrek van voorarrest opgelegd. De rechtbank achtte een gevangenisstraf passend gezien de ernst van de feiten en de maatschappelijke belangen. De bijzondere voorwaarden zijn bedoeld om recidive te voorkomen en de reclassering krijgt opdracht toezicht te houden en begeleiding te bieden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-016521-26
Datum uitspraak: 13 mei 2026
Datum zitting: 29 april 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte ],
geboren op [geboortedatum] 1978 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres [adres],
preventief gedetineerd in [naam PI].
Advocaat van de verdachte: mr. S.D. Polat
Officier van justitie: mr. M.J.W van Breukelen
Kern van het vonnis
De verdachte heeft verschillende soorten harddrugs aanwezig gehad en voorwerpen en stoffen voorhanden gehad, waarvan hij ernstige reden had te vermoeden dat deze bestemd waren voor de vervaardiging van dan wel de handel in harddrugs. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij verschillende soorten harddrugs aanwezig heeft gehad en voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad waarvan de verdachte wist dat deze bestemd waren voor de vervaardiging van dan wel de handel in harddrugs. De volledige tenlastelegging houdt in dat:
1
hij op of omstreeks 16 januari 2026 te Rotterdam en/of Raamsdonksveer, gemeente
Geertruidenberg, althans in Nederland,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
ongeveer 11343 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende MDMA en/of ongeveer 6425,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van
een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 296,3 gram in elk geval een
hoeveelheid van
een materiaal bevattende a-PVP
zijnde MDMA en/of amfetamine en/of a-PVP
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 16 januari 2026 te Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,
verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van cocaïne en/of MDMA en/of amfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in
de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a,
vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te
plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe
gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van
dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had
om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door versnijdingsmiddelen en/of precursoren en/of verdovende middelen en/of
een vacuümmachine en/of een drugsstempel voorhanden te hebben;
3
hij op of omstreeks 16 januari 2026 te Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg,
al dan niet opzettelijk
een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te weten
314,8 gram 2-MEC en 23,4 gram N-ethylpentedron
aanwezig heeft gehad.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de ten laste gelegde feiten, maar wordt vrijgesproken van een deel van het onder 2 tenlastegelegde, te weten het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft eveneens vrijspraak bepleit van het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, zoals dat onder 2 is ten laste gelegd.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben van verschillende soorten harddrugs en het voorhanden hebben van voorwerpen en stoffen waarvan hij ernstige reden had te vermoeden dat deze bestemd waren voor de vervaardiging van dan wel de handel in harddrugs. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.
Niet bewezen is het eerste gedachtestreepje (het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen) van feit 2. De verdachte wordt van dit deel van de beschuldiging vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder hoeft te motiveren.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten bekend en er is daarvoor geen vrijspraak bepleit. Daarom worden de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven [1] .
1.
Verklaring van de [verdachte ] [2]
2.
Proces-verbaal van de politie [3]
3.
Proces-verbaal van de politie [4]
4.
Proces-verbaal van de politie [5]
5.
Proces-verbaal van de politie [6]
6.
Proces-verbaal van de politie [7]
7.
Proces-verbaal van de politie [8]
8.
Proces-verbaal van de politie [9]
9.
Deskundigenverslag [10]
10.
Deskundigenverslag [11]
11.
Deskundigenverslag [12]
12.
Deskundigenverslag [13]
13.
Deskundigenverslag [14]
14.
Deskundigenverslag [15]
2.3.2.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1
hij op 16 januari 2026 te Rotterdam en Raamsdonksveer, gemeente
Geertruidenberg, opzettelijk aanwezig heeft gehad 11343 gram van een materiaal
bevattende MDMA en 6425,3 gram van een materiaal bevattende amfetamine en 296,3 gram van een materiaal bevattende a-PVP, zijnde MDMA en amfetamine en a-PVP
telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Feit 2
hij op 16 januari 2026 te Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,
verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen van cocaïne en/of MDMA en/of amfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij ernstige reden had
om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door versnijdingsmiddelen en precursoren en verdovende middelen en
een vacuümmachine en een drugsstempel voorhanden te hebben;
Feit 3
hij op 16 januari 2026 te Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg,
opzettelijk een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te weten 314,8 gram 2-MEC en 23,4 gram N-ethylpentedron aanwezig heeft gehad.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 2
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
Feit 3
opzettelijk handelen in strijd met het onder artikel 2a, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3,5 jaar (1280 dagen) met aftrek van het voorarrest.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de rol en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarnaast verzoekt de verdediging geen hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de duur van het voorarrest en het overige deel voorwaardelijk op te leggen, met door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, al dan niet in combinatie met de maximale taakstraf.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft verschillende soorten harddrugs aanwezig gehad en voorwerpen en stoffen voorhanden gehad, waarvan hij ernstige reden had te vermoeden dat deze bestemd waren voor de vervaardiging van dan wel de handel in harddrugs. Het is algemeen bekend dat de handel in harddrugs gepaard gaat met vele andere vormen van (zware) criminaliteit, waaronder geweld en ondermijning. Daarnaast zijn harddrugs slecht voor de volksgezondheid en is de productie en verwerking daarvan slecht voor het milieu. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan het in stand houden van die negatieve effecten.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 26 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Advies van de reclassering
In het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) van 21 april 2026 staat het volgende.
Gelet op de aard van het ten laste gelegde delict liggen risico verhogende factoren in de leefgebieden financiën, sociaal netwerk en het psychosociaal functioneren. Bij het laatste moet worden gedacht aan het maken van verkeerde keuzes en het onvoldoende nadenken over zijn handelen en de gevolgen ervan. De verdachte wilde schulden afbetalen met het geld dat hij zou verdienen met het bewaren van de drugs. Hij loopt sinds ruim een jaar in de ziektewet nadat hij zijn baan is kwijtgeraakt, waardoor zijn inkomen beperkt is. Een deel van de drugs had de verdachte opgeslagen in de woning van zijn ouders waardoor zijn vader ook aangehouden is. De verdachte gebruikt al jaren cocaïne en speed. Dit zou hem de laatste jaren in de problemen hebben gebracht. Zo heeft het zijn huwelijk gekost en is hij zijn baan kwijt geraakt. Ook ten aanzien van de huidige tenlastelegging zou hij door het drugsgebruik niet helder nagedacht hebben. De verdachte ervaart steun van zijn ouders, kinderen en enkele vrienden. Dit kan gezien worden als beschermende factor. Zo ook dat de verdachte tijdens zijn voorarrest geen drugs meer gebruikt, al bestaat het risico dat hij eenmaal buiten weer gaat gebruiken. Het risico op recidive wordt als gemiddeld ingeschat, omdat op verschillende leefgebieden, zoals middelengebruik en financiën, problemen gezien worden die ook aanleiding waren voor de huidige tenlastelegging.
De verdachte geeft aan mee te gaan werken als er voorwaarden worden opgelegd. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden:
  • meldplicht bij de reclassering;
  • gedragsinterventie cognitieve vaardigheden;
  • verbod verdovende middelen;
  • dagbesteding.
4.3.3.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen; zij vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarom wordt een gevangenisstraf van 30 maanden opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden 10 maanden voorwaardelijk opgelegd. De verdediging heeft, gezien de rol en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, verzocht geen hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de duur van het voorarrest. Hoewel de rechtbank rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, ziet zij, gelet op de ernst van het feit, geen aanleiding om te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest.
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. De bijzondere voorwaarden zijn:
  • meldplicht bij de reclassering;
  • gedragsinterventie cognitieve vaardigheden;
  • verbod verdovende middelen;
  • dagbesteding.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

5.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 2a, 10, 10a en 10b van de Opiumwet.

6.Beslissingen

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat
10 (tien) maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op
2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
de verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
de verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) in de Opiumwet gebruikt. De verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan urinecontroles. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd. Mocht hiertoe aanleiding zijn, kan een ambulante behandeling bij Novadic Kentron, zo nodig voorafgegaan door een detox opname, ingezet worden, gericht op abstinentie;
de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder nummers 1, 2, 3 en 4 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

7.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. P. Joele, voorzitter,
en mrs. A.M.H. Geerars en J. Langeveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Loggen griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 13 mei 2026.
Mr. A.M.H. Geerars is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op de doorlopende paginanummers uit het eindproces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1].
2.Verklaard tijdens de zitting van 29 april 2026.
3.Pagina 15 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2].
4.Pagina 250 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3].
5.Pagina 188 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4].
6.Pagina 130 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5].
7.Pagina 258 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 6].
8.Pagina 228 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 7].
9.Pagina 8 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 1].
10.Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 256 e.v. van het eindproces-verbaal
11.Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 269 e.v. van het eindproces-verbaal
12.Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 247 e.v. van het eindproces-verbaal
13.Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 248 e.v. van het eindproces-verbaal
14.Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 270 e.v. van het eindproces-verbaal
15.Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 272 e.v. van het eindproces-verbaal