Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7195

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
-NL:TZ:2612094:R-RK - NL:TZ:2612095:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b FwArt. 287 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen ontruiming bij beschermingsbewind en schuldsanering

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet gevraagd om ontruiming van zijn huurwoning te voorkomen. Hij staat sinds 8 april 2026 onder beschermingsbewind en ontvangt inkomsten uit arbeid, een aanvullende WW-uitkering en huurtoeslag, waarmee de huurbetalingen zijn gewaarborgd.

De rechtbank constateert een bedreigende situatie vanwege een aangekondigde ontruiming op 13 mei 2026. De belangenafweging tussen verzoeker en verweerders leidt tot toewijzing van de voorlopige voorziening, onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan.

Het minnelijk schuldhulpverleningstraject is gestart, maar het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het traject naar verwachting niet snel afgerond zal zijn. De voorziening geldt voor zes maanden vanaf 12 mei 2026 en verlengt de huurovereenkomst.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe die de ontruiming opschort en verklaart het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]
uitspraakdatum: 8 juni 2026
[naam 1],
wonende te [adres]
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 12 mei 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 12 mei 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 2 juni 2026.
Ter zitting van 2 juni 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • de heer [naam 4], werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
  • Mevrouw J.J. Silié-Lucas, vennoot van Liberté Bewindvoering en budgetbeheer (hierna: beschermingsbewindvoerder).
[naam 2] en [naam 3] , wonende te [woonplaats] (hierna: verweerders) zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerders te verbieden overeenkomstig het bepaalde in het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 13 maart 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker over te gaan.
Verzoeker is in de problemen geraakt doordat hij het regelen van zijn financiën overliet aan zijn ex-partner. Inmiddels heeft verzoeker zich vrijwillig onder beschermingsbewind gesteld. Het beschermingsbewind is op 8 april 2026 uitgesproken. De beschermings-bewindvoerder heeft verklaard dat de situatie van verzoeker stabiel is. Verzoeker heeft inkomsten uit arbeid en een aanvullende WW-uitkering. Daarnaast ontvangt verzoeker maandelijks een bedrag van € 536,-- aan huurtoeslag. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. De huur over de maand mei 2026 is voldaan op 7 mei 2026. Deze huur is te laat voldaan, omdat de beschermingsbewindvoerder moest wachten tot de WW-uitkering van verzoeker werd uitbetaald. De huur over de maand juni 2026 is wel tijdig voldaan op 28 mei 2026. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat de schuldeisers inmiddels zijn geïnventariseerd. De schuldeisers worden op korte termijn aangeschreven met het verzoek een saldo-opgave te doen. Na ontvangst van deze opgaves, zal een aanbod aan de schuldeisers worden gedaan. Verzoeker is gemotiveerd om aan zijn schuldenproblematiek te werken. Alle benodigde informatie worden door verzoeker en/of de beschermingsbewindvoerder aangeleverd.

3.Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen hebben verweerders geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid hun standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het proces-verbaal van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 13 maart 2026 heeft overgelegd en een kopie van het exploot van 7 mei 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerders op 13 mei 2026 zullen overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerder, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerders bestaat erin dat zij het proces-verbaal van 13 maart 2026 ten uitvoer kunnen leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft inkomen uit arbeid en een aanvullende WW-uitkering. Daarnaast ontvangt hij maandelijks een bedrag van € 536,-- aan huurtoeslag. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen van € 1.275,-- per maand te voldoen. De huur over de maanden mei en juni 2026 is voldaan. Verzoeker staat sinds 8 april 2026 onder beschermingsbewind. Door het beschermingsbewind is de betaling van de lopende huurtermijnen voldoende gewaarborgd. Het schuldhulp-verleningstraject is inmiddels opgestart. De schuldeisers zullen op korte termijn worden aangeschreven. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerders.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerders in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van de uit het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 13 maart 2026 voortvloeiende bevoegdheid van verweerders om tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker aan de Pastinaak 15 te Rotterdam, voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 12 mei 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026.