Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7199

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
83-033291-22, 83-033303-22 en 83-033305-22 en 24-030910, 24-030914, 24-030916, 24-030917, 24-030918, 24-031077, 24-031094, 24-031095, 24-031098 en 24-030920
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 98 SvArt. 218 SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring klaagschrift over verschoningsrecht in mondkapjeszaak

In de mondkapjeszaak zijn op 28 februari 2022 diverse gegevensdragers in beslag genomen. Klagers, waaronder advocaten die zich beroepen op het verschoningsrecht, dienden klaagschriften in tegen het beslag op grond van vermeende schending van het verschoningsrecht. De rechter-commissaris concludeerde in december 2024 dat er geen grove, stelselmatige inbreuk was.

De rechtbank behandelde het klaagschrift in meerdere raadkamerzittingen en onderzocht of het beslag moest worden opgeheven vanwege verschoningsgerechtigd materiaal. Hoewel is vastgesteld dat dergelijke stukken aanwezig zijn en de verdediging aannemelijk maakte dat het onderzoeksteam mogelijk kennis heeft genomen van deze stukken, blijft het strafvorderlijk belang bij het beslag bestaan om nader onderzoek in de hoofdzaak mogelijk te houden.

De rechtbank oordeelt dat het beslag niet eerder kan worden opgeheven dan na het eindvonnis in de hoofdzaken. De verzoeken tot vernietiging van beslissingen van de rechter-commissaris worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Het debat over mogelijke schendingen en nadere onderzoeken wordt doorgeschoven naar de hoofdzaak. Het klaagschrift wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het klaagschrift over schending van het verschoningsrecht wordt ongegrond verklaard en het beslag blijft gehandhaafd tot het eindvonnis in de hoofdzaken.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Strafrecht
Zittingsplaats Rotterdam
parketnummers : 83-033291-22, 83-033303-22 en 83-033305-22
raadkamernummers : 24-030910, 24-030914, 24-030916, 24-030917, 24-030918,
24-031077, 24-031094, 24-031095, 24-031098 en 24-030920
datum : 23 juni 2026
beslissing van de meervoudige raadkamer op de klaagschriften van:

1.[klager 1],

geboren op [geboortedatum 1] 1990 in [geboorteplaats 1],

2.[klager 2],

advocaat en verschoningsgerechtigde,

3.[klager 3],

advocaat en verschoningsgerechtigde,

4.[klager 4],

advocaat en verschoningsgerechtigde,

5.[klager 5],

advocaat en verschoningsgerechtigde,
voor deze zaak domicilie kiezende aan het [adres 1],
op het kantoor van hun advocaten R.E. van Zijl, J.R. Kramer en D. Gaasbeek,

6.[klager 6],

geboren op [geboortedatum 2] 1972 in [geboorteplaats 2],

7.[klager 7],

advocaat en verschoningsgerechtigde,

8.[klager 8],

advocaat en verschoningsgerechtigde,

9.[klager 9],

advocaat en verschoningsgerechtigde,
voor deze zaak domicilie kiezende aande [adres 2],
op het kantoor van hun advocaten M.M. Kuyp en M.C.E.A. Kloosterman,

10.[klager 10],

geboren op [geboortedatum 3] 1990 in [geboorteplaats 3],
voor deze zaak domicilie kiezende aan de [adres 3],
op het kantoor van zijn advocaten J.S. Spijkerman en B.F.M. de Koning,
hierna te noemen: de klagers.
Inleiding
Op 28 februari 2022 zijn bij diverse doorzoekingen in het onderzoek Full Sutton gegevensdragers in beslag genomen. Het onderzoeksdossier van Full Sutton is door de officier van justitie op verzoek van de verdediging beschikbaar gesteld in de vorm van een digitale dataroom. Voorafgaand aan de eerste zitting bij de rechtbank zijn bij de raadslieden van de verdachten na raadpleging van deze dataroom vragen gerezen over de waarborging van het verschoningsrecht in de zin van artikel 98 jo Pro artikel 218 Sv Pro. De rechter-commissaris heeft onderzoek gedaan naar de vraag of er inbreuk is gemaakt op het hiervoor bedoelde verschoningsrecht. In zijn beslissing van 3 december 2024 is hij tot de conclusie gekomen dat hem niet is gebleken van een grove, stelselmatige en omvangrijke inbreuk op het verschoningsrecht in het onderzoek.
In deze procedure staat ter beoordeling of, zoals klagers willen, het beslag moet worden opgeheven, omdat onder de inbeslaggenomen stukken ook verschoningsgerechtigd materiaal aanwezig is en de rechter-commissaris niet de juiste procedure heeft gevolgd met betrekking tot de omgang daarmee.
Procedure
Op 16 december 2024 hebben de klagers op grond van artikel 98, vierde lid, juncto artikel 552a Sv een klaagschrift ingediend. De rechtbank heeft drie klaagschriften ontvangen, waarbij – kort gezegd – in de klaagschriften van [klager 6] (en zijn (toenmalige) advocaten) en van [klager 10] wordt aangesloten bij de inhoud van het klaagschrift van [klager 1] (en zijn (toenmalige) advocaten) (hierna: het klaagschrift). In het klaagschrift van [klager 6] wordt daarnaast een (kleine) aanvulling gemaakt. De overwegingen en beslissingen in deze schriftelijke beslissing hebben betrekking op alle in de kop genoemde zaken, tenzij anders vermeld.
De rechtbank heeft het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld op 19 december 2024, 6 februari 2025, 14 mei 2025, 22 mei 2025, 15 juli 2025, 3 december 2025 en 4 juni 2026.
De (advocaten van de) klagers en de officier van justitie zijn op de zittingen gehoord.
De klagers hebben verzocht om nader onderzoek te doen voordat zou worden beslist op het klaagschrift. Deze verzoeken zijn deels toegewezen. Het in dit kader verrichte onderzoek ziet kort gezegd vooral op de manier waarop het onderzoeksteam met (mogelijk) verschoningsgerechtigd materiaal in de dataroom is omgegaan.
Standpunt klagers
Het klaagschrift strekt tot gegrondverklaring van het beklag, vernietiging van de beslissingen van de rechter-commissaris ten aanzien van het verschoningsrecht zoals weergegeven in zijn proces-verbaal van bevindingen van 3 december 2024 en opheffing van het beslag met verstrekking van een last tot teruggave van al het in de dataroom aanwezige verschoningsgerechtigd materiaal aan de verschoningsgerechtigde(n).
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op de zitting van 4 juni 2026 op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard omdat er geen begin van aannemelijkheid is dat het onderzoeksteam kennis heeft genomen van de inhoud van het verschoningsgerechtigde materiaal op de inbeslaggenomen gegevensdragers.
Beoordeling
Ontvankelijkheid
De officier van justitie heeft gesteld dat [klager 10] niet-ontvankelijk is in zijn beklag, omdat hem geen verschoningsrecht toekomt en het klaagschrift enkel namens hem is ingediend.
In het klaagschrift van [klager 10] is opgenomen dat hij zich aansluit bij het door [klager 1] namens de verschoningsgerechtigden ingediende klaagschrift. Volgens de rechtbank brengt een redelijke uitleg van het klaagschrift van [klager 10] met zich dat dit zo moet worden uitgelegd dat de verschoningsgerechtigden ook in de zaak van [klager 10] klagen. De rechtbank is daarom van oordeel dat [klager 10] ontvankelijk is in zijn beklag.
Ongegrondverklaring
De rechtbank stelt naar aanleiding van het onderzoek op de zitting in raadkamer vast dat tussen de klagers en de officier van justitie niet ter discussie staat dat zich op inbeslaggenomen gegevensdragers informatie bevindt die onder het verschoningsrecht van geheimhouders valt, waarvan de geheimhouders geen (uitdrukkelijke) afstand hebben gedaan.
Door indiening van het klaagschrift is gebleken dat de verschoningsgerechtigden een beroep hebben gedaan op hun verschoningsrecht.
De rechtbank zou daarom het beklag van alle klagers ten aanzien van de op de inbeslaggenomen gegevensdragers aangetroffen informatie die onder het verschoningsrecht van geheimhouders valt en waarvan de geheimhouders geen (uitdrukkelijke) afstand hebben gedaan gegrond dienen te verklaren en het beslag ten aanzien van die stukken dienen op te heffen.
Daar wordt niet toe overgegaan omdat er nog een strafvorderlijk belang bij het beslag bestaat. Het beslag op de bedoelde stukken kan niet eerder worden opgeheven en deze stukken kunnen niet eerder worden teruggegeven aan de verschoningsgerechtigden dan het moment dat het eindvonnis in de hoofdzaken is gewezen. Dat is nodig zodat nader onderzoek in de dataroom door de verdediging mogelijk blijft. Daarbij is van belang dat in de hoofdzaken is besproken dat de verdediging tot 1 oktober 2026 toegang krijgt tot de dataroom en dat het openbaar ministerie bovendien geen (onderzoeks)handelingen meer verricht in de dataroom, tenzij hiertoe opdracht wordt gegeven door de rechter-commissaris en/of de rechtbank. Een tweede reden is dat de rechtbank de mogelijkheid voor nadere kwantitatieve en kwalitatieve analyse zoals hieronder beschreven wil laten bestaan.
De rechtbank ziet geen aanleiding om beslissingen van de rechter-commissaris te vernietigen zoals verzocht in de klaagschriften, omdat dit verzoek onvoldoende is bepaald en de relevantie van dit verzoek niet gemotiveerd is gesteld en evenmin is gebleken.
De (aangekondigde) voorwaardelijke verzoeken van de klagers tot nader onderzoek worden doorgeschoven naar de hoofdzaak waar deze in een ander kader zullen worden beoordeeld (zie ook hieronder).
Resultaten van onderzoek in raadkamer
Het onderzoek dat in deze procedure naar aanleiding van de klaagschriften heeft plaatsgevonden heeft onder andere betrekking op de vraag of er sprake is van een begin van aannemelijkheid dat het onderzoeksteam kennis heeft genomen van de inhoud van het verschoningsgerechtigde materiaal op de inbeslaggenomen gegevensdragers. Dit onderzoek heeft zich gericht op de iMac en de MacBook Pro van [klager 1]. Naar aanleiding van de in opdracht van de rechtbank verrichte kwantitatieve analyse en kwalitatieve analyse naar de informatie op deze twee computers is gebleken dat er verschoningsgerechtigde stukken op de computers stonden en in de dataroom zijn terechtgekomen. Uit het onderzoek blijkt verder dat het opsporingsteam met zoektermen heeft gewerkt, maar niet duidelijk is geworden welke zoektermen dit betroffen. Aanvullend onderzoek op basis van journaals van de FIOD heeft geen uitsluitsel gegeven op welke manier het onderzoeksteam de informatie op de computers heeft onderzocht. Op de zitting van 4 juni 2026 heeft de verdediging van [klager 1] zich met een uitgebreide motivering op het standpunt gesteld dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid het onderzoeksteam meermaals geheimhoudersstukken heeft aangetroffen en dat het niet geloofwaardig is dat deze niet zijn gezien. Deze stelling is door de officier van justitie niet weersproken.
Tegen deze achtergrond merkt de rechtbank op dat de verdediging het station van een begin van aannemelijkheid dat mogelijk inbreuk is gemaakt op het verschoningsrecht is gepasseerd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking de hoeveelheid verschoningsgerechtigde stukken op de gegevensdragers en de mogelijkheid dat het onderzoeksteam hiervan kennis heeft genomen. Daarnaast is op basis van het onderzoek de aard en ernst van de mogelijke schending en het mogelijke nadeel dat daardoor is veroorzaakt (vooralsnog) niet vast te stellen doordat (nog) veel onduidelijk is gebleven. Dat maakt dat het debat hieromtrent in de hoofdzaak nog – met mogelijk nader onderzoek met betrekking tot dit onderwerp – kan worden gevoerd. Dat zou – zoals door de officier van justitie gesuggereerd – onderzoek door statistische of technische experts kunnen zijn.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door de raadkamer,
J.H. Janssen voorzitter,
en C. Sikkel en J. van de Klashorst, rechters,
in tegenwoordigheid van M.M. Dijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.
J. van de Klashorst is buiten staat de beslissing te ondertekenen.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de klagers beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.