Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7203

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2612049:R-RK – NL:TZ:2612054:R-RK – NL:TZ:2612055:R-RK – NL:TZ:2612056:R-RK.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing moratoriumverzoek en niet-ontvankelijkheid verzoek schuldsaneringsregeling wegens onstabiele financiële situatie

Verzoekers hebben een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de verhuurder verbiedt het vonnis tot ontruiming van hun woonruimte uit te voeren. De rechtbank constateert een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming en beoordeelt het verzoek aan de hand van belangenafweging tussen verzoekers en verhuurder.

Verzoekers zijn zelfstandige met een inkomen boven bijstandsniveau, maar hebben de laatste maanden de huur niet betaald en een aanzienlijke huurachterstand opgebouwd. Schuldhulpverlening adviseert beëindiging van de onderneming en het aanvragen van een uitkering, omdat de onderneming niet levensvatbaar is. Verhuurder heeft geen vertrouwen in tijdige betaling van de huur en wijst op eerdere coulance en de ondertekende beëindigingsovereenkomst.

De rechtbank oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de lopende huurtermijnen zullen worden voldaan. De belangen van verhuurder wegen zwaarder dan die van verzoekers, ondanks de belangen van minderjarige kinderen. Daarom wordt het moratoriumverzoek afgewezen. Tevens verklaart de rechtbank verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, met de mogelijkheid een nieuw verzoek in te dienen.

Uitkomst: Het moratoriumverzoek wordt afgewezen en verzoekers worden niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
[nummer 3] – [nummer 4]
uitspraakdatum: 8 juni 2026
[naam 1]
en
[naam 2]
wonende te [adres]
,
verzoekers.

1.De procedure

Verzoekers hebben op 12 mei 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 12 mei 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 2 juni 2026.
Ter zitting van 2 juni 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekers;
  • mr. J. Pearson, advocaat van verzoekers;
  • de heer [naam 5] , werkzaam bij Zuidweg en Partners (hierna: schuldhulpverlening);
  • mevrouw M. Ilieva (tolk later binnengekomen);
  • de heer [naam 3] , verhuurder (hierna: verweerder);
  • de heer [naam 4] eigenaar van het pand;
  • mr. D.W.E. Urbanus, advocaat van verweerder.
Mr. J. Pearson heeft namens verzoekers op 22 mei 2026 en 2 juni 2026 aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden. Mr. D.W.E. Urbanus heeft namens verweerder voorafgaand aan de zitting op 22 mei 2026 een verweerschrift met bijlagen toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerder te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam in kort geding van 23 maart 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers ten uitvoer te leggen.
Verzoeker is werkzaam als zelfstandige. Verzoekster heeft geen inkomsten. De advocaat van verzoekers heeft ter zitting meegedeeld dat uit de overgelegde stukken blijkt dat verzoeker een inkomen genereert dat ligt boven bijstandsniveau. De laatste maanden is de huur niet betaald. De huur over de maand juni 2026 is nog niet voldaan. Verzoeker ontvangt op korte termijn weer betalingen van debiteuren, zodat hij de huur van de juni 2026 alsnog uiterlijk vrijdag ( rechtbank: 5 juni 2026) kan voldoen. Verzoekers hebben twee minderjarige kinderen. Met de belangen van de minderjarige kinderen dient ook rekening te worden gehouden. Verzoekers hebben een beëindigingsovereenkomst met betrekking tot de huur ondertekend. Zij waren zich echter niet van bewust van de inhoud van deze beëindigingsovereenkomst, omdat deze is opgesteld in de Nederlandse taal. Verzoekers hebben de inhoud niet begrepen. Er is inmiddels verzet aangetekend tegen het (verstek)vonnis van 23 maart 2026 waarbij verzoekers zich onder andere beroepen op dwaling. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat verzoeker een omzet genereert van circa € 600,-- à € 700,-- per tien dagen, hetgeen neerkomt op ongeveer € 2.100,-- per maand. Van dit bedrag moeten alle vaste lasten worden voldaan. Schuldhulpverlening heeft verzoeker geadviseerd zijn onderneming te beëindigen en een Participatiewet-uitkering aan te vragen omdat de onderneming van verzoeker niet levensvatbaar is. Schuldhulpverlening heeft aangegeven dat verzoeker geen boekhouding heeft. Schuldhulpverlening zal onderzoeken over welke jaren alsnog belastingaangifte moet worden gedaan. Het ligt in de bedoeling om een vereenvoudigd schuldhulpverleningstraject te doorlopen, zodat verzoekers op korte termijn schuldenvrij zijn. Schuldhulpverlening verzoekt het moratorium toe te wijzen, zodat verzoekers de mogelijkheid krijgen aan hun schulden te werken.

3.Het verweer

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Het gaat hier om een langlopende kwestie. In het verleden is aan verzoekers uit coulance een huurachterstand kwijtgescholden. Daarna zijn de betalingen enige maanden goed gegaan, waarna wederom een huurachterstand is ontstaan. De huur is sinds september 2025 niet meer voldaan. Er is op dit moment sprake van een huurachterstand van € 14.000,--. Gelet op hetgeen schuldhulpverlening heeft verklaard over de omzet en de levensvatbaarheid van de onderneming van verzoeker, heeft verweerder er geen enkel vertrouwen in dat de lopende huurtermijnen nu wel tijdig zullen worden voldaan. Hetgeen de advocaat van verzoekers stelt over de beëindigingsovereenkomst is niet juist. De beëindigingsovereenkomst is ook in de Bulgaarse taal aan verzoekers aangeboden. Verzoekers hebben de beëindigings-overeenkomst in de Bulgaarse taal eveneens ondertekend. Verweerder heeft er vertrouwen in dat bij de behandeling van het verzet de beslissing van het kort gedingvonnis van
23 maart 2026 in stand blijft. Ten slotte verklaart verweerder dat bij afwezigheid van verzoekers de kantonrechter in kort geding de belangen van de minderjarige kinderen heeft meegewogen. Dit blijkt ook uit voornoemd vonnis.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam in kort geding van 23 maart 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers en een kopie van het exploot van 4 mei 2026 hebben overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerder op 13 mei 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerder, anderzijds.
Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij met hun kinderen in de huurwoning kunnen blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekers kan worden doorlopen.
Het belang van verweerder bestaat erin dat hij het vonnis van 23 maart 2026 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat de omzet van verzoeker circa € 2.100,-- per maand bedraagt. Van dit bedrag moeten alle vaste lasten worden voldaan. Verzoekster heeft geen inkomsten. De onderneming van verzoeker is volgens schuldhulpverlening niet levensvatbaar. De inkomsten van verzoeker lijken niet voldoende om de lopende huurtermijnen van €1.400,-- per maand te voldoen. Namens verzoekers is erkend dat de huur de laatste maanden niet is betaald. De huur over de maand juni 2026 is ook nog niet voldaan. Verzoeker verwacht op korte termijn betalingen van debiteuren, zodat hij alsnog de lopende huur over de maand juni 2026 kan voldoen. Deze mededeling is niet met stukken onderbouwd. De huurachterstand is sinds het vonnis van 23 maart 2026, waarbij verzoekers veroordeeld zijn tot betaling van de huurachterstand (exclusief kosten) van een bedrag € 9.800,-- (berekend tot en met maart 2026), fors opgelopen. Naar het oordeel van de rechtbank is de betaling van de lopende huurtermijnen onvoldoende gewaarborgd. De advocaat van verzoekers heeft voorts aangevoerd dat er rekening gehouden dient te worden met de belangen van de minderjarige kinderen. De kantonrechter in kort geding heeft ambtshalve met de belangen van de minderjarige kinderen rekening gehouden door de ontruimingstermijn in het vonnis van 23 maart 2026 te bepalen op een maand (r.o. 2.4). Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerder zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoekers. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zullen verzoekers gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kunnen verzoekers te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026.