Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7210

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/10/716968 / KG ZA 26-286
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34 PaspoortwetArt. 38 PaspoortwetArt. 118 ZorgverzekeringswetArt. 1:253a BWArt. 7 Brussel II-ter Verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming voor aanvraag identiteitskaart minderjarige bij gezagsgeschil

De vrouw en de man zijn gehuwd en gezamenlijk gezagdragers over hun minderjarige kind, dat bij de vrouw woont. De vrouw verzoekt vervangende toestemming voor het aanvragen van een paspoort en een identiteitskaart voor de minderjarige, omdat de man weigert toestemming te geven vanwege een geschil over zijn vermeende verwekkerschap.

De rechtbank oordeelt dat de vrouw een spoedeisend belang heeft bij de aanvraag van een identiteitskaart vanwege de identificatieplicht in de zorg voor de zuigeling, maar niet bij de aanvraag van een paspoort, omdat er geen concrete plannen zijn voor reizen buiten Europa.

Hoewel de man vermoedt niet de biologische vader te zijn en een procedure tot ontkenning van het ouderschap voorbereidt, zijn zijn vermoedens onvoldoende onderbouwd. De rechtbank verleent daarom vervangende toestemming voor de identiteitskaart zonder beperking in duur of territoriale geldigheid, omdat de geldigheid automatisch vervalt bij een gegrondverklaarde ontkenning van het ouderschap.

De proceskosten worden gecompenseerd tussen partijen, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt. De vordering tot vervangende toestemming voor het paspoort wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitkomst: Vervangende toestemming verleend voor aanvraag identiteitskaart, paspoortaanvraag afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
zaaknummer / rolnummer: C/10/716968 / KG ZA 26-286
Vonnis in kort geding van 4 juni 2026
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. G. Arslan te Rotterdam,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. B. Mor-Yazir te Utrecht.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 13 april 2026 met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de advocaat van de man;
- de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht, als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op 2 januari 2024 gehuwd. De vrouw heeft op 24 februari 2026 een verzoek tot echtscheiding ingediend (zaaknummer: C/10/715508 / FA RK 26-1528). In deze zaak is nog geen mondelinge behandeling bepaald.
2.2.
Partijen zijn ouders van de minderjarige:
[vertegenwoordiger] , geboren op [geboortedatum] 2026 te [geboorteplaats] .
2.3.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de minderjarige.
2.4.
De minderjarige heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
2.5.
De vrouw heeft de Jordaanse nationaliteit en de man heeft de Nederlandse nationaliteit.

3.Het geschil

3.1.
De vrouw vordert te bepalen dat aan haar vervangende toestemming wordt verleend voor de aanvraag van een paspoort voor de minderjarige alsook voor de aanvraag van een identiteitskaart voor hem, met veroordeling van de man in de kosten van het geding.
3.2.
De man voert gemotiveerd verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.1.
Deze zaak heeft gelet op de Jordaanse nationaliteit van de vrouw een internationaal privaatrechtelijk karakter. Om die reden ligt zowel de rechtsmacht als het toe te passen recht ambtshalve ter beoordeling voor.
4.1.2.
De vordering is gebaseerd op artikel 34 van Pro de Paspoortwet. Op grond van het eerste lid wordt bij een aanvraag van een reisdocument door of ten behoeve van een minderjarige een verklaring van toestemming overgelegd van iedere persoon die het gezag uitoefent. Indien bij een gezamenlijke gezagsbeslissing één van hen weigert een verklaring van toestemming af te geven, kan deze toestemming op grond van artikel 34 lid 2 Paspoortwet Pro worden vervangen door een verklaring van de rechter. Deze regeling wordt naar vaste rechtspraak gekwalificeerd als een gezagsgeschil als bedoeld in artikel 1:253a BW. De vordering valt daarmee binnen het bereik van het materiële toepassingsgebied van de Brussel II-ter Verordening. Omdat de minderjarige zijn woonplaats in Nederland heeft, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van Pro de Brussel II-ter Verordening rechtsmacht toe. De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht toe op de vordering.
4.2.
Het spoedeisend belang
4.2.1.
Uit de tekst van artikel 34 van Pro de Paspoortwet en de wetsgeschiedenis volgt dat vervangende toestemming voor de aanvraag van een reisdocument in beginsel bij verzoekschrift aan de kinderrechter moet worden verzocht. Indien sprake is van een spoedeisend belang kan een dergelijk verzoek ook via een dagvaardingsprocedure aan de voorzieningenrechter worden gedaan die op grond van artikel 38 van Pro de Paspoortwet tevens in haar hoedanigheid van kinderrechter zal beslissen. Van een spoedeisend belang is sprake wanneer van de vrouw niet kan worden gevergd dat zij de bodemprocedure afwacht.
4.2.2.
De vrouw stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. De man betwist dat.
4.2.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vrouw een spoedeisend belang heeft bij het aanvragen van een identiteitskaart en overweegt daartoe het volgende.
Er geldt in de zorg op grond van artikel 118 van Pro de Zorgverzekeringswet vanaf de geboorte een identificatieplicht. De minderjarige is een zuigeling van nog geen vijf maanden oud. Er vindt in het eerste levensjaar van een kind regelmatig contact plaats met verschillende zorginstanties. De vrouw moet in dat kader maar ook wanneer de minderjarige medische zorg behoeft vanwege ziekte of een ongeval, beschikken over een identiteitsbewijs van de minderjarige. Dit kan zowel een identiteitskaart als een paspoort zijn. Het verschil tussen beide is er hoofdzakelijk in gelegen dat een paspoort wereldwijd geldig is en een identiteitskaart alleen binnen de Europese Unie en enkele andere Europese landen. Voor bedoelde identificatieplicht volstaat een identiteitskaart. De vrouw is in ieder geval tot zover ontvankelijk in haar vordering.
4.2.4.
Voor de aanvraag van een paspoort heeft de vrouw naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd gesteld dat zij op dit moment niet voornemens is om met de minderjarige naar het buitenland te reizen. Er staan dus op korte termijn geen reizen met de minderjarige buiten Europa op de planning. Door de vrouw zijn geen andere concrete feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan een spoedeisend belang bij een paspoort kan worden aangenomen. Zij zal daarom op dit punt niet worden ontvangen in haar vordering.
4.3.
Vervangende toestemming aanvraag identiteitskaart
4.3.1.
De man weigert toestemming te verlenen voor de aanvraag van een identiteitskaart omdat hij vermoedt niet de verwekker te zijn van de minderjarige. Er ligt daarom een verzoek tot ontkenning van het ouderschap gereed voor indiening bij de rechtbank. De man acht het onwenselijk dat, in een periode waarin zijn verwekkerschap ter discussie staat, een identiteitskaart van de minderjarige zal worden afgegeven met een registratie van de man als juridische vader en zijn geslachtsnaam.
4.3.2.
De vrouw sluit de mogelijkheid dat de man niet de verwekker is van de minderjarige uit omdat zij naar eigen zeggen ten tijde van de conceptie alleen met de man geslachtsgemeenschap heeft gehad. Zij koppelt het standpunt van de man aan zijn voortdurende behoefte om controle over haar uit te oefenen.
4.3.3.
Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 3 lid 1 van Pro de Paspoortwet elke reisdocument de volgende persoonsgegevens van de houder vermeldt: geslachtsnaam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats, geslacht, woonplaats, adres en lengte.
Op een identiteitskaart staan derhalve niet de juridische ouders van een kind vermeld, maar wel de geslachtsnaam van een kind. In dit geval heeft de minderjarige de geslachtsnaam van de man. De voorzieningenrechter begrijpt het verweer van de man aldus dat hij zich ertegen verzet dat de identiteitskaart van de minderjarige zijn geslachtsnaam vermeldt zolang het verwekkerschap ter discussie staat.
4.3.4.
Op grond van lid 5 van artikel 34 van Pro de Paspoortwet geeft de rechter een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Daarbij kan als voorwaarde worden gesteld dat de geldigheidsduur en/of de territoriale geldigheid van het aangevraagde reisdocument worden beperkt.
4.3.5.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de man ondanks zijn bekendheid met het standpunt van de vrouw over het verwekkerschap, zijn stellingen niet nader heeft onderbouwd. Hij stelt zijn vermoedens op bepaalde signalen van ontrouw te baseren, zoals heimelijk contact van de vrouw met een ex-vriend, maar hij heeft geen stukken overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat die vermoedens reëel zijn. De voorzieningenrechter ziet mede daarom geen aanleiding om de uitkomst van een eventuele procedure over het verwekkerschap af te wachten alvorens te beslissen over een aanvraag van een identiteitskaart voor de minderjarige.
4.3.6.
Er zijn door de man geen andere argumenten naar voren gebracht waarom de aanvraag van een identiteitskaart zou moet worden afgewezen. De voorzieningenrechter zal deze vordering daarom toewijzen.
4.3.7.
De man heeft verzocht de geldigheidsduur van de identiteitskaart te beperken tot maximaal een jaar, in afwachting van de door hem voorgenomen procedure tot ontkenning van het ouderschap.
Zijn verzoek tot het beperken van de territoriale geldigheid heeft alleen betrekking op een paspoort en ligt daarom niet voor.
4.3.8.
De voorzieningenrechter ziet in de stellingen van de man onvoldoende aanleiding om de identiteitskaart in duur te beperken en overweegt hiertoe het volgende.
Zoals hiervoor reeds opgenomen, draagt de minderjarige de geslachtsnaam van de man. De minderjarige heeft verder via de man de Nederlandse nationaliteit. Op grond van artikel 47 van Pro de Paspoortwet vervalt een reisdocument onder meer wanneer de geslachtsnaam van de houder (lid 1 sub e) is gewijzigd. Dit betekent dat de geldigheid van een identiteitskaart van de minderjarige van rechtswege vervalt nadat een ontkenning van het ouderschap van de man gegrond is verklaard en in kracht van gewijsde is gegaan. De man heeft daarom geen belang bij een beperking van de identiteitskaart tot de duur van een jaar.
4.4.
Proceskosten
4.4.1.
Partijen hebben over en weer verzocht om een proceskostenveroordeling.
4.4.2.
Uitgangspunt in familiezaken is dat, gelet op de relatie tussen partijen, de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Hoewel de man in het ongelijk wordt gesteld, ziet de voorzieningenrechter daarin onvoldoende aanleiding om af te wijken van dit uitgangspunt omdat niet vast staat dat de vrouw door zijn toedoen nodeloos heeft moeten procederen. Het geschil is uiteindelijk terug te voeren op hun voormalige relatie tussen partijen en een kennelijk verschil van mening over het verloop daarvan. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter,
5.1.
verleent de vrouw vervangende toestemming voor het aanvragen van een Nederlandse identiteitskaart voor de minderjarige [vertegenwoordiger] , geboren op [geboortedatum] 2026 te [geboorteplaats] ,
5.2.
bepaalt dat de vervangende toestemmingen onder 5.1 strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de man,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
verklaart de vrouw niet ontvankelijk in haar vordering ten aanzien van de aanvraag van een paspoort,
5.5.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Berghuis-Knijff en in het openbaar uitgesproken op
4 juni 2026. [1]

Voetnoten

1.type: