Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7217

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/10/716699 / FA RK 26-2197 en C/10/708755 / JE RK 25-2165
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BWArt. 1:266 lid 1 BWArt. 8 EVRMArt. 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot beëindiging gezag en verlenging ondertoezichtstelling minderjarige

De rechtbank Rotterdam behandelde op 12 juni 2026 de zaken betreffende de minderjarige die onder toezicht staat van de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond. De Raad verzocht om beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder en benoeming van een voogd, terwijl de gecertificeerde instelling verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing vroeg.

De moeder betwistte het verzoek tot gezagsbeëindiging en stelde dat haar situatie verbeterd is en dat een lichtere maatregel passend is. De rechtbank oordeelde dat niet is voldaan aan de vereisten voor beëindiging van het gezag, mede omdat de moeder de uitvoering van maatregelen niet belemmert en het perspectief voor de minderjarige onduidelijk blijft.

De rechtbank verlengde wel de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing tot 18 december 2026, omdat de ontwikkeling van de minderjarige nog steeds ernstig wordt bedreigd en hij baat heeft bij de huidige behandeling en begeleiding. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Verzoek tot beëindiging gezag afgewezen; ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 18 december 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/716699 / FA RK 26-2197 en C/10/708755 / JE RK 25-2165
Datum uitspraak: 12 juni 2026
Beschikking van de meervoudige kamer
in de zaken van
C/10/716699 / FA RK 26-2197
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen de Raad,
en
C/10/708755 / JE RK 25-2165
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt in beide zaken aan als belanghebbende:
[moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. F. Pool, kantoorhoudende in Rotterdam.
De rechtbank merkt in zaaknummer
C/10/716699 / FA RK 26-2197ook aan als belanghebbende:
de GI.
De rechtbank merkt in zaaknummer
C/10/708755 / JE RK 25-2165aan als informant in zijn toetsende en/of adviserende taak:
de Raad.
De rechtbank merkt in zaaknummer
C/10/716699 / FA RK 26-2197ook aan als informant:
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen: de WSS.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 10 december 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • het verzoekschrift met bijlage van de Raad (
  • de briefrapportage van de GI (
- het verweerschrift van de (advocaat van de) moeder met bijlagen van 8 mei 2026.
1.2.
Op 15 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling met gesloten deuren bij de meervoudige kamer van de rechtbank plaats gehad. Ten aanzien van zaaknummer
C/10/708755 / JE RK 25-2165betrof dit een voortzetting van de mondelinge behandeling na de voornoemde beschikking van 10 december 2025. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;
  • een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger 2] ;
  • vertegenwoordigers van de WSS, [vertegenwoordiger 3] en [vertegenwoordiger 4] .
1.3.
De rechtbank heeft bijzondere toegang verleend aan de begeleider van de moeder, [persoon A] , werkzaam bij de stichting Pameijer Mozaïk, en aan de vader, [vader] .

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij behandelgroep [behandelgroep] van Yulius.
2.3.
Bij beschikking van 10 december 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 18 juni 2026. Ook is bij deze beschikking de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 18 juni 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden.

3.De (aangehouden) verzoeken

C/10/716699 / FA RK 26-2197
3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen en de WSS tot voogdes over [minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
C/10/708755 / JE RK 25-2165
3.2.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de resterende duur, te weten tot 18 december 2026. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

De Raad
4.1.
De Raad handhaaft ter zitting zijn verzoek en licht het als volgt toe. Volgens de Raad is [minderjarige] in de thuissituatie blootgesteld aan middelengebruik door de moeder en aan huiselijk geweld, waardoor hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] kampt met trauma en kind-eigen problematiek. Vanwege deze problematiek heeft hij inmiddels meerdere overplaatsingen binnen de pleegzorg meegemaakt. [minderjarige] verblijft sinds mei 2025 op een behandelgroep van Yulius waar hij voor zijn problematiek ook behandeling krijgt. De mate van voorspelbaarheid, continuïteit en rust is voor [minderjarige] van belang. Gelet op de verstoorde ontwikkeling van [minderjarige] heeft hij meer nodig dan de moeder hem kan bieden. Bij de moeder is sprake van een verstandelijke beperking. Daarnaast bestaan er nog steeds zorgen over het alcoholgebruik van de moeder. Mede hierdoor overstijgen de opvoedbehoeften van [minderjarige] de opvoedmogelijkheden van de moeder. De Raad constateert dat de moeder blijft vasthouden aan de wens dat [minderjarige] weer bij haar zal wonen, waardoor zij hem onvoldoende emotionele toestemming kan geven om elders op te groeien. Daarnaast is bij [minderjarige] ADHD geconstateerd, maar de moeder geeft geen toestemming voor medicatie.
4.2.
De ondertoezichtstelling loopt al negen jaar, waardoor de onzekerheid over een mogelijke terugplaatsing voor [minderjarige] (en de moeder) al jaren duurt. De moeder heeft na een periode thuis- en dakloos te zijn geweest in augustus 2025 een woning van Housing First van het Leger des Heils gekregen. Zij wordt verder begeleid door Pameijer. Deze ontwikkeling is positief te noemen. Met inzet van een gezinsopname en het maken van veiligheidsafspraken is echter eerder al onderzocht of de moeder in staat is [minderjarige] een voldoende veilige en stabiele opvoedsituatie te bieden. De moeder kon zich in die periode door haar eigen problematiek echter niet richten op de gezinsopname. De GI heeft vervolgens in 2024 al besloten dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder ligt. Met een gezagsbeëindigende maatregel hoopt de Raad duidelijkheid voor [minderjarige] te kunnen creëren, in die zin dat voor hem vaststaat dat hij niet meer bij de moeder zal gaan wonen.
De GI
4.3.
De GI schaart zich achter het verzoek van de Raad. Er is al vaker met de moeder besproken dat [minderjarige] niet meer bij de moeder komt wonen en dat de omgang hier los van staat. Dit lijkt niet door te dringen bij de moeder. De moeder biedt [minderjarige] onvoldoende duidelijkheid over het feit dat hij niet meer thuis zal komen wonen, terwijl hij wel behoefte heeft aan die duidelijkheid. Sinds bij [minderjarige] bekend is geworden dat hij niet meer thuis kan wonen, is zijn boosheid toegenomen. In de periode dat het perspectiefbesluit werd genomen ging het slechter met de moeder. Hoewel de GI erkent dat de moeder sindsdien positieve stappen heeft gezet in het contact met [minderjarige] en zich houdt aan de adviezen die haar worden gegeven, blijft een gezagsbeëindigende maatregel noodzakelijk. De moeder kan onvoldoende aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] . Sinds de moeder haar eigen woning heeft, is er weinig contact tussen de GI en Pameijer en is er geen zicht op het alcoholgebruik van de moeder. De moeder geeft hier geen openheid over en geeft Pameijer ook geen toestemming om informatie te verstrekken. Het is voor de GI echter wel belangrijk zicht te hebben op het alcoholgebruik van de moeder in verband met de contactmomenten met [minderjarige] . De GI is op zoek naar een passende vervolgplek voor [minderjarige] , bij voorkeur in een gezinshuis in de omgeving van de moeder. [minderjarige] kan nog zes maanden op zijn huidige groep verblijven. De GI ziet geen meerwaarde in het voorstel van de moeder om opnieuw een gezinsopname te starten. Naar de mening van de GI is de moeder, mede gelet op de kind-eigen problematiek van [minderjarige] , niet in staat hem de zorg en structuur te bieden die hij nodig heeft. Indien het verzoek tot gezagsbeëindiging wordt afgewezen, handhaaft de GI haar aangehouden verzoek en zullen de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing worden overgedragen aan de WSS.
Van en namens de moeder
4.4.
Door en namens de moeder is aangevoerd dat zij zich niet kan verenigen met het verzoek van de Raad tot beëindiging van haar gezag over [minderjarige] . De moeder stelt dat het verzoek van de GI tot onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel is gedaan in een periode dat het niet goed met haar ging. Het perspectiefbesluit is ook in die periode genomen. De situatie van de moeder is inmiddels aanzienlijk verbeterd. De moeder heeft sinds augustus 2025 een huurwoning van Housing First en heeft sindsdien een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Het feit dat de moeder het niet eens is met het perspectiefbesluit maakt niet dat de moeder niet leerbaar is. De moeder wil graag een kans krijgen om aan de doelen te werken. Naar de mening van de moeder heeft de Raad onvoldoende gemotiveerd waarom een thuisplaatsing niet meer tot de mogelijkheden zou behoren. Daarnaast is onvoldoende onderbouwd dat is voldaan aan de vereisten die het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) stelt aan een gezagsbeëindigende maatregel. Ook is onvoldoende onderbouwd dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] is verstreken. Volgens de moeder is een gezagsbeëindiging onder deze omstandigheden in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Er is niet gebleken dat [minderjarige] in zijn ontwikkeling wordt geschaad door de uitoefening van het gezag van de moeder. Artikel 8 EVRM Pro brengt met zich mee dat een minder ingrijpende maatregel moet worden verkozen boven de gezagsbeëindiging. In het onderhavige geval betekent dit dat de GI hulpverlening dient in te zetten om meer zicht te krijgen op de rol van de moeder in het leven van [minderjarige] en om meer zicht te krijgen op de verbeterde opvoedvaardigheden van de moeder. Dit is volgens de moeder tot op heden onvoldoende gebeurd. Volgens de moeder is daarbij ook bij een beëindiging van haar gezag nog steeds sprake van onzekerheid over het perspectief van [minderjarige] , omdat er nog geen vervolgplek is voor hem aansluitend op zijn verblijf bij Yulius. De moeder verzoekt primair het verzoek van de Raad tot beëindiging van haar gezag over [minderjarige] af te wijzen. Subsidiair verzoekt de moeder om op grond van artikel 810a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een nader onderzoek te gelasten, in de vorm van een gezinsherenigingstraject dan wel een gezinsopname bij Yulius of een NIFP-onderzoek, zodat meer duidelijkheid kan komen over de vraag of een thuisplaatsing van [minderjarige] alsnog tot de mogelijkheden behoort en welke hulpverlening daarbij noodzakelijk is.
De WSS
4.5.
Indien de WSS met de voogdij wordt belast, zal jeugdbeschermer [vertegenwoordiger 3] de vaste voogdijwerker worden. De WSS zal opnieuw naar alle beschikbare informatie kijken. Als binnen zes maanden een geschikte plek voor [minderjarige] moet worden gevonden, is dat een erg korte periode.

5.De beoordeling

C/10/716699 / FA RK 26-2197 – beëindiging gezag
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat niet wordt voldaan aan de vereisten om het gezag van de moeder over [minderjarige] te beëindigen. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de Raad af. De rechtbank legt hierna uit waarom.
5.2.
Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouders daartoe niet in staat zijn. De inbreuk op het privé- en gezinsleven van de ouders door het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot het doel ervan. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag fors ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarige, beoordeelt de rechtbank of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder. [1]
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is de inbreuk op het privé- en gezinsleven van de moeder en [minderjarige] door beëindiging van het gezag op dit moment niet gerechtvaardigd. Het is de rechtbank onvoldoende gebleken dat gezagsbeëindiging noodzakelijk is. De Raad heeft onvoldoende onderbouwd op welke wijze het (behoud van het) gezag van de moeder over [minderjarige] tot problemen leidt. Niet is gebleken dat de moeder de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen belemmert. De moeder heeft weliswaar geweigerd om toestemming te verlenen voor ADHD-medicatie, maar heeft daar ook een gemotiveerde onderbouwing voor gegeven (namelijk dat eerst ingezet moet worden op alternatieven). Daarnaast weegt de rechtbank mee dat [minderjarige] nog (maar) zes maanden bij Yulius kan verblijven en het niet duidelijk is waar hij daarna geplaatst kan worden. De GI heeft ter zitting aangegeven op zoek te zijn naar een plek voor [minderjarige] in een gezinshuis in de buurt van de moeder, maar die zoektocht is pas net gestart. Een gezagsbeëindigende maatregel zal dus ook niet leiden tot de gewenste duidelijkheid over waar [minderjarige] definitief zal opgroeien. Hiermee is ook onvoldoende gebleken dat beëindiging van het gezag van de moeder noodzakelijk is voor meer continuïteit in het leven van [minderjarige] . Tot slot dient beëindiging van het gezag niet een ongestoord hechtingsproces, omdat [minderjarige] niet in een pleeggezin, maar op een (tijdelijke) behandelgroep verblijft. De rechtbank acht een beëindiging van het gezag onder deze omstandigheden niet in het belang van [minderjarige] . De ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging.
C/10/708755 / JE RK 25-2165 – verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [2] De rechtbank legt hieronder uit waarom.
5.5.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [minderjarige] kampt met trauma-gerelateerde en kind-eigen problematiek, waarvoor begeleiding en behandeling noodzakelijk zijn. Daarnaast bestaat nog altijd onduidelijkheid over zijn toekomstperspectief en de vraag waar hij op langere termijn zal gaan wonen. Deze onzekerheid zorgt voor spanning en onrust bij [minderjarige] . Evenwel lijkt [minderjarige] op de huidige behandelgroep baat te hebben bij de hem geboden structuur en voorspelbaarheid. Dit draagt bij aan zijn stabiliteit en ontwikkeling. Het is belangrijk dat deze hulpverlening en begeleiding worden voortgezet.
5.6.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 18 december 2026.
5.7.
Verder is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. De rechtbank verlengt deze ook tot 18 december 2026. [3]
5.8.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
wijst het verzoek af tot beëindiging van het gezag van [moeder] , geboren op [geboortedatum 2] 1981 in [geboorteplaats] , over [minderjarige] ;
6.2.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 18 december 2026;
6.3.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 18 december 2026;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.J. de Nijs, voorzitter, tevens kinderrechter, en
mr. D.G.J. Roset en mr. J. Groot, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Borges Dias als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:266 lid 1 BW Pro, artikel 8 EVRM Pro en artikel 3 IVRK Pro.
2.Artikel 1:260 BW Pro.
3.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.