ECLI:NL:RBROT:2026:7222

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/10/697308 / FA RK 25-2637
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 1:253n BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot beëindiging gezamenlijk gezag en voorlopige zorgregeling bij ouderschapsbemiddeling

De rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek van de vrouw om het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind te beëindigen en de man omgang te ontzeggen. De vrouw trok haar verzoek tot bijdrage in kosten in. De rechtbank oordeelde dat het gezamenlijk gezag in stand blijft omdat niet is voldaan aan het criterium van artikel 1:251a BW, dat vereist dat er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem raakt tussen de ouders zonder uitzicht op verbetering.

Hoewel de communicatie tussen partijen stroef verloopt, is er een verwijzing naar een hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling, waar partijen aan zullen deelnemen. De rechtbank acht de verwachting reëel dat de communicatie zal verbeteren. Partijen kwamen overeen een voorlopige zorgregeling te treffen, waarbij de minderjarige geleidelijk omgang met de man zal hebben.

De rechtbank stelde een procedurele aanhouding in voor negen maanden, waarin het hulpverleningstraject wordt gevolgd. Afhankelijk van het eindverslag kan de rechtbank een eindbeschikking geven of een raadsonderzoek laten verrichten. De rechtbank benadrukte het belang van constructieve samenwerking in het belang van de minderjarige en stelde de voorlopige zorgregeling vast, inclusief afspraken over voetbalbezoek en contactmomenten.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking.

Uitkomst: Verzoek tot beëindiging gezamenlijk gezag afgewezen en voorlopige zorgregeling vastgesteld in afwachting van ouderschapsbemiddeling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/697308 / FA RK 25-2637
Beschikking van 28 mei 2026 over het ouderlijk gezag en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. D.N. van Wensen te Lage Zwaluwe,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. M.P. Kloppenburg te Rotterdam.
Deze zaak gaat over de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] ,
hierna: de minderjarige.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 4 april 2025;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 3 juni 2025;
  • het bericht van de vrouw van 1 april 2026;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 12 april 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 15 april 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .
1.3.
De minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft op 7 april 2026 een gesprek gehad met de kinderrechter.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige.
2.2.
De man heeft de minderjarige erkend.
2.3.
Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.

3.De beoordeling

3.1.
Ingetrokken verzoek
3.1.1.
De vrouw heeft in haar bericht van 1 april 2026 haar verzoek, om te bepalen dat de man een bijdrage per maand dient te voldoen in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige, ingetrokken. De rechtbank zal het verzoek om deze reden afwijzen.
3.2.
Gezag en zorgregeling
3.2.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat het gezag over de minderjarige alleen aan haar toekomt. Tevens verzoekt de vrouw de man omgang met de minderjarige te ontzeggen.
3.2.2.
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt bij zelfstandig verzoek te bepalen dat tussen partijen een zorgregeling zal gelden waarbij de minderjarige om de week op zondag van 10:00 uur tot 19:00 uur bij de man zal verblijven, met een opbouw in die zin dat de eerste vier keren van 13:00 uur tot 16:00 uur zullen zijn.
3.2.3.
Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW genoemde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.
3.2.4.
De rechtbank is – in lijn met het advies van de raad – van oordeel dat het gezamenlijk gezag in stand moet blijven. Het beëindigen van gezamenlijk gezag is een verstrekkende maatregel die niet zomaar genomen wordt; gezamenlijk gezag is het uitgangspunt. De voorbeelden die de vrouw aanvoert worden door de man erkend. De man heeft verklaard dat het – achteraf – niet verstandig was dat hij onverwacht op de school van de minderjarige is verschenen, maar dat dat slechts een poging was het contact met haar te onderhouden. Ook dat de vrouw moeilijk met hem in contact kon komen wordt erkend door de man, maar vindt zijn oorsprong in de vrees voor escalatie, aldus de man. Al met al is de rechtbank van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld om van het uitgangspunt van gezamenlijk gezag af te wijken. Weliswaar is gebleken dat de communicatie tussen partijen niet vlekkeloos verloopt, maar mede gelet op het feit dat partijen het er tijdens de mondelinge behandeling over eens zijn geworden dat zij zullen deelnemen aan het traject ouderschapsbemiddeling, is te verwachten dat de communicatie binnen afzienbare tijd verbeterd wordt. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot beëindiging van het gezamenlijk gezag daarom afwijzen.
3.2.5.
Vast staat dat de man en de minderjarige voor het laatst in oktober 2025 contact hebben gehad. Ondanks hun roerige verleden met elkaar en het ontbreken van wederzijds vertrouwen, zijn partijen het eens dat de omgang weer opgestart moet worden. Dat is in het belang van de minderjarige. Tijdens de mondelinge behandeling is hierover uitgebreid gesproken met partijen, hetgeen tot de conclusie heeft geleid dat partijen samen een hulpverleningstraject zullen aangaan (waarover hieronder meer). Gezien de lange wachttijden en de duur van het hulpverleningstraject, hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling overeenstemming bereikt over een voorlopige zorgregeling die in ieder geval zal gelden tot en met het eind van het hulpverleningstraject of zoveel eerder als partijen zelf overeenkomen. De rechtbank zal deze overeenstemming opnemen in de beschikking. Tevens zorgt de man ervoor dat hij zijn telefoonnummer aan de vrouw geeft, zodat hij bereikbaar voor haar is.
3.2.6.
Tijdens de mondelinge behandeling is ook met partijen gesproken over de grote impact die de onderlinge verstandhouding en het gebrek aan vertrouwen heeft op de minderjarige. Gezien de instelling van partijen en hetgeen zij hebben verklaard, heeft de rechtbank er vertrouwen in dat partijen over hun eigen schaduw heen kunnen stappen en samen vooruit kunnen kijken, in het belang van de opvoeding en ontwikkeling van de minderjarige. De rechtbank juicht het, met de raad, toe als partijen het kunnen opbrengen om samen langs de lijn te staan tijdens de voetbalwedstrijden van de minderjarige.
3.3.
Uniform hulpaanbod
3.3.1.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling hun bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling. De rechtbank zal hen in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit hulpverleningstraject, zoals is genoemd in het proces-verbaal dat partijen hebben ontvangen. Dit proces-verbaal is al verstuurd naar het routeringspunt voor aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal ook deze beschikking versturen naar het routeringspunt.
3.3.2.
De rechtbank verzoekt de uitvoerende hulpverleningsinstantie om, zoals tijdens de mondelinge behandeling met partijen is besproken, het eindverslag over het verloop van het hulpverleningstraject in te dienen op de hierna vermelde manier.
3.3.3.
De rechtbank zal de behandeling van de zaak (in eerste instantie) in afwachting van de resultaten van dit hulpverleningstraject pro forma aanhouden voor de duur van negen maanden.
3.3.4.
Als het hulpverleningstraject is beëindigd, zal de hulpverleningsinstantie het eindverslag versturen naar het routeringspunt. Het routeringspunt zal zorgen voor verzending van dit eindverslag aan de rechtbank. De rechtbank zal, als het hulpverleningstraject is geslaagd, partijen en hun advocaten in de gelegenheid stellen om binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren op het eindverslag. Na ontvangst van de reactie van (de advocaten van) partijen geeft de rechtbank, zonder verdere mondelinge behandeling, een eindbeschikking.
3.3.5.
Als het hulpverleningstraject voortijdig is beëindigd of de doelen niet (geheel) zijn behaald, zal het routeringspunt het eindverslag ook sturen aan de raad. De raad zal aan de hand van het eindverslag van de hulpverleningsinstantie bezien of een raadsonderzoek noodzakelijk wordt geacht. De raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van het eindverslag de rechtbank te informeren of een raadsonderzoek noodzakelijk wordt geacht.
3.3.6.
Een raadsonderzoek blijft achterwege als de rechter meent voldoende ingelicht te zijn om een eindbeschikking te geven. De rechtbank zal de raad hierover berichten binnen uiterlijk een week nadat de raad de rechtbank heeft geïnformeerd over de noodzakelijkheid van een raadsonderzoek. De rechtbank bericht de raad slechts als zij geen raadsonderzoek nodig acht.
3.3.7.
Als de rechtbank met de raad een onderzoek noodzakelijk acht, geldt deze beschikking als een voorwaardelijke opdracht aan de raad om onderzoek te verrichten, als het hulpverleningstraject (deels) niet is geslaagd. De raad wordt verzocht dit onderzoek te verrichten en daarvan bij de rechtbank, uiterlijk binnen vier maanden, een raadsrapport in te dienen. In dat geval volgt dus een verdere aanhouding van de zaak.
3.3.8.
Gelet op het vorenstaande wordt de raad voorwaardelijk verzocht om, als het eindverslag van de hulpverleningsinstantie daartoe aanleiding geeft, aan de rechtbank advies uit te brengen ter beantwoording van de volgende vragen:
  • Welke zorgregeling komt het meest tegemoet aan het belang van de minderjarige?
  • Hoe moet de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
  • Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in het advies te vermelden?
3.3.9.
Na ontvangst van het raadsrapport zullen partijen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren en zich uit te laten of zij een nieuwe mondelinge behandeling wensen.
3.4.
Proceskosten
3.4.1.
Omdat nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijst de verzoeken van de vrouw met betrekking tot beëindiging van het gezamenlijk gezag en de onderhoudsbijdrage af;
4.2.
neemt op de
voorlopige zorgregelingdie partijen hebben afgesproken in afwachting van en gedurende het hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling, te weten:
  • vanaf 18 april 2026 verblijft de minderjarige elke zaterdag van 12:00 tot 15:00 uur bij de man;
  • vanaf 6 juni 2026 verblijft de minderjarige elke zaterdag van 10:00 uur tot 17:00 uur bij de man;
vanaf september 2026 gaat de minderjarige op voetbal, partijen zullen in onderling overleg afspreken wie de minderjarige naar de voetbal brengt en haalt, omdat de tijden van de voetbalwedstrijden wisselend kunnen zijn;
4.3.
stelt vast dat partijen, te weten:
[naam vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
en
[naam man] ,
wonende te [woonplaats] ,
bij proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen het hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling en dat het routeringspunt zorgt voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
4.4.
bepaalt dat partijen met behulp van dit hulpverleningstraject bewerkstelligen dat zij op een constructieve manier met elkaar overleggen en samenwerken in het belang van de minderjarige en dat zij nadere afspraken zullen maken ten behoeve van onbelast en regelmatig contact tussen de minderjarige en beide partijen;
4.5.
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking een kennisgeving van deze beschikking naar het routeringspunt te zenden naar:
Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond
t.a.v. het routeringspunt
Dynamostraat 16, 3083 AK Rotterdam
e-mailadres: zorgbemiddeling@jbrr.nl;
4.6.
bepaalt dat het routeringspunt vóór na te melden pro-formadatum het eindverslag van de hulpverleningsinstantie aan de rechtbank verzendt en daarvan gelijktijdig een kopie aan de raad voor de kinderbescherming verzendt, als het hulpverleningstraject niet of deels is geslaagd;
4.7.
beveelt de griffier na ontvangst van het eindverslag een kopie daarvan aan beide partijen en hun advocaten te versturen;
4.8.
verzoekt partijen, na ontvangst van het eindverslag van een geslaagd hulpverleningstraject, binnen een termijn van twee weken schriftelijk hierop te reageren;
4.9.
verzoekt de raad voor de kinderbescherming bij een geheel of gedeeltelijk niet geslaagd hulpverleningstraject:
- te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen;
- de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren; en
- als dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel; en
- daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen,
met dien verstande dat de rechtbank kan beslissen, mits voldoende ingelicht, om zonder hiervoor genoemd raadsonderzoek een eindbeschikking te geven;
4.10.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.11.
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling aan tot
1 februari 2027 PRO FORMA.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.A. van Egmond, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van H.J. de Wit, griffier, op 28 mei 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.