ECLI:NL:RBROT:2026:7226

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/10/717121 / KG ZA 26-295
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34 Paspoortwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing opschorting zorgregeling en gedeeltelijke toewijzing vakantie- en identiteitskaartvorderingen in kort geding

De rechtbank Rotterdam behandelde een kort geding tussen een man en een vrouw over de zorgregeling en vakantieafspraken voor hun minderjarige kind. De vrouw vorderde opschorting van de uitvoerbaarheid van de zorgregeling bij beschikking van 5 november 2025, terwijl de man diverse vorderingen had tot vervangende toestemming voor vakanties, aanvraag identiteitskaart en nakoming zorgregeling.

De rechtbank oordeelde dat de vrouw onvoldoende zwaarwegende redenen had om de zorgregeling op te schorten, mede gelet op het belang van het kind en de man. De vordering tot vakantie naar Griekenland werd afgewezen vanwege het korte termijn en spanningen bij het kind, maar de zomervakantie in de periode juli-augustus 2026 werd toegewezen. Ook werd de man vervangende toestemming verleend voor de aanvraag van een identiteitskaart en werd de vrouw veroordeeld tot afgifte van het verlopen paspoort.

De vrouw werd veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling en tot afgifte van de minderjarige conform de regeling, met dwangsommen bij niet-nakoming. De kosten werden gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.

Uitkomst: Vrouw wordt veroordeeld tot nakoming zorgregeling en afgifte minderjarige, man krijgt vervangende toestemming voor vakantie en identiteitskaart; opschorting zorgregeling wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Familie
Zaaknummer: C/10/717121 / KG ZA 26-295
Vonnis in kort geding van 23 april 2026
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. J.L.A. van de Velde te Ridderkerk,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. W.H.P. de Jong te Roosendaal.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de betekende dagvaarding met bijlagen van de man van 27 maart 2026;
- het bericht van de man met bijlage van 15 april 2026;
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met bijlagen, van de vrouw van 16 april 2026;
- de akte houdende vermeerdering van eis van de man van 17 april 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 20 april 2026.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man pleitaantekeningen overgelegd.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Het minderjarige kind van partijen is:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] .
2.2.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.
2.3.
De minderjarige heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
2.4.
De minderjarige is bij beschikking van deze rechtbank van 31 oktober 2023 onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West (hierna: de GI).
Bij beschikking van deze rechtbank van 29 oktober 2025 is de ondertoezichtstelling van de minderjarige laatst verlengd tot 30 januari 2026.
2.5.
Bij beschikking van deze rechtbank van 28 februari 2024 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Op 18 juli 2024 is die beschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.6.
In genoemde beschikking van 28 februari 2024 is een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (verder: zorgregeling) tussen de man en de minderjarige vastgesteld van – kort gezegd – eerst onder begeleiding en met een opbouwregeling naar uiteindelijk een onbegeleide zorgregeling van een weekend per veertien dagen en de helft van de vakanties en feestdagen. De opbouw van de zorgregeling en de verdeling van de vakanties en feestdagen vindt plaats onder regie van de GI.
2.7.
Op 29 maart 2024 heeft de GI een schriftelijke aanwijzing gegeven aan de vrouw over de uitvoering van de zorgregeling tussen de man en de minderjarige. Bij beschikking van deze rechtbank van 18 juni 2024 is de schriftelijke aanwijzing deels bekrachtigd.
2.8.
Bij beschikking van deze rechtbank van 18 februari 2025 is aan de vrouw een dwangsom opgelegd van € 250,00 voor iedere keer dat zij de schriftelijke aanwijzing (van 29 maart 2024) niet nakomt.
2.9.
Bij beschikking van deze rechtbank van 5 november 2025 is - voor zover hier van belang - de bij genoemde beschikking van 28 februari 2024 vastgestelde zorgregeling nader vastgesteld als volgt:
Reguliere zorgregeling
- de minderjarige verblijft in de even weken van vrijdagmiddag na school tot maandag-ochtend naar school bij de man;
Vakanties
Meivakantie: in de oneven jaren verblijft de minderjarige de eerste week bij de man en de
tweede week bij de vrouw. In de even jaren verblijft de minderjarige de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man;
- Zomervakantie: in de oneven jaren verblijft de minderjarige de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie weken bij de man. In de even jaren verblijft de minderjarige de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw.

3.Het geschil in conventie en reconventie

3.1.
De man vordert, na vermeerdering van eis en wijziging van zijn eis onder b tijdens de mondelinge behandeling:
a. vervangende toestemming te verlenen voor een vakantie met de minderjarige naar Griekenland ( [adres] ) in de periode van 25 april 2026 tot en
met 2 mei 2026;
b. vervangende toestemming te verlenen voor een vakantie met de minderjarige gedurende twee weken in de periode van 17 juli 2026 tot en met 7 augustus 2026 naar Italië, Frankrijk, Spanje of Griekenland;
c. primair: vervangende toestemming te verlenen voor de aanvraag van een identiteitskaart voor de minderjarige, subsidiair te bepalen dat de vrouw gehouden is mee te werken aan de aanvraag van een identiteitskaart voor de minderjarige, op straffe van een dwangsom van
€ 500,- voor iedere dag, althans een gedeelte daarvan, dat zij daar niet aan voldoet, tot een maximum van € 10.000,-;
d. te bepalen dat de vrouw gehouden is de geldende zorgregeling onverkort na te
komen (de rechtbank leest: de vrouw te veroordelen tot nakoming van de geldende zorgregeling) en de minderjarige conform deze regeling aan hem af te geven, op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere keer, althans een gedeelte daarvan, dat zij daar niet aan voldoet, tot een maximum van € 10.000,-;
e. te bepalen dat de vrouw gehouden is de minderjarige vanwege de hiervoor onder sub a. en sub b. genoemde vakanties tijdig aan hem af te geven, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag(deel), dat de vrouw daar niet aan voldoet, tot een maximum van € 10.000,-;
g. de vrouw te gebieden het verlopen paspoort van de minderjarige aan hem af te geven, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor ieder(e) dag(deel) dat de vrouw daar niet aan voldoet, tot een maximum van € 10.000,-.
3.2.
De vrouw voert verweer. Zij vordert in reconventie te bepalen dat haar verplichting tot medewerking aan genoemde beschikking van 5 november 2025 wordt opgeschort, voor zover dit betreft de verplichting tot medewerking aan meer dan een zorgweekend (tussen de man en de minderjarige) in de twee weken van zaterdag 10:00 uur tot zondag 19:00 uur. De voorzieningenrechter begrijpt de vordering tot opschorting zo dat deze ook ziet op de vakantieregeling en daarmee dus ook op de meivakantie van 2026 en de zomervakantie van 2026.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat er een spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vorderingen aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorzieningen wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
4.2.
De voorzieningenrechter gaat om proceseconomische redenen eerst over tot beoordeling van de vordering van de vrouw in reconventie.
De reconventionele vordering van de vrouw
4.3.
De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van deze rechtbank van 5 november 2025, waarin de bij beschikking van 28 februari 2024 bepaalde zorgregeling nader is gespecificeerd. De rechtbank begrijpt de vordering zo, dat de vrouw de uitvoerbaarheid bij voorraad van die beschikking van 5 november 2025 wil opschorten, in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep.
4.4.
In een executiegeschil zoals dat zich hier voordoet, geldt het volgende juridische kader (ontleend aan de uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026).
Uitgangspunt is (a) dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.
Vervolgens is van belang dat (b) bij de toepassing van de onder (a) genoemde maatstaf in een incident of in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.
Daarbij zij verder opgemerkt dat (c) indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak gemotiveerd is, de eiser of verzoeker, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag moet leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken
4.5.
Toepassing van deze maatstaf leidt tot het volgende. Niet is gesteld of gebleken dat sprake is van een juridische of feitelijke misslag in de beschikking, waardoor tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Daarnaast heeft deze rechtbank haar beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad niet gemotiveerd. Dat betekent dat deze afweging alsnog moet worden gemaakt. Daarbij is het volgende van belang.
4.6.
Vaststaat dat door partijen uitvoering is gegeven aan de bij beschikking van
5 november 2025 nader gespecificeerde zorgregeling tussen de man en de minderjarige, tot aan de voorjaarsvakantie van 2026. In die voorjaarsvakantie van 2026 is de minderjarige een week bij de man geweest, conform de vakantieregeling. Daarna is de (reguliere) zorgregeling niet meer uitgevoerd. Partijen verschillen van mening over de exacte reden daarvan, beide partijen beschuldigen elkaar ervan geen uitvoering te (willen) geven aan de zorgregeling. Zo voert de vrouw aan dat de man niet op de door haar opgegeven tijdstippen en locaties klaarstaat, terwijl de man aanvoert dat de vrouw de minderjarige opzettelijk thuishoudt van school, zodat hij haar niet van school kan ophalen op vrijdagmiddag.
Het gevolg van deze impasse is dat de man en de minderjarige elkaar sinds de voorjaarsvakantie niet meer hebben gezien.
De vrouw stelt dat de minderjarige veel weerstand vertoont tegen contact met de man en dat zij telkens erg overstuur raakt in aanloop naar de omgangsweekenden. De vrouw wil dat de zorgregeling wordt beperkt en is bereid om mee te werken aan een regeling van een weekend per veertien dagen van zaterdag 10:00 uur tot zondag 19:00 uur, die destijds – voor de beschikking van 5 november 2025 – door partijen structureel werd nagekomen. De vrouw wijst er daarbij op dat ook de GI destijds heeft verzocht om de zorgregeling op die manier vast te stellen. De man geeft aan dat het vooral de vrouw is die de zorgregeling structureel niet naleeft en de minderjarige negatief beïnvloedt in het contact met hem.
4.7.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Uit de beschikking van 5 november 2025 volgt dat een reguliere zorgregeling is vastgesteld van een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend naar school. De rechtbank heeft bij de vaststelling daarvan als uitgangspunt – onder meer – gehanteerd dat er zo min mogelijk overdrachtsmomenten zijn. Dit omdat het partijen niet lukt om in onderling overleg tot werkbare afspraken te komen, en de daaruit voortvloeiende spanningen tussen partijen een ernstige bedreiging vormen voor de ontwikkeling van de minderjarige. Die spanningen tussen partijen zijn onverminderd aanwezig en dat heeft nog steeds zijn weerslag op de minderjarige. Wat de vrouw hierover heeft gesteld, is onvoldoende zwaarwegend om de in de beschikking van 5 november 2025 bepaalde zorgregeling op te schorten. Het belang van de man én van de minderjarige om de vastgestelde zorgregeling voort te zetten is groter dan het belang van de vrouw om het hoger beroep af te wachten. Daarbij is een kort gedingprocedure is niet bedoeld als een verkapt rechtsmiddel. Als de vrouw aanpassing wil van de zorgregeling, dan staat daarvoor de route van het hoger beroep open. Dat heeft de vrouw inmiddels ingesteld.
4.8.
Alles in aanmerking genomen, wijst de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw af.
De conventionele vorderingen van de man
4.9.
De voorzieningenrechter gaat nu over tot beoordeling van de vorderingen van de man in conventie.
4.10.
a)
Vervangende toestemming vakantie Griekenland
De man heeft de wens om al over enkele dagen naar Griekenland te vliegen met de minderjarige, voor een vakantie van een week. Uit de aard van deze vordering vloeit naar het oordeel van de voorzieningenrechter een spoedeisend belang voort. De voorzieningenrechter acht het echter, met de raad, niet in het belang van de minderjarige dat zij op een zo korte termijn met de man op vakantie gaat, terwijl zij hem al sinds de voorjaarsvakantie niet heeft gezien. De raad adviseert nadrukkelijk dat de zorgregeling eerst structureel moet worden nagekomen en de voorzieningenrechter kan zich daarin vinden. Op dit moment ervaart de minderjarige spanning in de contacten met de man, ongeacht waar deze spanningen door worden veroorzaakt. Het is de verantwoordelijkheid van beide partijen om de spanning bij de minderjarige weg te nemen door structuur, voorspelbaarheid en (emotionele) veiligheid in de zorgregeling aan te brengen. Daarbij ligt met name een grote rol en verantwoordelijkheid voor de vrouw, omdat de minderjarige grotendeels bij haar verblijft. De vrouw dient deze emotionele toestemming aan de minderjarige te verlenen. Zo wordt het voor de minderjarige duidelijk wanneer zij haar vader ziet en kan zij op enig moment weer veilig en ontspannen met de man op vakantie gaan. Daar is nu nog geen sprake van. Een gebrek aan structuur leidt tot spanning bij de minderjarige en dat is niet in haar belang. Het voorgaande maakt dat de vordering van de man om met de minderjarige naar Griekenland op vakantie te gaan wordt afgewezen.
4.11.
Het voorgaande laat onverlet, dat de minderjarige conform de vakantieregeling in de beschikking van 5 november 2025 in die betreffende vakantieperiode (de tweede week van de meivakantie van 2026) wel bij de man is. Zoals hiervoor overwogen is dat dan weer voor het eerst sinds de voorjaarsvakantie. De voorzieningenrechter vertrouwt erop dat als de man ziet dat het met de minderjarige in die vakantieweek niet goed gaat of dat een dergelijke vakantieweek te lang voor haar is, dat hij daarover in contact treedt met de vrouw om te bespreken of het wel in haar belang is dat de minderjarige een hele week bij hem verblijft, of dat zij wellicht voor een kortere periode bij hem zal blijven.
b) Vervangende toestemming zomervakantie van 2026
4.12.
De voorzieningenrechter ziet in het feit dat in deze periode van het jaar zomervakanties worden geboekt en voorbereid, voldoende spoedeisend belang van de man bij deze vordering.
4.13.
De voorzieningenrechter acht het in het belang van de minderjarige dat zij met de man op zomervakantie kan gaan. Die vakantie vindt plaats in de vakantieperiode van de man met de minderjarige volgens zorgregeling in de beschikking van 5 november 2025. De vrouw heeft, afgezien van haar stelling dat zij die vakantieperiode te lang voor de minderjarige vindt en dat er moet worden begonnen met een opbouw, geen inhoudelijke redenen aangevoerd tegen die vakantie. De voorzieningenrechter vindt dit bezwaar van de vrouw onvoldoende zwaarwegend om de vordering van de man niet toe te wijzen. Onder de gegeven omstandigheden kan een vakantie zoals gevorderd juist een positieve bijdrage leveren aan het verstevigen van de band tussen de man en de minderjarige, zeker als de vrouw haar emotionele toestemming verleent en de minderjarige hierbij actief ondersteunt. Deze vordering van de man wordt dan ook toegewezen.
c) Vervangende toestemming aanvraag identiteitskaart voor de minderjarige en
g) gebod afgifte verlopen paspoort minderjarige
4.14.
De man vordert vervangende toestemming te verlenen voor de aanvraag van een identiteitsbewijs voor de minderjarige.
4.15.
Als bij gezamenlijke gezagsuitoefening één van de personen die het gezag uitoefenen, weigert een verklaring van toestemming af te geven kan deze toestemming op grond van artikel 34 lid 2 Paspoortwet Pro worden vervangen door een verklaring van de rechtbank. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het in dit geval in het belang van de minderjarige dat die vervangende toestemming wordt gegeven. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe als volgt. Gelet op de historie tussen partijen en de impasse waarin zij inmiddels verkeren, waarin het hen niet lukt om constructief samen te werken in het belang van de minderjarige zonder enige vorm van strijd, is het de voorzieningenrechter duidelijk geworden dat partijen over en weer niet mee zullen werken op het moment dat de ander een identiteitskaart of paspoort voor de minderjarige wil aanvragen. Zo heeft de vrouw in het geheel niet gereageerd op het verzoek daarvoor van de man in januari 2026, terwijl de vrouw zelf steeds terugverwijst naar de situatie in 2023, omdat de man op dat moment niet zou willen meewerken aan de aanvraag voor een identiteitskaart voor de minderjarige. Dat de vrouw nu, kort voor de mondelinge behandeling, zonder medeweten en instemming van de man, alsnog een afspraak heeft gemaakt voor de aanvraag van een paspoort, maakt dit niet anders. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de minderjarige zo spoedig mogelijk een identiteitsbewijs moet hebben, mede omdat haar identiteitsbewijs sinds 2023 is verlopen en het partijen tot nu toe niet is gelukt om dit samen te regelen. De voorzieningenrechter geeft de man dan ook vervangende toestemming voor de aanvraag van een identiteitskaart voor de minderjarige.
4.15.1.
Daarbij vordert de man onder sub g) de vrouw te gebieden het verlopen paspoort van de minderjarige na betekening van dit vonnis aan hem af te geven, op straffe van een dwangsom. De man stelt dat hij dit verlopen paspoort moet overleggen aan de gemeente bij de aanvraag van een nieuw identiteitsbewijs. Omdat de vrouw daar geen verweer tegen heeft gevoerd, wijst de voorzieningenrechter deze vordering van de man toe. In de weigerachtige opstelling van partijen ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding hieraan een dwangsom te verbinden en bepaalt de dwangsom dan ook op € 100,- per dag(deel) na betekening van dit vonnis dat de vrouw daar niet aan meewerkt, tot een maximum van € 2.500,-.
4.16.
Met toewijzing van de primaire vordering, komt de rechtbank niet meer toe aan de subsidiaire vordering van de man.
d) Veroordeling nakoming zorgregeling
4.17.
Het uitgangspunt is dat een rechterlijke uitspraak over de omgang moet worden
nagekomen. Hierop zijn twee uitzonderingen mogelijk. De eerste uitzondering is wanneer na de uitspraak de omstandigheden zo zijn gewijzigd, dat volledige nakoming van die uitspraak in strijd is met de belangen van de minderjarige. De tweede uitzondering is wanneer bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
4.18.
In lijn met en onder verwijzing naar hetgeen de voorzieningenrechter over de reconventionele vordering van de vrouw heeft overwogen, waarbij
nietwordt overgegaan tot opschorting van in de beschikking van 5 november 2025 vastgestelde zorgregeling, wijst de voorzieningenrechter de vordering van de man om de vrouw te veroordelen tot nakoming van de geldende zorgregeling en om de minderjarige conform die zorgregeling aan hem af te geven, toe. Niet is gebleken dat na de uitspraak de omstandigheden zo zijn gewijzigd, dat volledige nakoming van die uitspraak in strijd is met de belangen van de minderjarige, dan wel dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
4.19.
Gelet op het verleden tussen partijen, waarbij de vrouw vaker de zorgregeling niet is nagekomen, ziet de voorzieningenrechter voldoende reden om een dwangsom daaraan te verbinden. De voorzieningenrechter stelt de dwangsom op € 100,- per keer, althans een gedeelte daarvan, tot een maximum van € 2.500,-.
e) Afgifte minderjarige voor de onder a) en b) gevorderde vakanties
4.20.
Eveneens in lijn met wat hiervoor onder sub d) is overwogen, wijst de voorzieningenrechter deze vordering van de man toe. Alhoewel de vordering van de man tot het verlenen van vervangende toestemming voor een vakantie met de minderjarige naar Grienenland is afgewezen, is de vrouw wel gehouden om de minderjarige af te geven ten behoeve van het verblijf van de minderjarige bij de man in de meivakantie van 2026. Ook hier stelt de voorzieningenrechter de dwangsom op € 100,- per keer, althans een gedeelte daarvan, tot een maximum van € 2.500,-.

5.Proceskosten

5.1.
De man vordert de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure.
5.2.
Het uitgangspunt in familiezaken is dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken en zal overeenkomstig beslissen.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
6.1.
verleent de man vervangende toestemming voor een vakantie met de minderjarige naar Frankrijk, Spanje, Griekenland of Italië gedurende twee weken in de periode van 17 juli 2026 tot en met 7 augustus 2026;
6.2.
bepaalt dat deze vervangende toestemming strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de vrouw;
6.3.
verleent de man vervangende toestemming voor de aanvraag van een identiteitskaart voor de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] ;
6.4.
bepaalt dat deze vervangende toestemming strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de vrouw;
6.5.
gebiedt de vrouw om het verlopen paspoort van de minderjarige na betekening van dit vonnis aan de man af te geven;
6.6.
veroordeelt de vrouw tot nakoming van de geldende zorgregeling en om de minderjarige conform deze regeling aan de man af te geven;
6.7.
veroordeelt de vrouw om de minderjarige tijdig af te geven ten behoeve van de meivakantie van 2026 en de zomervakantie van 2026;
6.8.
veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 100,- voor iedere keer/dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de onder 6.5., 6.6. en 6.7. uitgesproken hoofdveroordelingen voldoet, telkens tot een maximum van € 2.500,-;
6.9.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
in reconventie
6.11.
wijst af de vordering van de vrouw;
in conventie en in reconventie
6.12.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A. van Egmond en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.