Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De procedure
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .
Rechtbank Rotterdam
De vrouw heeft een kort geding aangespannen tegen de man met het verzoek om hem te schorsen in het gezamenlijk ouderlijk gezag over hun minderjarige kinderen, mede vanwege bedreigingen die de man in februari 2026 zou hebben geuit. Tevens verzocht zij om vervangende toestemming voor het aanvragen en verlengen van een paspoort voor een van de minderjarigen en andere handelingen die verband houden met het gezag.
De man is niet verschenen ondanks behoorlijke oproeping, waardoor verstek is verleend. De rechtbank oordeelt dat schorsing van het ouderlijk gezag niet door een ouder kan worden gevorderd, maar uitsluitend door de raad voor de kinderbescherming of het Openbaar Ministerie, zoals bepaald in de artikelen 1:267 en 1:268 BW. Daarom is de vrouw niet-ontvankelijk in haar primaire vordering tot schorsing.
De subsidiaire vordering tot vervangende toestemming voor het paspoort van de minderjarige wordt eveneens afgewezen, mede omdat de vrouw niet aan de man om toestemming heeft gevraagd en er geen spoedeisend belang is. De overige vorderingen die samenhangen met het gezag worden ook afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De vrouw wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schorsing van de man in het ouderlijk gezag en haar verzoek tot vervangende toestemming wordt afgewezen.