Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7250

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
10/066958-25 en TUL: 10/310234-24; 10/106884-23
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bedreiging met brandstichting en vrijspraak voorbereidingshandelingen

De rechtbank Rotterdam heeft op 31 maart 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een verdachte die op 2 maart 2025 te Rotterdam een ander bedreigde met brandstichting. De bedreiging bestond uit dreigende woorden en videoberichten waarin de verdachte een jerrycan vulde met brandbare vloeistof. De verdachte bekende de bedreiging, maar ontkende voorbereidingshandelingen met het oog op brandstichting.

De rechtbank oordeelde dat de bedreiging bewezen is, maar sprak de verdachte vrij van de voorbereidingshandelingen omdat niet kon worden vastgesteld dat de jerrycan bestemd was voor het plegen van brandstichting. De verdachte had de jerrycan gevuld om de bedreiging geloofwaardig te maken, maar er was geen bewijs van een crimineel opzet gericht op brandstichting.

De rechtbank legde een taakstraf van 60 uur op, waarvan 40 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De straf houdt rekening met eerdere veroordelingen en het reclasseringsadvies, dat een laag tot gemiddeld recidiverisico inschat. De rechtbank besloot ook tot verlenging van de proeftijd van een eerdere voorwaardelijke straf met 2 jaar en tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke taakstraf wegens het plegen van het feit tijdens de proeftijd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk, en vrijgesproken van voorbereidingshandelingen brandstichting.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/066958-25
Parketnummers vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10/310234-24; 10/106884-23
Datum uitspraak: 31 maart 2026
Datum zitting: 17 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1995 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] [postcode] [woonplaats]
Advocaat van de verdachte: mr. A.C. Gocmen,
officier van justitie: mr. M. Vollebregt,
benadeelde partij: [benadeelde] .
Kern van het vonnis
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met brandstichting. De verdachte heeft dit feit ook bekend. De rechtbank legt de verdachte hiervoor een grotendeels voorwaardelijke taakstraf op. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van voorbereidingshandelingen die zien op brandstichting.

1.Tenlastelegging

1.
zij op of omstreeks 2 maart 2025 te Rotterdam,
[slachtoffer] heeft bedreigd met
- enig misdrijf tegen het leven gericht en/of
- zware mishandeling en/of
- brandstichting
door die [slachtoffer] telefonisch en/of per videobericht dreigend de
woorden toe te voegen "Ik ben nu bij een benzinestation en een jerrycan aan het
vullen met benzine. Ik ga je huis in de brand steken met deze jerrycan", althans
woorden van gelijke dreigende aard of strekking
2.
zij op of omstreeks 2 maart 2025 te Rotterdam,
ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijke
brandstichting en/of het teweegbrengen van een ontploffing (als bedoel in artikel
157 van het Wetboek van Strafrecht)
opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen,
bestemd tot het begaan van dat misdrijf,
te weten een jerrycan gevuld met brandbare vloeistof,
kennelijk bestemd tot begaan van dat misdrijf,
heeft verworven en/of vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad;

2.Bewijs / Vrijspraak

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor beide feiten. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de voorbereidingshandelingen die zien op de brandstichting. De verdediging heeft zich ten aanzien van de bedreiging gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte de aangever op 2 maart 2025 heeft bedreigd door te dreigen zijn woning in brand te steken. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven [1] .
1.
Verklaring van de verdachte [2]
2.
Proces-verbaal van de politie, verklaring van de aangever [slachtoffer] [3]
2.3.2.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1.
zij op 2 maart 2025 te Rotterdam,
[slachtoffer] heeft bedreigd met
brandstichting
door die [slachtoffer] telefonisch en per videobericht dreigend de
woorden toe te voegen “Ik ben nu bij een benzinestation en een jerrycan aan het
vullen met benzine. Ik ga je huis in de brand steken met deze jerrycan”.
2.3.3.
Vrijspraak van voorbereidingshandelingen die zien op brandstichting
De verdachte heeft aan de aangever videoberichten gestuurd waarop het vullen van een jerrycan te zien is en zij heeft daaraan de dreigende woorden toegevoegd dat zij zijn woning in brand zou steken. Aldus staat vast – en zo wordt door verdachte ook erkend – dat zij een jerrycan gevuld met diesel voorhanden heeft gehad. Voor een bewezenverklaring voor voorbereidingshandelingen is echter vereist dat ook kan worden vastgesteld dat het voorwerp bestemd was tot het begaan van het in de tenlastelegging opgenomen misdrijf. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de bestemming van het voorwerp moet worden beoordeeld aan de hand van (i) de uiterlijke verschijningsvorm, (ii) het gebruik van het voorwerp, en (iii) het misdadige doel dat de verdachte met dat gebruik voor ogen had. Ook moet de verdachte (voorwaardelijk) opzet hebben op de criminele bestemming van het voorbereidingsmiddel.
De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting ontkend de intentie te hebben gehad brand te stichten in de woning. Zij wilde de aangever enkel bang maken. Verdachte heeft ook verklaard dat zij de jerrycan met diesel heeft gevuld en van dat vullen een foto heeft gestuurd om die bedreiging zo serieus mogelijk te laten lijken.
De politie die kort na de bedreiging bij de woning van de aangever kwam, trof de nog altijd gevulde jerrycan aan in de hal naast de trap. De verdachte was op dat moment aanwezig in de woning, maar verrichtte geen handelingen die erop wezen dat zij op het punt stond brand te gaan stichten. Naar het oordeel van de rechtbank past de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen van de verdachte onder die omstandigheden meer bij een bedreiging dan bij voorbereidingshandelingen die zien op brandstichting. Nu ook uit ander bewijs niet blijkt dat verdachte de jerrycan voorhanden had om daadwerkelijk brand te stichten, acht de rechtbank niet bewezen dat het opzet van de verdachte op iets anders dan het bedreigen van de aangever gericht was. De verdachte wordt daarom vrijgesproken.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
bedreiging met brandstichting.
3.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 60 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht waarvan 56 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en tot een taakstraf van 160 uur.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, te volstaan met een beperkte taakstraf en conform het reclasseringsadvies geen bijzondere voorwaarden op te leggen.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met brandstichting. Bij de politie en ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat zij de aangever bang wilde maken. Dat zij daarin is geslaagd, blijkt wel uit de verklaring die de aangever bij de politie heeft afgelegd. Door haar handelen heeft de verdachte een beangstigende situatie in het leven geroepen waar de aangever last van heeft gehad en waarvoor geen rechtvaardiging is. Dat rekent de rechtbank de verdachte aan.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 11 februari 2026 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
De rechtbank weegt dit mee in haar strafmaatoverweging.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Fivoor van 7 januari 2026 staat – voor zover hier relevant - het volgende.
De verdachte werd eerder veroordeeld voor belaging en heeft momenteel reclasseringstoezicht. De reclassering acht de relatie met aangever, het psychosociaal functioneren en de houding van de verdachte ten tijde van de verdenking delictgerelateerd. Indirect acht de reclassering het leefgebied huisvesting ten tijde van de verdenking in verband met het delictgedrag, daar de verdachte destijds deels bij aangever woonde. Anderzijds ziet de reclassering dat het recidiverisico is afgenomen doordat de verdachte en de aangever niet meer samenwonen, zij geen contact meer hebben en de verdachte in het kader van het huidige reclasseringstoezicht, conform de bijzondere voorwaarden, onder behandeling is bij de Waag en begeleid woont bij Humane Zorg met de mogelijkheid voor urgentie en zelfstandige huisvesting. Buiten de reclassering om wordt de verdachte tevens begeleid door een werkcoach van de gemeente Rotterdam. De reclassering is van mening dat het hebben van dagbesteding en een gestructureerd dagritme verder zal bijdragen aan het verminderen van het recidiverisico. De verdachte werkt goed mee en is ook gemotiveerd om de behandeling bij de Waag en verdere begeleiding voort te zetten in een vrijwillig kader. De reclassering concludeert dat het inzetten van andere interventies niet nodig is en geen meerwaarde zal hebben. Omdat het huidige reclasseringstoezicht zal worden voortgezet adviseert de reclassering bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Het risico op recidive en het risico op letsel wordt ingeschat als laag-gemiddeld.
Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag.
De reclassering acht de verdachte in staat om een werkstraf uit te voeren.
4.3.3.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. In lijn daarmee wordt een taakstraf van 60 (zestig) uur opgelegd.
Van deze taakstraf wordt 40 (veertig) uur voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.

5.Vordering tot tenuitvoerlegging

5.1.
Vordering 10-106884-23
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 50 uur, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat zij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
5.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de proeftijd moet worden verlengd met 1 jaar.
5.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de vordering wordt afgewezen.
5.4.
Oordeel van de rechtbank
Het nu bewezen feit is tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het feit heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde dat zij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen.
De rechtbank ziet toch af van de tenuitvoerlegging. De reden daarvoor is dat het huidige reclasseringstoezicht voortkomt uit deze veroordeling en de rechtbank het van belang acht dat de bijzondere voorwaarden die aan de voorwaardelijke straf zijn gekoppeld blijven doorlopen. Ter terechtzitting is gebleken dat dit toezicht op korte termijn zal eindigen. Gelet op het reclasseringsadvies en de verklaring van de verdachte dat zij veel baat heeft bij de hulp en de begeleiding die haar thans worden geboden, acht de rechtbank het gepast om de proeftijd te verlengen met 2 jaar.
5.5.
Vordering 10-310234-24
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 50 uur, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat zij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
5.6.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen.
5.7.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de vordering moet worden afgewezen.
5.8.
Oordeel van de rechtbank
Het nu bewezen feit is tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het feit heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde dat zij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen. Daarom wordt de vordering toegewezen en beslist de rechtbank tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte van de straf.

6.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

7.Beslissingen

De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte feit 1, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf van 60 (zestig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat
52 (tweeënvijftig) uur taakstrafmoet worden verricht;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
26 (zesentwintig) dagen;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat
40 (veertig) uur van deze taakstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10-106884-23)
verlengt de proeftijd van de bij vonnis van 8 juni 2023 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf met 2 jaar;
wijst de gevorderde tenuitvoerlegging voor het overige af;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10-310234-24)
beveelt de
tenuitvoerleggingvan de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke
taakstrafvan
50 (vijftig) uren, zoals opgelegd in het vonnis van 9 januari 2025.

8.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.P Hameete, voorzitter,
en mrs. D.M. Douwes en T. Urbanus, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Loggen, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 31 maart 2026.
De voorzitter, de jongste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer] .
2.Verklaard tijdens de zitting van 17 maart 2026.
3.Pagina 1 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal] .