Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7254

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/4768
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 2.6 WhtArt. 6:20 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatieaanvraag Wet hersteloperatie toeslagen wegens ontbreken vooringenomenheid

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) voor de toeslagjaren 2015, 2016 en 2017. De Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag afgewezen omdat de aanpassingen van de kinderopvangtoeslag reguliere bijstellingen waren op basis van door eiser verstrekte informatie. Eiser stelde dat de Dienst Toeslagen vooringenomen had gehandeld en dat hij recht had op compensatie, mede omdat hij minder is gaan werken na een mededeling van de Dienst Toeslagen.

De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van institutionele vooringenomenheid zoals bedoeld in de Wht. De terugvorderingen en stopzettingen van toeslagen waren gebaseerd op door eiser zelf verstrekte gegevens en reguliere bijstellingen. De stelling van eiser dat hij telefonisch is geïnformeerd dat hij geen recht had op toeslag wordt niet ondersteund door het dossier en leidt niet tot een ander oordeel.

Daarnaast heeft eiser geen persoonlijke betalingsregeling aangevraagd noch geweigerd gekregen, waardoor hij geen recht heeft op een tegemoetkoming wegens opzet of grove schuld (O/GS). Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar is niet-ontvankelijk omdat inmiddels op het bezwaar is beslist.

De rechtbank verklaart het beroep voor het overige ongegrond, waardoor eiser geen compensatie ontvangt en ook geen proceskostenvergoeding krijgt. De uitspraak is gedaan door rechter S. Veling en griffier N. Joosse op 4 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de compensatieaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van institutionele vooringenomenheid en geen recht op O/GS-tegemoetkoming.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4768

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaatsnaam], eiser

(gemachtigde: mr. G.H. Amstelveen),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: [naam]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag voor de toeslagjaren 2015, 2016 en 2017. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht heeft vastgesteld dat geen sprake is van vooringenomen handelen. Ook komt de rechtbank tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht heeft vastgesteld dat eiser niet voor een O/GS-tegemoetkoming in aanmerking komt. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 1 juni 2023 met kenmerk [kenmerk] heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiser om compensatie op grond van de Wht afgewezen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 1 juni 2023.
2.2.
Met het besluit van 21 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser tegen het besluit van 1 juni 2023 ongegrond verklaard. Het beroep heeft van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit. [1]
2.3.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft op 25 juni 2021 een aanvraag gedaan om compensatie op grond van de Wht. Met het besluit van 1 juni 2023 heeft de Dienst Toeslagen de jaren 2015, 2016 en 2017 beoordeeld en de aanvraag om compensatie afgewezen. De Dienst Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat de kinderopvangtoeslag is aangepast op basis van informatie die door eiser is verstrekt. Met het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen bij dit standpunt gebleven.
Standpunt van eiser
4. Eiser voert aan dat hij wel recht heeft op compensatie voor de jaren 2015, 2016 en 2017. Hij heeft de kinderopvang stopgezet nadat de Dienst Toeslagen hem had medegedeeld dat hij geen recht had op kinderopvangtoeslag. Hierdoor is hij minder gaan werken om voor de kinderen te kunnen zorgen. De mededeling van de Dienst Toeslagen was vooringenomen. Verder voert eiser aan dat de Dienst Toeslagen aanneemt dat geen sprake is van opzet of grove schuld (O/GS) maar dat dat op basis van de stukken in het dossier niet kan worden gecontroleerd.
Recht op compensatie voor toeslagjaren 2015, 2016 en 2017
5. Voor de beoordeling van de vraag of eiser recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2015, 2016 en 2017 is het volgende van belang. De Dienst Toeslagen kent compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid. [2]
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen terecht vastgesteld dat er geen sprake is van vooringenomen handelen voor de jaren 2015, 2016 en 2017. Zoals volgt uit de Memorie van Toelichting gaat het bij institutionele vooringenomenheid niet alleen om collectieve stopzetting van de kinderopvangtoeslag zonder voorafgaande individuele beoordeling, maar ook om het opvragen bij belanghebbenden van grote hoeveelheden bewijsstukken; gevolgd door een zerotolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbrekende bewijsstukken met soms een tweede controle, wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing van de aanspraak op kinderopvangtoeslag was gevonden. Ook was sprake van het niet nader opvragen van informatie bij belanghebbenden bij een gebleken tekortkoming daarin en het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de stukken. [3] Bij eiser was van dit alles geen sprake.
5.2.
Uit het dossier volgt dat de terugvordering van de kinderopvangtoeslag over het jaar 2015 het gevolg was van door eiser toegestuurde stukken: het antwoordformulier en de jaaropgave van de kinderopvanginstelling. Op de jaaropgave staat dat kinderopvang is afgenomen voor de periode tussen 16 mei 2015 en 30 juni 2015 voor in totaal 43 uur en 35 minuten. Dit urenaantal heeft eiser ook ingevuld op het antwoordformulier. Het betrof dus een reguliere bijstelling van het recht op kinderopvangtoeslag op basis van door eiser doorgegeven informatie. De stelling van eiser dat hij door de Dienst Toeslagen is gebeld en dat hem is medegedeeld dat hij geen recht had op kinderopvangtoeslag, vindt geen steun in het dossier. Indien zou worden aangenomen dat deze stelling juist is, leidt dat nog niet tot de conclusie dat de Dienst Toeslagen hiermee ten aanzien van eiser institutioneel vooringenomen heeft gehandeld als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht. Voor het jaar 2016 geldt dat de kinderopvangtoeslag is teruggevorderd omdat eiser op het door hem toegestuurde antwoordformulier heeft aangegeven dat hij geen kinderopvangtoeslag heeft afgenomen in dit jaar. Voor het jaar 2017 geldt dat eiser op 12 april 2017 de kinderopvangtoeslag heeft stopgezet met ingang van 1 januari 2017. Ook dit betreffen reguliere bijstellingen op basis van door eiser doorgegeven informatie. Van institutioneel vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen is geen sprake. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Recht op een O/GS-tegemoetkoming
6. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag een O/GS-tegemoetkoming toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag indien aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend vanwege een onterechte kwalificatie O/GS ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag. [4]
6.1.
Eiser heeft niet gesteld dat hij een persoonlijke betalingsregeling heeft aangevraagd en dat die is geweigerd. Daarom, en bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel, gaat de rechtbank ervan uit dat hiervan geen sprake is geweest. Alleen hierom al heeft de Dienst Toeslagen zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen recht heeft op een O/GS-tegemoetkoming. Onder deze omstandigheden behoeft de stelling dat eiser niet kan controleren of de Dienst Toeslagen terecht heeft aangenomen dat geen sprake is geweest van opzet of grove schuld (O/GS), niet te worden besproken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Beroep niet-tijdig beslissen
7. Het beroep, voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 1 juni 2023, is niet-ontvankelijk, omdat de Dienst Toeslagen met het bestreden besluit alsnog op die bezwaren heeft beslist en eiseres in zoverre geen procesbelang meer heeft bij het beroep.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep, voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen op de bezwaren tegen het besluit van 1 juni 2023, is niet-ontvankelijk. Voor het overige is het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op de bezwaren tegen het besluit van 1 juni 2023 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Joosse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht.
4.Artikel 2.6, eerste lid, van de Wht.