ECLI:NL:RBROT:2026:7254
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing compensatieaanvraag Wet hersteloperatie toeslagen wegens ontbreken vooringenomenheid
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) voor de toeslagjaren 2015, 2016 en 2017. De Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag afgewezen omdat de aanpassingen van de kinderopvangtoeslag reguliere bijstellingen waren op basis van door eiser verstrekte informatie. Eiser stelde dat de Dienst Toeslagen vooringenomen had gehandeld en dat hij recht had op compensatie, mede omdat hij minder is gaan werken na een mededeling van de Dienst Toeslagen.
De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van institutionele vooringenomenheid zoals bedoeld in de Wht. De terugvorderingen en stopzettingen van toeslagen waren gebaseerd op door eiser zelf verstrekte gegevens en reguliere bijstellingen. De stelling van eiser dat hij telefonisch is geïnformeerd dat hij geen recht had op toeslag wordt niet ondersteund door het dossier en leidt niet tot een ander oordeel.
Daarnaast heeft eiser geen persoonlijke betalingsregeling aangevraagd noch geweigerd gekregen, waardoor hij geen recht heeft op een tegemoetkoming wegens opzet of grove schuld (O/GS). Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar is niet-ontvankelijk omdat inmiddels op het bezwaar is beslist.
De rechtbank verklaart het beroep voor het overige ongegrond, waardoor eiser geen compensatie ontvangt en ook geen proceskostenvergoeding krijgt. De uitspraak is gedaan door rechter S. Veling en griffier N. Joosse op 4 juni 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de compensatieaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van institutionele vooringenomenheid en geen recht op O/GS-tegemoetkoming.