ECLI:NL:RBROT:2026:727

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
C/10/710566 / KG ZA 25-1168
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van vorderingen in kort geding betreffende omgangsregeling minderjarigen

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 19 januari 2026 uitspraak gedaan in een kort geding tussen een vrouw en een man, die de ouders zijn van twee minderjarigen. De vrouw vorderde de opschorting van de huidige zorgregeling, omdat zij zich zorgen maakte over de veiligheid van de kinderen onder de zorg van de man. De man betwistte de vorderingen van de vrouw en stelde dat de omgangsregeling goed verloopt. Tijdens de mondelinge behandeling op 8 januari 2026 waren de ouders niet aanwezig, maar hun advocaten en de raad voor de kinderbescherming waren wel aanwezig. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang was voor de opschorting van de omgangsregeling, omdat de huidige regeling al loopt en er geen acute of ernstige situatie was die onmiddellijke ingrijpen vereiste. De vrouw had haar zorgen niet voldoende onderbouwd met objectieve gegevens. De voorzieningenrechter maakte zich wel zorgen over de minderjarigen, maar oordeelde dat de betrokken hulpverlening voldoende was en dat een Ouderschap in Overleg traject niet nodig was. De vorderingen van de vrouw werden afgewezen en de proceskosten werden gecompenseerd, waarbij elke partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Familie
Zaaknummer: C/10/710566 / KG ZA 25-1168
Vonnis in kort geding van 19 januari 2026
in de zaak van
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij,
advocaat: mr. N. Schuerman,
tegen
[naam man], hierna: de man,
met een briefadres in [woonplaats 2],
gedaagde partij,
advocaat: mr. R.E. Gout de Kreek.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van 3 december 2025;
- de conclusie van antwoord van 6 januari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 8 januari 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de advocaat van de vrouw;
  • de advocaat van de man;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam].
De vrouw en de man zijn niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
2.2.
Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats];
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2024 te [geboorteplaats].
2.3.
Het ouderlijk gezag over de [minderjarige 1] wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend. De vrouw oefent van rechtswege het ouderlijk gezag uit over de [minderjarige 2].
2.4.
De minderjarigen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

3.Het geschil

3.1.
De vrouw vordert, uitvoerbaar bij voorraad, de huidige zorgregeling op te schorten totdat er passende veiligheidsafspraken zijn gemaakt en er begeleiding is bij het hervatten van de zorgregeling. Daarnaast vordert de vrouw doorverwijzing naar het Uniform Hulpaanbod en het Rotterdams Omgangshuis.
3.2.
De man vordert de vorderingen van de vrouw integraal af te wijzen en subsidiair, alleen indien de rechter enige maatregel noodzakelijk acht, te bepalen dat de omgang wordt voortgezet conform de bestaande afspraken van 3 november 2025 en/of dat partijen begeleiding krijgen bij overdracht. Ook vordert de man steeds het behandelplan van de man uit 2018 buiten beschouwing te laten en de vrouw te veroordelen in de proceskosten van het geding.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Spoedeisend belang
4.1.1.
De vrouw stelt dat zij een spoedeisend belang heeft. De man betwist dit.
4.1.2.
De vrouw legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de veiligheid van de minderjarigen onder de zorg van de man onvoldoende is gewaarborgd in de huidige omstandigheden. Zo vreest de vrouw dat de man zijn emoties onvoldoende kan reguleren in contact met de minderjarigen en is het de vrouw bekend dat de man overmatig alcohol nuttigt, ook op momenten dat hij de zorg heeft over de minderjarigen. Daarnaast maakt de vrouw zich zorgen om de situatie dat de minderjarigen bij de man op een matras slapen en geen eigen slaapkamer hebben. Verder vinden er escalaties plaats tijdens de omgangsmomenten in het bijzijn van de minderjarigen. Op 16 november 2025 heeft een escalatie plaatsgevonden waarbij de nieuwe partner van de man tijdens de overdracht van de minderjarigen in het bijzijn van de minderjarigen heeft geschreeuwd.
4.1.3.
De man betwist dat er sprake is van onveiligheid of middelengebruik tijdens de zorgmomenten. Verder hebben de minderjarigen een goed eigen bed en slapen zij in een slaapkamer. Uit het door de man overgelegde huisartsenjournaal zou juist blijken dat de man zorgvuldig, betrokken en verantwoordelijk handelt. De man betwist de gestelde escalatie van 16 november 2025. Verder benadrukt de man dat op 3 november 2025 de omgangsregeling is vastgelegd in nieuwe omgangsafspraken, opgesteld door de betrokken hulpverlening. Tot op heden heeft de omgang met de minderjarigen volgens afspraak plaatsgevonden. Het spoedeisend belang stoelt vooral op subjectieve zorgen en niet op objectieve veiligheidscriteria, aldus de man.
4.1.4.
Op grond van artikel 254 Rv is de voorzieningenrechter bevoegd in alle spoedeisende zaken waarin gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, deze voorziening te geven. Dit heet een ordemaatregel. In een kort gedingprocedure is vereist dat er voldoende spoedeisend belang bestaat, in die zin dat de eisende partij belang heeft bij een voorziening en niet kan worden gevergd dat hij of zij de bodemprocedure afwacht.
4.1.5.
Uit de overgelegde stukken en wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de relatie van partijen medio 2025 is beëindigd en sindsdien een omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen wordt uitgevoerd. De minderjarigen verblijven volgens de afspraken van 3 november 2025 iedere woensdag bij de man van 8.15 tot 18.30 uur, alsmede in de oneven weken van vrijdag 8.15 uur tot zaterdag 19.00 uur en in de even weken van zaterdag 9.00 uur tot zondag 19.00 uur.
4.1.6.
De man betwist het gestelde incident van 16 november 2025 en ontkent dat de veiligheid van de minderjarigen onder de zorg van de man in het geding is. De voorzieningenrechter overweegt dat de vrouw, in het licht van deze betwisting, haar stellingen niet nader heeft geconcretiseerd of met objectieve gegevens heeft onderbouwd. Daarmee is onvoldoende aannemelijk geworden dat sprake is van een acute of ernstige situatie die onmiddellijk ingrijpen door de voorzieningenrechter noodzakelijk maakt. Nu de omgangsregeling loopt en niet is gebleken van omstandigheden waaruit volgt dat het belang van de minderjarigen onmiddellijke schorsing van de omgang vereist, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van een spoedeisend belang als bedoeld in artikel 254 Rv.
4.1.7.
De voorzieningenrechter maakt zich op basis van de stukken en de mondelinge behandeling wel zorgen over de minderjarigen. Uit het ‘overzicht journaalregels’ van huisartsenpraktijk Bernisse blijkt dat school op 29 oktober 2025 een melding heeft gemaakt bij Veilig Thuis omdat zij zich ook zorgen maken over de hygiëne van [minderjarige 1] en de hele situatie. Op 29 september 2025 belde de juf naar de huisarts omdat zij zich veel zorgen maakt om [minderjarige 1]. Zij komt onverzorgd op school, heeft vaak geen eten en drinken bij zich, ze ziet er verwaarloosd uit en ze denkt zelf dat er sprake is van seksueel misbruik. Uit het journaal blijkt dat er contact is geweest met het EMC / Goofy spreekuur. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het opschorten van de omgangsregeling in kort geding niet de oplossing is.
Op dit moment is er (gelukkig) de nodige hulpverlening betrokken zoals het Leger des Heils (vader), Sterk in Regie (moeder) en Intensieve Vrijwillige Hulpverlening. De voorzieningenrechter oordeelt dat nog meer hulpverlening in de vorm van een Ouderschap in Overleg traject bij de raad, waar tijdens de mondelinge behandeling over gesproken is, teveel is. Een dergelijk traject is primair gericht op het ondersteunen van ouders bij hun onderlinge communicatie en samenwerking, en niet op het onderzoeken of vaststellen van zorg- of veiligheidsrisico’s ten aanzien van de minderjarigen. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om een Ouderschap in Overleg traject door de raad te gelasten.
4.1.8.
Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen van de vrouw worden afgewezen. De voorzieningenrechter oordeelt dat de man geen belang meer heeft bij zijn subsidiaire vorderingen. Ten aanzien van de vordering van de man om het behandelplan 2018 buiten beschouwing te laten oordeelt de voorzieningenrechter dat daarvoor een wettelijke grondslag ontbreekt. Die vordering zal worden afgewezen.
4.2.
Proceskosten
4.2.1.
De man vordert de vrouw te veroordelen in de proceskosten. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de proceskosten in familierechtelijke procedures in beginsel worden gecompenseerd, in die zin dat elk van de partijen de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter zal de vordering van de man daarom afwijzen en de proceskosten compenseren. Er is geen sprake van, zoals de man heeft gesteld, dat de vrouw lichtvaardig een procedure is gestart. Zij heeft zorgen over de veiligheid van de minderjarigen bij de man. Daarbij benadrukt de voorzieningenrechter dat van de vrouw mag worden verwacht dat zij haar advocaat volledig informeert over voor de zaak relevante feiten en omstandigheden. In dit geval is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat de vrouw haar advocaat niet heeft geïnformeerd over de vastlegging van de omgangsregeling op 3 november 2025, terwijl deze informatie van belang is voor de beoordeling van de vordering. De voorzieningenrechter verwacht van de vrouw dat zij haar advocaat in een eventuele toekomstige procedure wel volledig informeert. Indien zij dat nalaat kan dat aanleiding zijn om een volgende keer wél tot een proceskostenveroordeling over te gaan.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst alle vorderingen af;
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.L. Raphael en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2026.
1708 / 3491