Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7313

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
ROT 24/11617
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierechten bij niet-samenhangende bestuurszaken

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Financiën van 15 september 2023, maar heeft het griffierecht van €184,- niet betaald ondanks meerdere aanmaningen van de griffier. Eiser stelde dat zijn beroep samenhing met een andere zaak (23/5173) waarvoor het griffierecht al was voldaan, en dat daarom slechts eenmaal griffierecht betaald hoefde te worden.

De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van samenhangende zaken zoals bedoeld in artikel 8:41, derde lid, Awb. De besluiten betreffen verschillende AVG-verzoeken met verschillende inhoud en data, en er was geen gezamenlijke behandeling door de minister. Eiser heeft ook geen formeel verzoek ingediend om de zaken als samenhangend te laten behandelen.

Omdat eiser zonder uitdrukkelijke bevestiging van de rechtbank mocht aannemen dat het griffierecht voor beide zaken afzonderlijk betaald moest worden, en hij dit niet heeft gedaan, is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank beoordeelt het beroep niet inhoudelijk en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht, waardoor het bestreden besluit in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/11617

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats]

en

De minister van Financiën, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister van 15 september 2023.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het griffierecht niet is betaald en het niet betalen niet verontschuldigbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die beroep instelt, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41 van Pro de Awb. In een zaak als deze is het griffierecht € 184,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Dat betekent dat er een goede reden moet zijn waarom het griffierecht niet (tijdig) is betaald.
Heeft eiser het griffierecht tijdig betaald?
4. Eiser heeft het verschuldigde griffierecht niet betaald. De griffier heeft eiser voor het eerst bij brief van 28 december 2024 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en meegedeeld dat dit binnen vier weken moet zijn voldaan. De griffier heeft eiser vervolgens bij aangetekend verzonden brief van 29 januari 2025, 12 december 2025, en 12 januari 2026 nogmaals gewezen op de verplichting tot het betalen van griffierecht. Daarmee heeft eiser ruimschoots de tijd gehad om te betalen.
Uit informatie van PostNL is gebleken dat een aangetekend verzonden brief op 14 januari 2026 om 16:39 uur is bezorgd en voor ontvangst is getekend.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
5. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
5.1.
Op 22 oktober 2023 heeft eiser beroepsgronden gericht tegen het bestreden besluit van 15 september 2023. Eiser heeft deze beroepsgronden in een andere zaak van hem, de zaak 23/5173, ingebracht.
5.2.
Bij brief van 3 november 2023 heeft de rechtbank eiser gevraagd of hij de intentie heeft gehad met voornoemde brief van 22 oktober ook beroep in te stellen tegen het besluit van 15 september 2023. De rechtbank heeft daarbij opgemerkt dat de zaak 23/5173 betrekking heeft op een ander besluit en niet tevens kan zien op het besluit van 15 september 2023.
5.3.
Op 8 november 2023 heeft eiser op de brief van de rechtbank gereageerd. Eiser stelt, onder verwijzing naar rechtspraak en regelgeving over samenhangende zaken, dat hij met zijn schrijven van 22 oktober 2023 beroep heeft ingediend tegen het besluit van 15 september 2023, dat ook de minister dit heeft erkend en dat de minister een gezamenlijke behandeling wenst. Verder heeft eiser opgemerkt dat de nota griffierechten in de zaak 23/5173 al is betaald en dat hij ervanuit gaat dat geen afzonderlijke nota benodigd is.
5.4.
De rechtbank begrijpt het schrijven van eiser zo dat eiser meent dat sprake is van samenhangende besluiten en dat slechts eenmaal griffierecht hoeft te worden betaald. Of sprake is van een samenhangende zaken en of één dan wel meermaals griffierechten moeten worden geheven is ter beoordeling aan de rechtbank. Eiser heeft nooit een formeel verzoek gedaan om zijn beide zaken als samenhangend aan te merken en om die reden slechts eenmaal griffierechten te heffen. Eisers opmerkingen in zijn schrijven van 8 november 2023 kunnen naar oordeel van de rechtbank niet als zodanig worden aangemerkt.
5.5.. Van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 8:41, derde lid, Awb is naar oordeel van de rechtbank geen sprake. De zaak 23/5173 is gericht tegen een besluit van 16 juni 2023 en ziet op een AVG verzoek van 30 januari 2023. In dat verzoek heeft eiser verzocht om de naam van de persoon die zijn sollicitaties heeft afgewezen.
In deze zaak gaat het om een besluit van 15 september 2023 op een AVG verzoek van 6 april 2023. Dit verzoek is veel uitgebreider en ziet, naast de naam van de medewerker die eiser bij zijn sollicitaties heeft afgewezen, ook op de afwijzingsmails, aantekeningen in het registratiesysteem sollicitaties en in het HR registratiesysteem en het personeelsdossier van de medewerker die eiser heeft afgewezen. Eiser heeft in deze zaak, ter vergelijking met de zaak 23/5173, dus om inzage in veel meer documenten verzocht. Als gevolg daarvan zijn de besluiten van 16 juni 2023 en 15 september 2023 naar haar aard en inhoud verschillend. Van een gelijktijdige behandeling door de minister is bovendien ook geen sprake geweest.
5.6.
Eiser heeft er zonder uitdrukkelijke bevestiging van de rechtbank dan ook niet van uit mogen gaan dat sprake is van samenhangende zaken en dat eiser voor beide zaken slechts eenmaal griffierecht dient te betalen. Dat geldt temeer nu de rechtbank, ook na het schrijven van eiser van 8 november 2023 hem nog diverse malen een nota ter betaling van de griffierechten heeft verstuurd en in elk geval één van de aangetekend verzonden nota’s op het door eiser opgegeven adres is bezorgd.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.