ECLI:NL:RBROT:2026:7323

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
C/10/716055 / FA RK 26-1844
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:5 BWArt. 1:7 BWArt. 1:250 BWArt. 1:253a BWArt. 1:253i BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vervangende toestemming naamswijziging minderjarige wegens belang minderjarige

De vrouw verzocht primair om wijziging van de geslachtsnaam van haar minderjarige kind van de achternaam van de vader naar die van de moeder. Subsidiair verzocht zij vervangende toestemming om een aanvraag tot naamswijziging bij Justis in te dienen. De man voerde verweer en verzocht om benoeming van een bijzondere curator of een raadsonderzoek.

De rechtbank oordeelde dat het primaire verzoek niet-ontvankelijk is omdat de wet geen wijziging van de geslachtsnaam door de rechter toestaat. Het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator werd afgewezen omdat er geen belangenconflict tussen ouders en kind bestaat. Ook een raadsonderzoek werd niet noodzakelijk geacht.

Ten aanzien van het subsidiaire verzoek tot vervangende toestemming stelde de rechtbank vast dat de wet geen concrete grondslag biedt voor dit verzoek. Desondanks werd het verzoek beoordeeld aan de hand van het belang van de minderjarige. De rechtbank oordeelde dat het wijzigen van de achternaam niet in het belang van de minderjarige is, mede vanwege zijn leeftijd, identiteitsontwikkeling en de mogelijke negatieve gevolgen voor de relatie met zijn vader.

De rechtbank besloot de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar primaire verzoek, het subsidiaire verzoek af te wijzen en de proceskosten ieder voor eigen rekening te laten. Het vonnis werd uitgesproken door kinderrechter J. van den Bos op 16 juni 2026.

Uitkomst: Verzoek tot vervangende toestemming voor naamswijziging van minderjarige wordt afgewezen omdat dit niet in zijn belang is.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/716055 / FA RK 26-1844
Beschikking van 16 juni 2026 over wijziging geslachtsnaam of vervangende toestemming voor het indienen van een aanvraag bij Justis tot wijziging van de geslachtsnaam
in de zaak van:
[de vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] , gemeente [gemeente 1] ,
advocaat mr. F.C.M. Maat-Oldenhof te ’sHeer Arendskerke,
t e g e n
[de man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] , gemeente [gemeente 2] ,
advocaat mr. E.E. Vas te Rotterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 6 maart 2026;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 13 mei 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw een pleitnotitie overgelegd.
1.4.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man een samenvatting van twee uitspraken overgelegd, ter onderbouwing van het verweer van de man.
1.5.
De minderjarige is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De kinderrechter heeft op 14 april 2026 met de minderjarige gesproken.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Het huwelijk van partijen is op 16 december 2015 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.
2.2.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .
2.3.
Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.

3.De beoordeling

3.1.
Wijziging geslachtsnaam en vervangende toestemming/ bijzondere curator
3.1.1.
De vrouw verzoekt primair de geslachtsnaam van de minderjarige te wijzigen van
“ [achternaam vader] ” in “ [achternaam moeder] ”. Subsidiair verzoekt de vrouw, zo begrijpt de rechtbank, haar vervangende toestemming te verlenen voor het indienen van een aanvraag bij Justis tot wijziging van de geslachtsnaam van de minderjarige zoals hiervoor omschreven.
3.1.2.
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt bij zelfstandig verzoek een bijzondere curator te benoemen over de minderjarige, dan wel de raad te gelasten een onderzoek in te stellen.
3.1.3.
De raad heeft bij de mondelinge behandeling geadviseerd het verzoek van de man tot benoeming van een bijzondere curator toe te wijzen en de behandeling van het verzoek van de vrouw in afwachting van het resultaat hiervan aan te houden. Indien geen bijzondere curator wordt benoemd adviseert de raad het verzoek van de vrouw af te wijzen.
Wijziging geslachtsnaam
3.1.4.
Het primaire verzoek van de vrouw, tot wijziging van de geslachtsnaam van de minderjarige, vindt geen steun in de wet. Gezien het bepaalde in artikel 1:7 BW Pro kan de rechter niet de geslachtsnaam van een persoon wijzigen. De vrouw is daarom niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Benoeming bijzondere curator of raadsonderzoek
3.1.5.
De rechtbank wijst het verzoek van de man tot benoeming van een bijzondere curator af, omdat dit verzoek geen steun vindt in de wet, gelet op het bepaalde in artikel 1:250 BW Pro. Dit artikel betreft aangelegenheden over de
verzorgingen
opvoedingvan de minderjarige, waarbij de belangen van de met het gezag belaste ouders of één van hen, in strijd zijn met die van de minderjarige. Daarvan is in onderhavige procedure, die betrekking heeft op de geslachtsnaam, geen sprake. Nog los daarvan is de rechtbank in staat om een beslissing te nemen op basis van de bekende standpunten van partijen en de minderjarige en bestaat ook daarom geen aanleiding een bijzondere curator te benoemen.
3.1.6.
De rechtbank ziet voorts niet in wat een raadsonderzoek in deze zaak kan bijdragen aan de te nemen beslissing en wijst daarom ook dat verzoek van de man af.
Vervangende toestemming
3.1.7.
Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van de vrouw strekkende tot het verlenen van vervangende toestemming tot het indienen van een aanvraag bij Justis oordeelt de rechtbank als volgt.
3.1.8.
In artikel 1:5 BW Pro is bepaald hoe een kind een geslachtsnaam verkrijgt. Op grond van deze bepaling kunnen ouders gezamenlijk een keuze maken voor de geslachtsnaam van hun kind. Een keuze voor een geslachtsnaam gebeurt bij de ambtenaar van de burgerlijke stand en moet door beide ouders worden ondertekend. Dit kan voorafgaand aan de geboorte of uiterlijk bij de geboorteaangifte. Terugkomen op de geslachtsnaamkeuze is niet mogelijk.
3.1.9.
In artikel 1:7 lid 1 BW Pro is bepaald dat de achternaam van een persoon op zijn verzoek of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger kan worden gewijzigd. Lid 5 van dat artikel bepaalt dat bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) regels zijn gegeven voor de gronden voor zo’n verzoek en de wijze van indiening en behandeling daarvan.
Deze AMvB is het Besluit Geslachtsnaamwijziging. Justis, de screeningsautoriteit, behandelt namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verzoeken tot wijziging van een achternaam. In de brochure Naamswijziging van Justis is het volgende vermeld:
“Wilt u de achternaam van uw kind(eren) wijzigen en hebben beide ouders het gezag? Dan moeten beide ouders het schriftelijke aanvraagformulier ondertekenen. De aanvraag voor naamswijziging wordt niet in behandeling genomen als maar één van de ouders het formulier ondertekent. Ook niet als het kind de naamswijziging zelf graag wil. Wilt u zonder de andere ouder die het gezag heeft toch een aanvraag indienen? Dan moet u eerst de rechtbank om vervangende toestemming vragen. Dit proces kan alleen een advocaat opstarten. Als de rechter vervangende toestemming geeft, dan kunt u een aanvraag om naamswijziging bij Justis indienen.”
3.1.10.
In de praktijk behandelen rechtbanken en gerechtshoven verzoeken om vervangende toestemming in het kader van artikel 1:253a BW, dat bepaalt dat bij gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hierover aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. Daarbij neemt de rechtbank een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
3.1.11.
De wetgever heeft de keuze voor de naam van een kind gegeven aan alle juridische ouders en niet enkel aan ouders die met het gezag zijn belast. Zo is het ook geregeld in artikel 1:5 lid 4 BW Pro: het gaat erom of een kind in familierechtelijke betrekking tot beide ouders staat, niet of beide ouders het gezag hebben.
Het kiezen van een naam of het vragen om wijziging van een naam is dan ook geen gezagsbeslissing. Dat de ouders geen overeenstemming hebben over de vraag of aan de Koning moet worden verzocht om de naam van de minderjarige te wijzigen, is geen geschil omtrent het ouderlijk gezag en valt buiten de reikwijdte van artikel 1:253a BW.
3.1.12.
Het vorenstaande betekent dat Justis als een ouder met gezag een verzoek op grond van artikel 1:7 BW Pro indient ten onrechte de eis stelt van vervangende toestemming van de andere ouder met gezag. De procedure van artikel 1:7 BW Pro is een bestuursrechtelijke procedure waarbij de andere juridische ouder als belanghebbende wordt betrokken (artikel 1:2 Algemene Pro wet bestuursrecht).
3.1.13.
Overigens speelt artikel 1:253i BW hier ook niet. Daarin gaat het om de vertegenwoordiging van het kind ‘in burgerlijke handelingen’. Daaronder valt niet vertegenwoordiging in de (bestuursrechtelijke) Kroonprocedure van artikel 1:7 lid 1 BW Pro.
3.1.14.
Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt in de wet een concrete bepaling op grond waarvan het door Justis voorgeschreven verzoek – vervangende toestemming voor het doen van een aanvraag – kan worden ingediend bij de rechter.
De rechtbank realiseert zich dat de vrouw, zonder toewijzing van haar verzoek, niet in staat is een verzoek te doen op grond van artikel 1:7 BW Pro en niet aan Justis kan vragen naam van de minderjarige te wijzigen. Nu het verzoek van de vrouw aansluit bij andere gevallen die wel in de wet zijn geregeld, maar hier rechtstreekse toepassing missen (artikel 1:253a BW en artikel 1:253i BW), zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toch beoordelen.
3.1.15.
Nu gebleken is dat de ouders niet tot een vergelijk kunnen komen dient de rechtbank te beoordelen of vervangende toestemming voor geslachtsnaamwijziging van de minderjarige in het belang van de minderjarige wenselijk is; dat is het criterium van artikel 1:253a BW.
3.1.16.
Naar het oordeel van de rechtbank dient het verzoek tot vervangende toestemming voor het indienen voor een verzoek tot geslachtsnaamwijziging te worden afgewezen.
3.1.17.
De identiteit van de minderjarige wordt mede bepaald door wie zijn ouders zijn. De vader én zijn naam zijn derhalve onderdeel van zijn identiteit. Daaraan doet niet af dat de minderjarige een hele fijne band heeft met de familie [achternaam moeder] , waarvan hij ook onderdeel is.
3.1.18.
Volgens de vrouw is het bij de minderjarige een gevoelskwestie waardoor de intrinsieke wens is ontstaan en heeft het niets van doen met zijn band met de man. De rechtbank deelt echter de zorg van de raad en acht het in de levensfase waarin de minderjarige zich bevindt niet in zijn belang om zijn achternaam te wijzigen. Hoewel er fysiek bij de minderjarige niets door een naamswijziging verandert, zal het wel de wijze waarop hij in het leven staat en de wijze waarop hij zich verder in zijn leven zal ontwikkelen kunnen beïnvloeden. De minderjarige bevindt zich in de puberteit en het is zeker niet uit te sluiten dat hij in een latere fase van zijn leven andere opvattingen zal ontwikkelen over de band die hij met de man wil of kan onderhouden.
3.1.19.
Verder is van belang dat relaties in het leven altijd twee betrokkenen en dus twee kanten hebben. De minderjarige kan nog honderd keer zeggen of schrijven dat de verandering van geslachtsnaam geen afwijzing is van zijn vader, maar dat dat gevoel wel bij de man ontstaat is menselijk en dat dat negatieve gevolgen gaat hebben voor hun onderlinge verhouding is zeer waarschijnlijk. Die gevolgen worden op dit moment onderschat, zo niet volledig genegeerd, door de minderjarige.
3.1.20.
De rechtbank acht het daarom op dit moment en in deze fase van het leven niet in het belang van de minderjarige om de geslachtsnaam te laten wijzigen. Het belang van de minderjarige bij een goede identiteitsontwikkeling weegt naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan de door de vrouw en/of de minderjarige genoemde belangen om de naam te dragen van degene die hem (hoofdzakelijk) opvoedt en om als familielid een naam te dragen die gelijk luidt aan die van de overige familieleden.
3.1.21.
De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de minderjarige als hij meerderjarig is de consequenties van geslachtsnaamwijziging beter kan overzien. De (nu nog) minderjarige kan dan zelf nog steeds een verzoek tot wijziging van zijn geslachtsnaam indienen bij de Koning.
3.2.
Proceskosten
3.2.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar primaire verzoek;
4.2.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.3.
wijst het anders of meer verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. drs. J. van den Bos, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van M. Wijk, griffier, op 16 juni 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.