ECLI:NL:RBROT:2026:7329

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
C/10/714135 / FA RK 26-801
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 821 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen zorgregeling en woninggebruik bij echtscheiding

Partijen zijn gehuwd sinds 2007 en hebben drie minderjarige kinderen. De vrouw heeft een verzoek tot echtscheiding ingediend en verzoekt voorlopige voorzieningen te treffen over de zorgregeling, het gebruik van de echtelijke woning en onderhoudsbijdragen.

De rechtbank wijst het verzoek tot toewijzing van de kinderen aan de vrouw toe, aangezien de man dit niet betwist. De vrouw krijgt het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toegewezen, waarbij de man wordt bevolen deze te verlaten en niet meer te betreden. Het verzoek om de ontruiming met politiehulp uit te voeren wordt afgewezen, omdat de vrouw reeds een rechtsgeldige titel heeft voor tenuitvoerlegging.

Over de zorgregeling is grotendeels overeenstemming bereikt, behalve over het Offerfeest. De rechtbank bepaalt dat het Offerfeest 2026 bij de man zal plaatsvinden, gezien zijn beperkte contact met de kinderen. De man wordt verplicht een onderhoudsbijdrage van €42 per maand per kind te betalen, ingaande op de datum van de beschikking. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorzieningen toe met toewijzing van de kinderen aan de vrouw, uitsluitend gebruik woning aan de vrouw, zorgregeling met omgangsregeling en onderhoudsbijdrage van €42 per maand per kind.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/714135 / FA RK 26-801
Beschikking van 6 mei 2026 over voorlopige voorzieningen
in de zaak van:
[de vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. S. Kocak te Rotterdam,
t e g e n
[de man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. A.R. Bissessur te Den Haag.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 29 januari 2026;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, ingekomen op 16 maart 2026;
  • het bericht met bijlagen vrouw van 9 april 2026;
  • het bericht met bijlagen man van 12 april 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 15 april 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .
1.3.
De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. De minderjarigen hebben hier geen gebruik van gemaakt.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn op 14 augustus 2007 te Rotterdam met elkaar gehuwd.
2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2010 te [geboorteplaats] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2014 te [geboorteplaats] .
2.3.
De vrouw heeft inmiddels een verzoek tot echtscheiding gedaan.

3.De beoordeling

3.1.
Toevertrouwing van de minderjarigen
3.1.1.
De vrouw verzoekt de minderjarigen aan haar toe te vertrouwen.
3.1.2.
De man weerspreekt het verzoek niet.
3.1.3.
Het verzoek tot toevertrouwing van de minderjarigen aan de vrouw wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.
3.2.
Woning
3.2.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat zij met uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan [adres] te [plaats] en de man te bevelen die woning te verlaten en hem te verbieden die woning verder te betreden, met machtiging van de vrouw om deze beschikking zo nodig zelf ten uitvoer te leggen met behulp van politie en justitie.
3.2.2.
De man heeft in zijn verweerschrift ingestemd met het verzoek van de vrouw onder de voorwaarde dat hij pas na drie maanden na betekening van de echtscheidingsbeschikking de woning moet verlaten. Tijdens de mondelinge behandeling stelt de man dat hij als gevolg van een incident dat heeft plaatsgevonden inmiddels zelf al uit de woning is gegaan en daar niet wil terugkeren. De man heeft daarom de in zijn verweerschrift gestelde voorwaarde tijdens de mondelinge behandeling laten vallen.
3.2.3.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toewijzen.
3.2.4.
Het verzoek van de vrouw de beschikking ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie wordt afgewezen. Bij de verkrijging van het uitsluitend gebruik van de woning hoort het bevel dat de andere echtgenoot die woning moet verlaten en deze verder niet mag betreden. Door dit bevel is de vrouw in het bezit van een rechtsgeldige titel voor tenuitvoerlegging van de ontruiming met behulp van de sterke arm (Kamerstukken II 1978/1979, 15 638, nr. 3, p. 20).
3.3.
Zorgregeling
3.3.1.
De vrouw verzoekt een regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen waarbij de minderjarigen:
  • om het weekend van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 18:30 uur bij de man verblijven;
  • iedere woensdagmiddag uit school tot 18:30 uur bij de man verblijven;
  • de helft van de vakantie- en feestdagen bij de man verblijven;
  • de man zal zorgdragen voor het vervoer;
  • de vrouw heeft de eerste keuze met betrekking tot de helft van de vakanties in de even jaren en de man heeft de eerste keuze in de oneven jaren;
  • mocht een minderjarige een omgangsmoment weigeren dan zullen partijen hierover in overleg treden. De minderjarigen zullen niet gedwongen worden om de omgang na te komen, maar de vrouw zal ze hier wel in stimuleren.
3.3.2.
De man verzoekt het verzoek van de vrouw toe te wijzen met uitzondering van de woensdagmiddagen en met toevoeging van:
  • het Suikerfeest, de minderjarigen zijn in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;
  • het Offerfeest, de minderjarigen zijn in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw.
3.3.3.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling voor het grootste gedeelte overeenstemming bereikt over zorgregeling. De rechtbank zal de zorgregeling die partijen zijn overeengekomen opnemen in de beschikking.
3.3.4.
Tussen partijen is het Offerfeest nog in geschil. De rechtbank oordeelt daarover als volgt. Beide ouders willen het Offerfeest vieren met de minderjarigen. Op dit moment zien de man en de minderjarigen elkaar fors minder en blijven ze elkaar de aankomende tijd minder zien, omdat de man inmiddels de woning heeft verlaten. Voor dit jaar slaat de balans daarom door in het voordeel van de man en zal de rechtbank bepalen dat het Offerfeest dit jaar bij de man zal plaatsvinden. Het Suikerfeest heeft inmiddels plaatsgevonden. Op dit moment is er daarom geen belang meer bij dat verzoek. De rechtbank zal het verzoek met betrekking tot het Suikerfeest afwijzen.
3.4.
Onderhoudsbijdragen
3.4.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man moet bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met een bedrag van € 42,- per maand per kind.
3.4.2.
De man weerspreekt het verzoek niet en gaat akkoord met het bedrag van € 42,- per maand. Hij voert daarbij aan dat hij niet weet vanaf wanneer hij de onderhoudsbijdrage kan betalen omdat hij sinds 12 januari 2026 werkloos is. Wel krijgt hij op dit moment een uitkering. Omdat de man het verzoek inhoudelijk verder niet heeft weersproken zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen bepalen op € 42,- per maand per kind, met ingang van de datum van deze beschikking.
3.5.
Proceskosten
3.5.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de minderjarigen aan de vrouw worden toevertrouwd;
4.2.
bepaalt dat de vrouw met ingang van heden bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan [adres] , [postcode] te [plaats] ;
4.3.
beveelt de man met ingang van heden de echtelijke woning te verlaten en verbiedt de man deze verder te betreden;
4.4.
neemt op de onderlinge regeling die partijen over de minderjarigen hebben getroffen, te weten:
  • zolang de man geen eigen woonruimte heeft, verblijven de minderjarigen om de week op zaterdag van 10:00 uur tot 20:00 uur en op zondag van 15:00 uur tot 19:00 uur bij de man;
  • wanneer de man een eigen woonruimte heeft, verblijven de minderjarigen om het weekend van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 19:00 uur bij de man;
  • de vakanties en feestdagen worden bij helfte verdeeld;
  • de man zal zorgdragen voor het vervoer;
  • de vrouw heeft de eerste keuze met betrekking tot de helft van de vakanties in de even jaren en de man heeft de eerste keuze in de oneven jaren;
  • mocht een minderjarige een omgangsmoment weigeren dan zullen partijen hierover in overleg treden. De minderjarigen zullen niet gedwongen worden om de omgang na te komen, maar de vrouw zal ze hier wel in stimuleren;
4.5.
bepaalt dat de minderjarigen tijdens het Offerfeest 2026 bij de man zullen verblijven;
4.6.
bepaalt dat de man met ingang van heden een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw zal verstrekken van € 42,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen;
4.7.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.8.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.9.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.A. van Egmond, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van H.J. de Wit, griffier, op 6 mei 2026.