Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 02 mei 2025;
- het bericht met bijlage van de vrouw van 14 mei 2025;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 30 mei 2025;
- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 19 augustus 2025;
- het aanvullende zelfstandige verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 17 maart 2026;
- het verweerschrift op het aanvullende zelfstandige verzoek en aanvullend verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 27 maart 2026;
- het bericht van de man met bijlage van 8 april 2026.
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .
2.De vaststaande feiten
3.De beoordeling
- (in beginsel) de eerste twee weken heeft de man één keer per week op een vast moment omgang met de minderjarige voor de duur van 2 tot 3 uur. Mochten partijen het nodig vinden, zal dit ook de derde week zo plaatsvinden, waarna wordt overgegaan naar de volgende stap;
- de daaropvolgende (in beginsel) drie weken heeft de man één keer per week omgang met de minderjarige voor de duur van 3 tot 5 uur. Mochten partijen het nodig vinden, zal dit nog een week zo plaatsvinden, waarna wordt overgegaan naar de volgende stap;
- de daaropvolgende vier weken heeft de man één keer per week een gehele dag, van 10.00 uur tot 19.00 uur, omgang met de minderjarige;
- hierna zal een reguliere zorgregeling gaan gelden waarbij de man één keer per week op een – in onderling overleg te bepalen – dag omgang zal hebben met de minderjarige van 10:00 uur tot de daaropvolgende dag 10:00 uur, welke tijden afwijkend kunnen zijn als de minderjarige naar school moet;
- de man zal ruim van tevoren zijn concept-werkrooster aan de vrouw overleggen met een voorstel voor beschikbare dagen, zodat partijen gezamenlijk een passend moment kunnen uitkiezen voor de omgangsmomenten;
- de omgang zal zo min mogelijk op vrijdag plaatsvinden, in verband met de opa-en-oma-dag, tenzij niet anders mogelijk.
€ 585,-+
4.De beslissing
- (in beginsel) de eerste twee weken heeft de man één keer per week op een vast moment omgang met de minderjarige voor de duur van 2 tot 3 uur. Mochten partijen het nodig vinden, zal dit ook de derde week zo plaatsvinden, waarna wordt overgegaan naar de volgende stap;
- de daaropvolgende (in beginsel) drie weken heeft de man één keer per week omgang met de minderjarige voor de duur van 3 tot 5 uur. Mochten partijen het nodig vinden, zal dit nog een week zo plaatsvinden, waarna wordt overgegaan naar de volgende stap;
- de daaropvolgende vier weken heeft de man één keer per week een gehele dag, van 10.00 uur tot 19.00 uur omgang met de minderjarige;
- hierna zal een reguliere zorgregeling gaan gelden waarbij de man één keer per week op een in onderling overleg te bepalen dag omgang zal hebben met de minderjarige van 10:00 uur tot de daaropvolgende dag 10:00 uur, welke tijden afwijkend kunnen zijn als de minderjarige naar school moet;
- de man zal hierbij ruim van tevoren zijn concept-werkrooster met een voorstel voor beschikbare dagen aan de vrouw overleggen, zodat zij gezamenlijk een passend moment kunnen uitkiezen voor de omgangsmomenten;
- de omgang zal zo min mogelijk op vrijdag plaatsvinden, in verband met de opa-en-oma-dag, tenzij niet anders mogelijk;