ECLI:NL:RBROT:2026:7333

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
C/10/708739 / FA RK 25-7985
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 1:253a BWArt. 1:377e BWArt. 1:251a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot beëindiging gezamenlijk gezag en wijziging zorgregeling

De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak over het ouderlijk gezag en de zorgregeling van een minderjarige. De vrouw verzocht om beëindiging van het gezamenlijk gezag, stellende dat de man al ruim drie jaar geen contact heeft met de minderjarige en niet in staat zou zijn gezagsbeslissingen te nemen. De man betwistte dit en stelde dat er geen sprake is van frustratie van gezagsbeslissingen.

De rechtbank oordeelde dat het gezamenlijk gezag in stand blijft omdat niet is voldaan aan het klem- en verlorencriterium en beëindiging niet noodzakelijk is in het belang van het kind. De man moet initiatief tonen om de situatie te verbeteren. Daarnaast verzocht de man om wijziging van de zorgregeling, waarbij hij na drie jaar zonder contact een weekend per maand omgang wilde. De vrouw en minderjarige hadden geen draagvlak voor deze wijziging.

De rechtbank wees het verzoek tot wijziging van de zorgregeling af, omdat de huidige regeling feitelijk niet wordt nageleefd maar het vertrouwen ontbreekt om deze te wijzigen. De rechtbank adviseerde hulpverlening om de communicatie te verbeteren. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Verzoek tot beëindiging gezamenlijk gezag en wijziging zorgregeling wordt afgewezen; gezamenlijk gezag en bestaande zorgregeling blijven van kracht.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/708739 / FA RK 25-7985
Beschikking van 15 mei 2026 over het ouderlijk gezag en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van:
[de vrouw], hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres
advocaat mr. R.V. Paniagua te Rotterdam,
t e g e n
[de man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. A. Apistola te Zwijndrecht.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 21 oktober 2025;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 3 april 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 08 april 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .
1.3.
De minderjarige is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft tijdens een gesprek met de kinderrechter zijn mening kenbaar gemaakt.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .
2.2.
De man heeft de minderjarige erkend.
2.3.
Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank van 27 september 2021 is voor zover hier van belang een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vastgesteld waarbij de minderjarige eenmaal per twee weken van vrijdag 15:00 uur tot zondag 19:00 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen bij de man verblijft. Ten aanzien van de vakanties geldt dat de minderjarige in de oneven jaren de eerste helft van de vakanties aaneengesloten bij de man verblijft en in de even jaren de tweede helft. De man haalt de minderjarige bij de vrouw op en brengt hem ook weer terug.

3.De beoordeling

3.1.
Gezag
3.1.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat het gezag over de minderjarige voortaan alleen aan haar toekomt.
3.1.2.
De man voert gemotiveerd verweer.
3.1.3.
Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW genoemde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.
3.1.4.
De vrouw stelt dat het partijen niet lukt om op een constructieve manier met elkaar te communiceren. De vrouw verwacht ook niet dat hier verandering in zal komen. De vrouw stelt dat de man en de minderjarige al ruim drie jaar geen enkel contact hebben. De vrouw acht de man daarom niet in staat om in het belang van de minderjarige gezagsbeslissingen te kunnen nemen. De man betwist dat hij niet in het belang van de minderjarige gezagsbeslissingen zou kunnen nemen. Volgens de man is ook niet gebleken dat hij gezagsbeslissingen zou frustreren waardoor de minderjarige klem of verloren zou raken.
3.1.5.
De rechtbank overweegt als volgt. Het uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. Het ouderlijk gezag brengt niet alleen rechten, maar ook plichten met zich mee. Daar hoort ook de verplichting van de man bij dat hij hier uitvoering aan geeft. Dat de man die plicht de afgelopen jaren niet heeft uitgevoerd, blijkt uit het feit dat hij de laatste drie jaar geen contact met de minderjarige en de vrouw heeft gehad. Tegelijkertijd is niet gebleken dat de vrouw tegen zodanige problemen is aangelopen dat de minderjarige hierdoor klem of verloren is geraakt of dat een beëindiging van het gezag van de man anderszins in zijn belang is. De rechtbank heeft begrip voor de weerstand die de vrouw heeft, omdat zij het gevoel heeft dat zij er al jaren alleen voor staat en dat de man te weinig initiatief heeft laten zien richting de minderjarige. Het is aan de man om daar stappen in te nemen en de vrouw daarin tegemoet te komen. Het is in het belang van de minderjarige dat de vrouw een opening biedt om de man een kans te geven dit te laten zien. Dat is de enige manier om de ontstane situatie weer te doorbreken. Beide ouders zijn dit – als ouders zijnde – aan de minderjarige verplicht. Voorgaande maakt dat de rechtbank het verzoek van de vrouw zal afwijzen en het gezamenlijk ouderlijk gezag in stand zal laten. De rechtbank raadt partijen aan, in lijn met het advies van de raad, hulpverlening te zoeken, bijvoorbeeld bij het sociaal wijkteam. Op die manier kunnen zij de onderlinge communicatie proberen te verbeteren zodat partijen gezamenlijk het ouderlijk gezag op een goede manier kunnen blijven uitoefenen.
3.2.
Zorgregeling
3.2.1.
De man verzoekt, na wijziging van zijn verzoek tijdens de mondelinge behandeling, bij zelfstandig verzoek de zorgregeling zoals vastgesteld bij beschikking van 27 september 2021 te wijzigen als volgt:
- de minderjarige is een keer per maand op zaterdag 12:00 uur tot en met zondag 16:00 uur bij de man, waarbij de vrouw de minderjarige naar de man brengt en de man de minderjarige weer naar de vrouw terugbrengt.
3.2.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.2.3.
De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van een van hen op grond van artikel 1:253a in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
3.2.4.
De man geeft aan dat hij geen contact heeft met de minderjarige. De man stelt dat het in het belang is van de minderjarige dat dit contact weer hervat zal worden, al dan niet middels een opbouw. De vrouw voert aan dat de man het de afgelopen jaren heeft laten afweten met betrekking tot het zoeken van contact met de minderjarige. De vrouw heeft hierdoor het gevoel gehad er alleen voor te staan. De vrouw heeft er op dit moment geen vertrouwen in dat de man hierin zal veranderen.
3.2.5.
De rechtbank overweegt als volgt. Gebleken is dat er al drie jaar lang geen omgang is geweest tussen de man en de minderjarige, zodat sprake is van een wijziging van omstandigheden. De man vraagt nu, na drie jaar geen contact, een wijziging van de zorgregeling zodat de minderjarige eens per maand een weekend bij hem is. Tijdens de mondelinge behandeling en het kindgesprek met de minderjarige is de kinderrechter gebleken dat zowel bij de vrouw als de minderjarige zelf op dit moment totaal geen draagvlak is om hieraan mee te werken. Waar de minderjarige inmiddels zelf weerstand heeft tegen de omgang met de man, zit het bij de vrouw vooral in het gebrek aan initiatief aan de zijde van de man en het niet willen voldoen aan de eerder genomen beslissing dat de man het halen en brengen voor zijn rekening moet nemen. Gelet op het ontbreken van het vertrouwen aan de kant van de vrouw en de minderjarige zelf, ziet de rechtbank nu geen reden om de eerder vastgestelde zorgregeling te wijzigen. Formeel betekent dat de zorgregeling zoals deze is vastgesteld bij beschikking van 27 september 2021 nog steeds van kracht is. Gebleken is echter dat deze feitelijk al drie jaar niet meer wordt nagekomen. Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen gesproken over wat er wel mogelijk zou zijn. Daaruit is gebleken dat de man zal moeten beginnen met initiatief nemen richting de minderjarige, waardoor ook het vertrouwen bij de vrouw kan groeien. Dit kan zijn door het sturen van een kaartje, een telefoontje of door met de vrouw in overleg te treden over een mogelijk omgangsmoment. Voorgaande maakt dat de rechtbank het verzoek van de man zal afwijzen.
3.3.
Proceskosten
3.3.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijst af het verzoek van de vrouw tot beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag;
4.2.
wijst af het zelfstandig verzoek van de man tot wijziging van de zorgregeling;
4.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.A. van Egmond, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. R.T. Goede, griffier, op 15 mei 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.