Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7336

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
ROT 24/7983
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 2.12 WaboArt. 3.8 Bouwbesluit 2012Art. 3.11 Regeling Bouwbesluit 2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing omgevingsvergunning voor legalisatie warmtepompen op dak woning

Eisers hebben een aanvraag ingediend om twee warmtepompen op het dak van hun woning te legaliseren. Het college wees deze aanvraag af omdat het bouwplan niet aannemelijk maakt dat het voldoet aan het Bouwbesluit 2012 en in strijd zou zijn met redelijke eisen van welstand en het bestemmingsplan.

De rechtbank oordeelt dat het college ten onrechte stelt dat het bouwplan niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand, mede omdat een positief welstandsadvies is afgegeven. Echter, het bouwplan maakt niet aannemelijk dat wordt voldaan aan het Bouwbesluit 2012, met name de geluidsnormen voor installaties op perceelgrenzen.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand vanwege het limitatief-imperatief stelsel van de Wabo. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers. De uitspraak is gedaan door rechter Smits op 28 mei 2026.

Uitkomst: Beroep gegrond wegens onjuiste toepassing welstandseisen, maar afwijzing vergunning blijft in stand wegens onvoldoende aannemelijkheid naleving Bouwbesluit 2012.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/7983

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaak tussen

[naam 1] en [naam 2] , uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. B.M. Brandenburg-Stroo),
en

het college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht

(gemachtigde: mr. H.J.M. Dierkx).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing door het college van de aanvraag om omgevingsvergunning van eisers voor het legaliseren van een warmtepomp. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is omdat het college eisers ten onrechte tegenwerpt dat het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Nu met het bouwplan echter niet aannemelijk wordt gemaakt dat het voldoet aan het Bouwbesluit 2012, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben een aanvraag ingediend voor het legaliseren van een warmtepomp op het dak van hun woning aan de [adres] (het perceel) .
2.1.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 9 oktober 2023 (primair besluit) afgewezen.
3. Met het besluit van 9 juli 2024 (bestreden besluit) op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
3.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).
4.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 11 mei 2023. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Totstandkoming van het bestreden besluit
5. Eisers hebben naar aanleiding van handhaving door het college een aanvraag ingediend om twee warmtepompunits van het merk en type Airwell AWHW PAC BT MB 9Kw H11 op het dak van hun woning te legaliseren. In het kader van de handhavingsprocedure is eerder een geluidsrapport opgesteld door de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ).
6. Het perceel heeft op grond van het (oude) bestemmingsplan Maasboulevard onder meer de bestemming “Wonen”. Verder geldt er een maximum bouwhoogte van drie meter.
7. Het college heeft met het primaire besluit de omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” en “handelen in strijd met de ruimtelijke regels” geweigerd. [1] Volgens het college is niet aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan het Bouwbesluit 2012. [2] Ook is het bouwplan in strijd met artikel 16.2.1, onder d, van de planregels, omdat een hoofdgebouw hoger is dan de toegestane drie meter. [3] Het college wil geen medewerking verlenen aan de afwijking van het bestemmingsplan, omdat de plaatsing van de warmtepompen op het dak niet optimaal is voor omwonenden. [4] Ook voldoet het bouwplan niet aan de redelijke eisen van welstand. [5]
8. Met het bestreden besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet meer strijdig is met het bestemmingsplan, zoals eerder betoogd, omdat de warmtepompen als een ondergeschikt bouwonderdeel kunnen worden aangemerkt. Het college laat de afwijzing van de omgevingsvergunning echter in stand, omdat met het bouwplan niet aannemelijk wordt gemaakt dat wordt voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit 2012. Ook is het bouwplan volgens het college in strijd met de redelijke eisen van welstand.
Toetsingskader
9. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Strijd met het Bouwbesluit?
10. Eisers betogen dat zij voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat wordt voldaan aan het Bouwbesluit 2012. Daartoe voeren zij aan dat zij een geluidsrapport van 9 november 2023, opgesteld door Data Envy Akoestisch Advies (het geluidsrapport), hebben overgelegd waaruit volgens eisers volgt dat het bouwplan voldoet aan artikel 3.8, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012. Eisers kunnen zich niet vinden in het standpunt van het college dat zij moeten aantonen dat wordt voldaan aan het Bouwbesluit. Ook vinden zij dat het college gelet op het toetsingskader niet kan verlangen dat er op locatie gemeten moet worden. Verder voeren eisers aan dat er ook nog een mogelijkheid is om een geluidsreducerende omkasting van Reducd toe te passen, waarmee een geluidsreductie van 14 dB(A) kan worden gerealiseerd.
10.1.
Bij de toetsing aan artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo geldt een zogenoemd limitatief-imperatief stelsel en moet het college beoordelen of zich één of meer van de weigeringsgronden uit artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo voordoen. Als dat niet het geval is, moet de gevraagde vergunning worden verleend. Het college heeft daarbij dus geen ruimte om een belangenafweging te maken.
10.2.
Op grond van artikel 2.10, eerste lid, onder a, van de Wabo wordt de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geweigerd indien de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwwerk voldoet aan het Bouwbesluit 2012. Op grond van artikel 3.8, tweede lid, van het Bouwbesluit in samenhang met artikel 3.11, eerste lid, van de Regeling Bouwbesluit 2012 veroorzaakt een installatie voor warmte- of koudeopwekking, die is opgesteld buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk, op de perceelgrens met een perceel voor een andere woonfunctie een geluidsniveau van ten hoogste 40 dB, bepaald volgens de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai 1999, internetuitgave 2004. Daarbij dient te worden voldaan aan de in bijlage VIII van de Regeling Bouwbesluit opgenomen nadere voorschriften.
10.3.
De toets die het college moet uitvoeren is een aannemelijkheidstoets. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld overweging 10 van de uitspraak van 7 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2375), komt het college bij de beantwoording van de vraag of op basis van de door de aanvrager overgelegde stukken aannemelijk is dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit beoordelingsruimte toe. Dit betekent dat het college niet hoeft aan te tonen dat aan het Bouwbesluit wordt voldaan.
10.4.
Uit het geluidsrapport van eisers blijkt dat het geluid afkomstig van de warmtepompunits op de beoordelingspunten is berekend aan de hand van het berekeningsprogramma Geomilieu. Ter plaatse van de perceelsgrens en/of te openen deuren en ramen van de naastgelegen woningen zijn de beoordelingspunten opgenomen. De buitenunits (de geluidsbron) zijn gemodelleerd als een puntbron. Voor de berekening wordt uitgegaan van het maximale geluidsvermogen (Lwa, max dag & Lwa, max avond/nacht) opgegeven door de leverancier, zijnde 68 dB(A). Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de installatie het gehele etmaal in bedrijf is. In het onderzoek is er verder vanuit gegaan dat het geluid geen tonaal karakter heeft en dat de units beschikken over een stille modus.
10.5.
In de bij het bestreden besluit gevoegde integrale motivatie aanvraag omgevingsvergunning staat dat op 3 januari 2024 een geluidsdeskundige van OZHZ het geluidsrapport heeft beoordeeld. De geluidsdeskundige van OZHZ betwist dat het geluid geen tonaal karakter heeft, omdat dit geluid ten tijde van de handhavingsprocedure is waargenomen. Verder wordt aangegeven dat er geen enkel beoordelingspunt is gekozen dat op de perceelgrens ligt van de naast gelegen woningen. Alle beoordelingspunten liggen op de voorgevels en/of in de patio’s. De waarde op de perceelgrens zal volgens de geluidsdeskundige hoger liggen dan in het geluidsrapport wordt aangegeven. Verder wordt volgens de geluidsdeskundige uit het rapport niet duidelijk of er met de gehanteerde gegevens van de fabrikant met allebei de units is gerekend. Ook is er een theoretische berekening gedaan met de gegevens die men heeft gekregen van derden. Er is geen meting ter plaatse uitgevoerd. Dit kan volgens de geluidsdeskundige een groot verschil opleveren, mede door de plaatsing van de units, de leeftijd van de units en eventueel het onderhoud in de afgelopen jaren.
10.6.
Gelet op het voorgaande heeft het college naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk mogen achten dat de waterpompunits niet voldoen aan de in artikel 3.8, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012 opgenomen maximale geluidsniveau van 40 dB. In wat eisers (in reactie hierop) hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.
Welstand
11. Het college stelt dat het bouwplan nog moet voldoen aan de redelijke eisen van welstand (artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de Wabo).
Uit de bij het bestreden besluit gevoegde integrale motivatie aanvraag omgevingsvergunning van 13 juni 2024 volgt echter dat er, na een eerder aangehouden advies op 31 mei 2023, op 12 juli 2023 een positief welstandsadvies is afgegeven dat als volgt luidt: “(…)
Niet strijdig is met redelijke eisen van welstand,
mits de units voorzien worden van een donkere gedekte omkasting, ook de leidingen in donkere kleur uitgevoerd”. Het college neemt in verweer ten onrechte het standpunt in dat gelet op dit welstandsadvies het bouwplan niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand omdat het niet op voorhand kan stellen dat elke ‘donkere kleur’ voor de omkasting op instemming van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (welstandscommissie) kan rekenen. Op grond van het bovenstaande oordeelt de rechtbank dat het college eisers ten onrechte de eis tegenwerpt dat het bouwplan moet voldoen aan de redelijke eisen van welstand (artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de Wabo).
11.1.
Het beroep is op dit punt gegrond.
12. Hoewel het beroep gegrond is voor wat betreft het bestreden besluit ten aanzien van de welstand, oordeelt de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. De rechtbank komt tot dit oordeel omdat met het bouwplan niet aannemelijk wordt gemaakt dat het voldoet aan artikel 3.8, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012. Gelet op het limitatief-imperatief stelsel zoals omschreven onder 10.1 betekent dat het college de omgevingsvergunning terecht heeft geweigerd.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank laat echter met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
13.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 9 juli 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Regenboog, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
b. […],
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
[…].

Artikel 2.10

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of Pro 120 van de Woningwet;
[…];
de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;
[…].
[…].
Bouwbesluit 2012

Artikel 3.8. Aangrenzend perceel

[…].
Een installatie voor warmte- of koudeopwekking, die is opgesteld buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk, veroorzaakt op de perceelgrens met een perceel voor een andere woonfunctie een geluidsniveau van ten hoogste 40 dB, bepaald volgens de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai.
Regeling Bouwbesluit 2012

Artikel 3.11

Waar in artikel 3.8, tweede lid, en artikel 3.9, derde lid, van het besluit wordt verwezen naar de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai is bedoeld de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai 1999, internetuitgave 2004.
Bij toepassing van het eerste lid wordt voldaan aan de in bijlage VIII van deze regeling opgenomen nadere voorschriften.
Bijlage VIII. behorende bij artikel 3.11, tweede lid, van de Regeling Bouwbesluit 2012
a.
Meetgrootheid en meetduur
In afwijking van paragraaf 2.2 van de Handleiding Meten en Reken Industrielawaai wordt het equivalente A gewogen immissieniveau Li gemeten voor een bedrijfstoestand i, zoals genoemd bij b, over een meetperiode van minimaal 1 minuut.
Bedrijfstoestand waarbij wordt gemeten
Het geluidsniveau van de installatie voor warmte- of koudeopwekking wordt gemeten bij het maximale toerental behorende bij de gekozen instelling van de installatie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een bedrijfstoestand in de dagperiode (7:00 - 19:00 uur) en de avond- en nachtperiode (19:00 - 7:00 uur) als de installatie voor deze perioden afzonderlijke instellingen heeft.
Als het instellen van het maximale toerental bij een installatie niet mogelijk is dan wordt de meting uitgevoerd bij in de tabel 1 beschreven omstandigheden.
Tabel 1
Bedrijfstoestand
Actie
Instelling aanvoer temperatuur
buitentemperatuur
Tapwaterproductie
warmtapwater-voorraad ten minste 50% leeg tappen met volledig open douche- of badkraan.
50 °C tapwater
Maximaal 18 °C
Ruimteverwarming
15 minuten voor de meting de systeemregelaar voor alle zones 5 °C hoger instellen dan de aanwezige ruimtetemperatuur.
Ontwerptemperatuur afgiftesysteem
Maximaal 10 °C
Ruimtekoeling
15 minuten voor de meting de systeemregelaar voor alle zones 5°C lager instellen dan de aanwezige ruimtetemperatuur.
Ontwerptemperatuur afgiftesysteem
Minimaal 23 °C
Hybride (elektrisch of gas-bijstook)
15 minuten voor de meting de systeemregelaar voor alle zones 5 °C hoger instellen dan aanwezige ruimtetemperatuur en bijstooksysteem blokkeren.
Ontwerptemperatuur afgiftesysteem bij
T-bivalent
Minimaal 5°C en maximaal 10°C
Naast de genoemde omstandigheden in tabel 1 moet bij installaties voor tapwaterproductie en ruimteverwarming die bij het ontdooien geen gebruik maken van de aanwezige warmte in de woning of van een speciaal warmtebuffer, de meting ook worden uitgevoerd bij het ontdooien.
Correctie dagperiode
Indien een installatie een afzonderlijke instelling heeft voor de avond- en nachtperiode (19:00 - 7:00 uur), dan wordt het gemeten geluidsniveau in de dagperiode (7:00 - 19:00 uur) gecorrigeerd met -5 dB.
Correctie tonaal geluid
In afwijking van paragraaf 2.3 van de Handleiding Meten en Reken Industrielawaai wordt het gemeten geluidsniveau als volgt gecorrigeerd als sprake is van tonaal geluid:
de tonaliteit wordt bepaald volgens NEN-ISO 1996-2:2017, Annex J, table J.1, waarbij een tonaliteitscorrectie wordt bepaald van 0 dB naar 6 dB met stappen van 1dB.
Tot 1 januari 2024 mag in afwijking van de bovengenoemde bepalingsmethode de tonaliteit bepaald worden volgens DIS47315/150257, April 2004 (BfE Basel). Hierbij wordt de tonaliteit bepaalt als een waarde LBi en de aan te houden tonaliteitscorrectie is dan als volgt:
 LBi< 17,5 een tonaliteitscorrectie van 0 dB;
 17,5 ≤ LBi < 25 een tonaliteitscorrectie van 3 dB;
 LBi >= 25 een tonaliteitscorrectie van 6 dB.
Indien beide bepalingsmethoden worden toegepast, dan geldt de laagst bepaalde tonaliteitscorrectie.
Plaats waar gemeten wordt op de perceelgrens met een perceel voor een andere woonfunctie (artikel 3.8, tweede lid, van het besluit).
[…].
De installatie staat op een vloer van een buitenruimte, op een dak of hangt aan een gevel
De plaats waar gemeten wordt op de perceelgrens heeft een verticale en een horizontale positie die als volgt worden bepaald:
 de verticale positie (hoogte) is 1,5 meter boven de onderkant van de installatie; en
 de horizontale positie waar het hoogste invallende geluidsniveau optreedt.
In afwijking van de bovengenoemde verticale positie (hoogte) kan worden uitgegaan van een verticale positie van 1,5 meter boven het maaiveld in de volgende gevallen:
als op het naastgelegen perceel voor een andere woonfunctie nergens een invallend geluidsniveau optreedt groter dan 40 dB ter plaatse van:
 1,5 1,5 meter boven het maaiveld; en
 1,5 het midden van te openen ramen of deuren van verblijfsgebieden van de andere woonfunctie; of
als op het naastgelegen perceel voor een andere woonfunctie nergens een invallend geluidsniveau optreedt groter dan 40 dB ter plaatse van:
 1,5 1,5 meter boven het maaiveld; en
 1,5 de mogelijke gevels of daken van de andere woonfunctie.
Plaats waar gemeten wordt bij een te openen raam of deur (artikel 3.9, derde lid, van het besluit).
Er wordt gemeten bij het te openen raam of de deur van een aangrenzende woning op hetzelfde perceel waar het hoogste geluidsniveau optreedt. Bij het raam of de deur wordt daarbij op twee plaatsen gemeten op de verticale middellijn van het raam of de deur: één op een hoogte van een kwart en één op een hoogte van driekwart van het raam of de deur. Er wordt gemeten op een afstand van maximaal 2 cm van het raam of de deur. De beide meetwaarden worden energetisch gemiddeld. De gemeten waarde wordt gecorrigeerd met -5 dB vanwege de reflectie tegen de achterliggende constructie. De correctie geldt niet bij een raam of deur die grenst aan een buitenruimte.
Bestemmingsplan Maasboulevard

Artikel 2 Wijze Pro van meten

2.2
Ondergeschikte bouwdelen
Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.
16.2
Bouwregels
16.2.1
Hoofdgebouwen
Hoofdgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken:
gebouwen dienen te worden gebouwd binnen het bouwvlak;
ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' is ten hoogste de aangegeven maximale goothoogte toegestaan;
in afwijking van sub b bedraagt de maximale goothoogte aan de achtergevel de bestaande goothoogte;
ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is ten hoogste de aangegeven maximale bouwhoogte toegestaan;
de verticale bouwdiepte van een (ondergronds) gebouw mag niet meer dan 3 m bedragen.

Voetnoten

1.Artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo.
2.Artikel 2.10, eerste lid, onder a, van de Wabo.
3.Artikel 2.10, eerste lid, onder c, van de Wabo.
4.Artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo.
5.Artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de Wabo.