ECLI:NL:RBROT:2026:7337

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
C/10/667979 / FA RK 23-7906
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:250 BWArt. 1:251a BWArt. 1:253n BWArt. 1:244 BWArt. 1:377a lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging gezamenlijk gezag in eenhoofdig gezag en omgangsregeling op initiatief minderjarige

De rechtbank Rotterdam heeft op 16 juni 2026 een beschikking gegeven in een zaak over het ouderlijk gezag en de omgangsregeling van een minderjarige geboren in 2012. De procedure kende een lange voorgeschiedenis van conflicten tussen de ouders, waarbij het contact tussen de vader en de minderjarige sinds augustus 2023 is gestagneerd. Ondanks pogingen via het Rotterdams Omgangshuis is het contact niet hersteld, en de minderjarige heeft aangegeven geen contact te willen en behoefte te hebben aan rust.

De moeder verzocht om het gezamenlijk gezag te beëindigen en het gezag aan haar toe te kennen, evenals een wijziging van de omgangsregeling waarbij de minderjarige bij de vader verblijft wanneer zij dat wenst. De vader trok zijn verzoek tot benoeming van een bijzondere curator in en liet weten de strijd om contact te staken.

De rechtbank oordeelde dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden die het beëindigen van het gezamenlijk gezag rechtvaardigen. Het gezag wordt daarom aan de moeder toegekend. De omgangsregeling wordt aangepast zodat het initiatief voor contact bij de minderjarige ligt, wat aansluit bij haar behoefte aan rust en haar eigen tempo. De rechtbank benadrukte dat het beëindigen van het gezag niet betekent dat contact onmogelijk is, maar dat de minderjarige zelf kan bepalen wanneer zij contact zoekt.

De kinderrechter stuurde een brief aan de minderjarige waarin zij wordt gerustgesteld over de situatie en wordt aangemoedigd contact te zoeken wanneer zij daar klaar voor is. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan door partijen binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en het gezag wordt toegekend aan de moeder; de omgangsregeling wordt gewijzigd zodat het initiatief voor contact bij de minderjarige ligt.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/667979 / FA RK 23-7906
Beschikking van 16 juni 2026 over het ouderlijk gezag en de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht
in de zaak van:
[de man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),
advocaat mr. J.E. Sondorp te Gouda,
t e g e n
[de vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),
advocaat mr. M.T. Wernsen te Voorburg.
Deze zaak heeft betrekking op de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] ).

1.De verdere procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
  • de tussenbeschikking van 11 september 2024;
  • de eindrapportage van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, ingekomen op 22 april 2025;
  • het bericht met bijlagen van het Rotterdams Omgangshuis, ingekomen op 25 april 2025;
  • het bericht van de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad) van 28 april 2025;
  • het aanvullend verzoekschrift van de man, ingekomen op 4 augustus 2025;
  • het aanvullend verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 8 september 2025;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 8 mei 2026;
  • het bericht met bijlagen van de man van 12 mei 2026.
1.2.
De voortgezette mondelinge behandeling van de zaak heeft op 19 mei 2026 plaatsgevonden. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de raad, als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .
Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de man niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen, zoals hij de rechtbank heeft laten weten bij bericht van 12 mei 2026.
1.3.
[minderjarige] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. [minderjarige] heeft hier gebruik van gemaakt en heeft op 8 maart 2026 een bericht aan de rechtbank gestuurd.

2.De verdere vaststaande feiten

2.1.
Tussenbeschikking 11 september 2024
2.1.1.
Bij tussenbeschikking van deze rechtbank van 11 september 2024 is – voor zover in deze relevant – vastgesteld dat partijen bij proces-verbaal zijn doorverwezen naar het hulpverleningstraject omgangsbegeleiding. Iedere verdere beslissing ten aanzien van de regeling van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) is pro forma aangehouden tot 1 juni 2025.

3.De beoordeling

3.1.
Benoeming bijzondere curator
3.1.1.
Bij bericht van 12 mei 2026 heeft de man zijn verzoek ten aanzien van het benoemen van een bijzondere curator ex artikel 1:250 BW Pro ingetrokken. De rechtbank zal dat verzoek dan ook afwijzen.
3.2.
Gezag en omgangsregeling
3.2.1.
De vrouw verzoekt – bij wijze van zelfstandig verzoek – te bepalen dat het gezag over [minderjarige] alleen aan haar toekomt. Daarnaast verzoekt zij wijziging van de in
de beschikking van deze rechtbank van 22 januari 2018 vastgestelde zorgregeling in die zin, dat wordt bepaald dat [minderjarige] bij de man verblijft wanneer zij dat wenst.
3.2.2.
De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het gezag en – naar de rechtbank begrijpt – ook ten aanzien van de zorgregeling.
Juridisch kader
3.2.3.
Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW genoemde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.
3.2.4.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders indien de ouders dat niet kunnen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk gezag kan worden toegekend.
3.2.5.
De rechtbank kan op verzoek van de ouders of van een van hen op grond van artikel 1:377a lid 2 BW in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over de omgang of een door ouders onderling getroffen regeling van de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling) wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Wat ging hieraan vooraf?
3.2.6.
Partijen hebben een lange voorgeschiedenis van strijd en procedures. Hoewel dit (ook) over de partneralimentatie ging, heeft deze strijd ook het contact tussen de man en [minderjarige] geraakt. In die periode is het contact tussen de man en [minderjarige] verslechterd. De man heeft sinds augustus 2023 geen contact meer met [minderjarige] . Via het Rotterdams Omgangshuis is geprobeerd het contact te herstellen. Ondanks de inzet van alle partijen is dat niet gelukt. [minderjarige] heeft behoefte aan rust en wil op dit moment geen contact met de man. De raad heeft na het stagneren van het traject bij het Rotterdams Omgangshuis geen reden gezien tot onderzoek.
Hoe nu verder?
3.2.7.
De man heeft de rechtbank voorafgaand aan de mondelinge behandeling bericht dat hij de strijd om contact met [minderjarige] staakt en zich refereert aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het gezag. Uit het bericht van de man leidt de rechtbank af dat hij zich ook refereert ten aanzien van de zorgregeling. Tijdens de mondelinge behandeling zijn, in afwezigheid van de man, de verzoeken van de vrouw over het gezag en de zorgregeling besproken. De verzoeken sluiten aan bij de behoefte om rust te creëren, zowel voor [minderjarige] als voor partijen. Hoewel ieder van partijen daar de eigen motivatie bij heeft, zijn partijen het eens dat rust en stabiliteit nu het beste zijn voor [minderjarige] . Het advies van de raad sluit daarbij aan. De raad heeft geadviseerd het verzoek ten aanzien van het eenhoofdig gezag toe te wijzen. Enerzijds zodat er rust voor [minderjarige] ontstaat en anderzijds omdat de man, nu er al lange tijd geen contact is, niet meer op de hoogte is van het wel en wee in het leven van [minderjarige] .
3.2.8.
De rechtbank is van oordeel dat toewijzing van het verzoek tot eenhoofdig gezag in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. De rechtbank zal het gezamenlijk gezag over [minderjarige] beëindigen en bepalen dat dit voortaan alleen aan de vrouw toekomt. Gebleken is dat sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag sprake is van gewijzigde omstandigheden zoals benoemd in rechtsoverweging 3.2.6. Met het eenhoofdig gezag wordt voorkomen dat beslissingen over [minderjarige] afhankelijk blijven van de betrokkenheid van de man. Met deze beslissing haalt de rechtbank ook een onderwerp van strijd weg bij partijen, in de hoop dat dit rust en duidelijkheid geeft voor zowel de vrouw als [minderjarige] .
3.2.9.
Omdat de rechtbank het gezamenlijk gezag zal beëindigen, zal de rechtbank hierna over een omgangsregeling spreken. De rechtbank acht het niet in het belang van [minderjarige] om de bestaande omgangsregeling te handhaven, omdat dit druk kan blijven uitoefenen op [minderjarige] . Het is voor [minderjarige] belangrijk dat zij gehoord wordt. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw om wijziging van de regeling toewijzen en een omgangsregeling vaststellen waarbij het initiatief voor het contact met de man bij [minderjarige] komt te liggen. Hoewel de rechtbank onderkent dat het zwaar is het initiatief voor contact bij [minderjarige] neer te leggen, acht de rechtbank deze omgangsregeling, gelet op de huidige omstandigheden, meer in haar belang dan het ontzeggen van omgang of het behouden van de regeling uit de beschikking van 22 januari 2018.
3.2.10.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het beëindigen van het gezamenlijk gezag niet betekent dat [minderjarige] en de man geen contact meer kúnnen hebben. Gezag en omgang staan los van elkaar. [minderjarige] kan, zodra zij dat wil en kan, op haar eigen tempo weer contact zoeken met de man. De rechtbank hoopt dat deze beschikking rust en duidelijkheid biedt, zodat zij in de toekomst ruimte zal voelen om dat ook te doen.
Brief aan [minderjarige]
3.2.11.
De kinderrechter heeft voorafgaand aan deze zitting niet met [minderjarige] gesproken. Zij heeft haar mening in een brief kenbaar gemaakt. Ook heeft de kinderrechter in een eerdere procedure [minderjarige] gesproken. Daarom zal de kinderrechter aan [minderjarige] een brief sturen met de volgende tekst.

Beste [minderjarige] ,
Wat langer geleden hebben wij elkaar een keer gesproken. Ook heb je mij een brief geschreven. Ik heb beslissingen genomen over het gezag van je vader over jou en het contact tussen jou en jouw vader. Daarom krijg je nu van mij deze brief.
Tijdens de zitting op 19 mei 2026 op de rechtbank heb ik jouw moeder gesproken. Zij is op de rechtbank geweest met haar advocaat. Jouw vader is niet gekomen. Hij heeft mij voor de zitting een brief gestuurd. Hij schrijft daarin dat het verdrietig is hoe het is gegaan. Hij legt zich neer bij de situatie in de hoop dat dat rust geeft. Hij mist je erg en hoopt dat er in de toekomst weer contact komt.
Mijn beslissing is dat jouw moeder alleen het gezag krijgt over jou. Dat betekent dat jouw moeder beslissingen kan nemen, zonder dat bijvoorbeeld instemming van jouw vader nodig is. Het contact tussen jou en jouw vader zal er alleen zijn als jij dat wilt. Op dit moment wil je geen contact. Er is teveel gebeurd. Het is aan jou om contact te zoeken met jouw vader als je daar ruimte voor voelt
Weet dat je van gedachte mag veranderen. Dat je nu geen contact wilt, betekent misschien niet dat je dat nooit meer wilt. Het kan zijn dat je ooit wel weer contact wil, misschien over een jaar, misschien pas over jaren. Weet dat dat mag. Jouw moeder heeft beloofd je te helpen als je contact wil. Bij jouw vader staat de deur voor jou open als jij daaraan toe bent.
Hopelijk geeft deze beslissing jou nu de rust die je zoekt. Voor nu wens ik je het allerbeste.
Met vriendelijke groet,
mr. S. Wierink
kinderrechter

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
beëindigt het gezamenlijk gezag en bepaalt dat het gezag over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] voortaan aan de vrouw toekomt;
4.2.
bepaalt dat van deze beslissing aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW Pro genoemde openbare gezagsregister;
4.3.
wijzigt de bij beschikking van deze rechtbank van 22 januari 2018 vastgestelde regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in die zin dat nu een regeling van de uitoefening van het omgangsrecht wordt vastgesteld, inhoudende dat [minderjarige] bij de man verblijft wanneer zij dat wenst;
4.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Wierink, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. A.M. Bakker, griffier, op 16 juni 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.