ECLI:NL:RBROT:2026:7381

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/9643 + ROT 25/10175
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:4 AwbArt. 4:6 AwbArt. 6:19 AwbArt. 35 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor inrichtingskosten en vervanging huisraad

Eiseres, een alleenstaande met een AOW-uitkering en aanvullende inkomensvoorziening, vroeg bijzondere bijstand aan voor inrichtingskosten en vervanging van huisraad na een gedwongen verhuizing vanwege vocht- en rioolproblemen in haar vorige woning.

Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvragen af omdat de kosten als voorzienbare algemene kosten van het bestaan worden beschouwd die uit het inkomen op bijstandsniveau moeten worden voldaan, tenzij bijzondere omstandigheden dit onmogelijk maken. De rechtbank oordeelde dat de verhuizing niet het gevolg was van een acute calamiteit maar van langdurige problemen waar eiseres al langer van op de hoogte was, waardoor zij had kunnen reserveren.

Eiseres kon haar stellingen over onbruikbare inboedel en rioolschade onvoldoende onderbouwen met objectieve stukken. Ook het betoog dat het college het evenredigheids- en zorgvuldigheidsbeginsel schond, werd verworpen omdat het college zorgvuldig heeft gemotiveerd en de belangenafweging niet onevenredig was.

De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en wees terugbetaling van griffierecht en proceskostenvergoeding af. Eiseres kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden en nieuwe feiten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 25/9643 en ROT 25/10175

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaken tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. Z. Abachi).

Procesverloop

Zaak ROT 25/9643
1. Met een besluit van 3 mei 2025 (primair besluit 1) heeft het college de aanvraag van eiseres van 3 april 2025 om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor inrichtingskosten afgewezen.
1.1.
Met een besluit van 12 november 2025 (het bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen primair besluit 1 ongegrond verklaard.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1.
Zaak ROT 25/10175
1.3.
Met een besluit van 10 juli 2025 (primair besluit 2) heeft het college de aanvraag van 21 mei 2025 om bijzondere bijstand op grond van de Pw voor vervanging van huisraad afgewezen.
1.4.
Met een besluit van eveneens 12 november 2025 (het bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen primair besluit 2 ongegrond verklaard.
1.5.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 2.
1.6.
Het college heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.
1.7.
De rechtbank heeft de beroepen op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, [naam] (tolk), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college, vergezeld van mr. A. Zonneveld.

Beoordeling door de rechtbank

Over de aanvraag om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten (ROT 25/9643)
Inleiding
2. Eiseres ontvangt een uitkering in het kader van de Algemene Ouderdomswet (AOW-uitkering) met een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling). Haar inkomen ligt daarmee op het niveau van de bijstandsnorm. Eiseres is sinds 26 maart 2025 woonachtig op haar huidige adres. Zij heeft verklaard dat zij vanwege de slechte staat van haar vorige woning, waar sprake was van langdurige vochtproblemen en riooloverlast, is verhuisd naar haar nieuwe woning. Volgens haar was deze verhuizing niet gepland, maar noodzakelijk vanwege haar gezondheidssituatie en de leefomstandigheden in de oude woning. Eiseres heeft op 3 april 2025 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor inrichtingskosten. Bij de aanvraag heeft zij aangegeven dat zij alleenstaand is en niet voldoende inkomen heeft om alle kosten te betalen. Het betreft een totaalbedrag van
€ 6.932,34, bestaande uit pro-forma nota's van Leen Bakker (€ 2.692,39) en Electro Kampioen (€ 3.353,75). In haar aanvraag heeft eiseres toegelicht dat zij in de nieuwe woning vrijwel niets had en dat zij veel meubels en huishoudelijke apparaten moest aanschaffen. Zij heeft verklaard dat zij deze kosten niet kan dragen uit haar lopende uitkering, omdat haar inkomen beperkt is en zij geen financiële ruimte heeft om te sparen. Met primair besluit 1 heeft het college de aanvraag afgewezen.
3. Aan het bestreden besluit 1 heeft het college ten grondslag gelegd dat de gevraagde kosten voor vervanging van huisraad incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan zijn. Deze kosten dienen in beginsel uit een inkomen op bijstandsniveau te worden bestreden, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Slechts wanneer de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, kan dit een aanleiding zijn om bijzondere bijstand te verlenen.
De inrichtingskosten zijn in dit geval voorzienbare kosten van het bestaan waarvoor eiseres had moeten reserveren.
Het standpunt van eiseres
4. Eiseres betoogt dat zij onvoldoende saldo heeft om te reserveren. Ze is gedwongen verhuisd vanwege de onhoudbare en ongezonde woonsituatie. De inboedel raakte door vocht en schimmel onbruikbaar. Dit zijn omstandigheden die volledig buiten haar invloedssfeer liggen. Eiseres betoogt dat het college niet een evenredige afweging heeft gemaakt tussen enerzijds het beleid en anderzijds de omstandigheden van eiseres, waaronder haar leeftijd, lage inkomen, gezondheidssituatie en het feit dat haar verhuizing niet (geheel) planbaar was. Eiseres voldoet derhalve wel aan de voorwaarden om voor bijzondere bijstand in aanmerking te komen. Eiseres betoogt dat de kosten noodzakelijk waren en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Dit levert strijd op met artikel 3:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (evenredigheidsbeginsel) en artikel 3:2 van Pro de Awb (zorgvuldigheidsbeginsel).
De wet- en regelgeving en rechtspraak
5. Artikel 35, eerste lid, van de Pw bepaalt, voor zover hier van belang, dat de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
5.1.
Inrichtingskosten zijn kosten die, als zij noodzakelijk zijn, gerekend worden tot de periodieke dan wel incidentele algemene kosten van het bestaan. Die kosten dienen in beginsel te worden voldaan uit het inkomen op bijstandsniveau, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend als de zich voordoende, noodzakelijke kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten, is een aspect dat in laatstgenoemd kader moet worden beoordeeld. [1]
Het oordeel van de rechtbank
6. Niet in geschil is dat de kosten zich in dit geval voordeden en noodzakelijk waren. In geschil is of sprake is van bijzondere omstandigheden en in verband daarmee of de kosten uit het inkomen en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de kosten voor woninginrichting voorzienbaar waren. Zoals het college in het bestreden besluit 1 heeft overwogen, is niet gebleken dat eiseres is verhuisd vanwege uitzonderlijke, niet-voorzienbare omstandigheden, zoals verlies van de gehele inboedel door brand of calamiteit. Eiseres is verhuisd vanwege vocht- en rioolproblemen in haar vorige woning en daardoor stelt ze geen bruikbare spullen te hebben kunnen meenemen. Eiseres heeft niet kunnen sparen door haar lage inkomen en de korte periode tussen toewijzing en verhuizing. Nu de problemen in de oude woning al langere tijd bestonden en eiseres zich al eerder had ingeschreven voor een andere woning kon zij weten dat er een verhuizing aan zat te komen. Eiseres had hierop kunnen anticiperen door tijdig te reserveren voor de te verwachten inrichting. Van een plotselinge, acute calamiteit of onvoorziene gebeurtenis, zoals brand, waterschade of een andere gebeurtenis waardoor de gehele inboedel
onverwacht verloren is gegaan, is geen sprake geweest. Eiseres heeft tevens niet duidelijk gemaakt dat ze op stel en sprong moest verhuizen. Dat de financiële middelen van eiseres beperkt zijn vormt geen bijzondere omstandigheid om eiseres alsnog bijzondere bijstand te verstrekken. Het betoog van eiseres dat zij onvoldoende saldo heeft om te reserveren, slaagt niet. Een laag banksaldo betekent niet zonder meer dat reservering volledig onmogelijk is of was. Bovendien volgt uit de rechtspraak niet dat het ontbreken van feitelijke reserveringen automatisch maakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 35 van Pro de Pw. Nu eiseres al langere tijd bekend was met haar woonsituatie en met haar wens dan wel noodzaak om te verhuizen, mocht van haar verwacht worden dat zij, voor zover mogelijk, rekening hield met toekomstige inrichtingskosten.
8. Eiseres heeft haar stelling dat een deel van haar inboedel wegens vocht en schimmel niet langer bruikbaar was en niet kon worden meegenomen naar de nieuwe woning, niet met objectieve en verifieerbare stukken onderbouwd. Dat eiseres in haar vorige woning meerdere riooloverstromingen heeft gehad die afkomstig zijn van haar bovenburen wordt slechts gesteld, maar in het geheel niet onderbouwd. Eiseres heeft bijvoorbeeld geen schaderapporten en gegevens overgelegd waaruit blijkt in hoeverre de verhuurder of de buren aansprakelijk zijn gesteld voor de veroorzaakte schade. Tijdens de zitting heeft eiseres bovendien verteld dat de rioolproblemen niet van de bovenburen kwamen, maar zich voordeden in de kelder onder haar woning. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat rioolproblemen in de kelder tot schade aan de meubels en elektrische apparatuur in haar daarboven gelegen woning hebben geleid. De verklaring op de zitting dat zij elektrische apparatuur, zoals een koelkast, een wasmachine, een blender en een televisie, na gebruik steeds in de kelder zette acht de rechtbank ongeloofwaardig.
9. Het betoog van eiseres dat het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel zijn geschonden, slaagt niet. Het college heeft de door eiseres overgelegde informatie, waaronder haar financiële situatie en haar toelichting op de woonsituatie zorgvuldig onderzocht en betrokken bij de besluitvorming. Van een onevenredige belangenafweging is niet gebleken. Het college heeft het algemeen uitgangspunt toegepast dat duurzame gebruiksgoederen uit het reguliere inkomen dienen te worden bekostigd. De door het college beoordeelde omstandigheden van eiseres vormen geen aanleiding om van dit standpunt af te wijken. Dat eiseres de gevolgen van de afwijzing als belastend ervaart, maakt niet dat het besluit onevenredig is in verhouding tot de met artikel 35 van Pro de Pw te dienen doelen.
11. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 is, gezien het voorgaande, ongegrond.
Over de aanvraag voor vervanging van huisraad (ROT 25/10175)
Inleiding
12. Eiseres heeft op 21 mei 2025 opnieuw bijzondere bijstand aangevraagd
voor inrichtingskosten. Eenzelfde aanvraag van 3 april 2025 is eerder, op 3 mei 2025, beoordeeld en afgewezen. Daarbij is vastgesteld dat het ging om algemeen voorkomende kosten van het bestaan waarvoor eiseres had kunnen reserveren of gespreid betalen. Vervolgens heeft het college met primair besluit 2 de aanvraag afgewezen.
12.1.
Met het bestreden besluit 2 is het college bij de afwijzing gebleven. Hier heeft het college aan ten grondslag gelegd dat er geen nieuwe omstandigheden zijn gebleken ten opzichte van het besluit van 3 mei 2025.
13. De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd. De door eiseres aangevoerde omstandigheden, zoals de vocht- en rioolproblemen in de vorige woning, de gestelde gezondheidsklachten, de noodzaak van verhuizing, de beperkte financiële draagkracht, het ontbreken van reserveringsruimte, de korte periode tussen woningtoewijzing en de verhuizing en de aard en omvang van de aanwezige inboedel, waren reeds bekend ten tijde van de eerdere aanvraag en zijn geen nieuw gebleken feiten of gewijzigde omstandigheden. Die omstandigheden zijn reeds betrokken bij de eerdere beoordeling van de aanvraag om bijzondere bijstand voor de inrichtingskosten. Dat eiseres deze omstandigheden in bezwaar en beroep nader heeft toegelicht, maakt niet dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb Pro.
14. Het beroep tegen het betreden besluit 2 is, gezien het voorgaande, ongegrond.
15. De door eiseres overgelegde beslissing op bezwaar over bijzondere bijstand voor verhuiskosten is geen besluit als bedoeld in artikel 6:19 van Pro de Awb omdat die beslissing betrekking heeft op een andere aanvraag. Als eiseres het niet met dat besluit eens is, zal zij daartegen een zelfstandig beroep moeten instellen.

Conclusie en gevolgen

16. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 19 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1152.