ECLI:NL:RBROT:2026:7408

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
11909920 CV EXPL 25-21187
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:662 BWArt. 7:663 BWArt. 7:655 BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens niet-tijdig afsluiten WIA-excedentverzekering en pensioenschade na bestuurswisseling

De werknemer trad in 2016 in dienst bij Mariflex Pump Services B.V. (Mariflex PS) en werd vanaf augustus 2022 arbeidsongeschikt. Hij stelde dat per 10 maart 2022 sprake was van overgang van onderneming, waarbij arbeidsvoorwaarden, waaronder een WIA-excedentverzekering, geharmoniseerd zouden worden. Hij vorderde vergoeding wegens het niet tijdig afsluiten van deze verzekering en pensioenschade.

De kantonrechter oordeelde dat er geen sprake was van overgang van onderneming, maar slechts van een bestuurswisseling. Mariflex PS bleef bestaan en de werknemer bleef in dienst bij Mariflex PS. De werkgever was daarom niet verplicht de werknemer te informeren over het ontbreken van een WIA-excedentverzekering.

Verder stelde de werknemer dat toezeggingen waren gedaan over het afsluiten van de verzekering, maar dit kon niet worden bewezen. Ook de pensioenregeling bleef ongewijzigd omdat de werknemer niet in dienst trad bij de andere entiteit. De vorderingen werden afgewezen en de werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen van de werknemer wegens niet-tijdig afsluiten van een WIA-excedentverzekering en pensioenschade worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11909920 CV EXPL 25-21187
datum uitspraak: 12 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. M.F.M. Groot Kormelink,
tegen
Mariflex Pump Services B.V.,
vestigingsplaats: Vlaardingen,
gedaagde,
gemachtigde: mr. A.E. Burggraaf.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘Mariflex PS’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 22 september 2025, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • de brief van [eiser] van 30 maart 2026, met bijlagen.
1.2.
Op 11 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was [eiser] aanwezig, vergezeld door zijn echtgenote en zijn zwager en bijgestaan door mr. M.F.M. Groot Kormelink. Namens Mariflex PS is verschenen [naam 1] (bestuurder van [bedrijf 1] , die grootaandeelhouder is van [bedrijf 2] ), bijgestaan door mr. A.E. Burggraaf.

2.De beoordeling

Wat is de kern van de zaak?
2.1.
[eiser] is op 1 maart 2016 in de functie van General Manager bij Mariflex PS in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van 12 maanden, die na afloop van deze termijn voor onbepaalde tijd is voortgezet. Vanaf 1 augustus 2022 was [eiser] arbeidsongeschikt. Op 17 oktober 2024 heeft Mariflex PS de arbeidsovereenkomst van [eiser] opgezegd per 1 februari 2025.
2.2.
De aandelen van Mariflex PS worden sinds 20 oktober 2021 uitsluitend gehouden door Mariflex Group B.V. (hierna: Mariflex Group). Met ingang van 10 maart 2022 is [bedrijf 2] (hierna: ‘[bedrijf 2]’) volledig bestuurder van Mariflex Group. De aandelen in [bedrijf 2] worden grotendeels gehouden door [bedrijf 1] . [eiser] stelt dat er per 10 maart 2022 sprake was van overgang van onderneming waarbij de harmonisatie van de arbeidsvoorwaarden een belangrijk uitgangspunt was. Volgens [eiser] was het de bedoeling de directie van Mariflex PS – waaronder [eiser] – onder te brengen binnen Mariflex Group en te voorzien van dezelfde arbeidsvoorwaarden, die zouden gelden voor de andere directieleden binnen de gehele organisatie. In dat kader heeft hij onderhandeld met [naam 1] (hierna: [naam 1] ), bestuurder van [bedrijf 1] [eiser] stelt dat een belangrijk onderdeel daarvan was de invoering van een WIA-excedentverzekering (een verzekering waarbij in geval van langdurige arbeidsongeschiktheid onder bepaalde voorwaarden het inkomen boven de wettelijke WIA-uitkering wordt aangevuld), die ook voor [eiser] zou gaan gelden. Volgens [eiser] heeft de harmonisatie van de arbeidsvoorwaarden niet plaatsgevonden en is hij vóór aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid niet aangemeld voor de WIA-excedentverzekering. Ook zou Mariflex PS hebben nagelaten hem aan te melden voor een betere pensioenregeling.
2.3.
[eiser] eist in deze procedure dat voor recht wordt verklaard dat Mariflex PS tekortgeschoten is in haar verplichtingen jegens [eiser] door hem niet tijdig te verzekeren voor de WIA-excedentverzekering, dat Mariflex PS primair wordt veroordeeld tot betaling van € 225.000,- aan toegezegde compensatie voor het niet tijdig verzekeren en subsidiair tot betaling van € 561.374,- bruto, welk bedrag ziet op door [eiser] misgelopen en nog mis te lopen WIA-uitkering tot aan zijn pensioenleeftijd, met rente en buitengerechtelijke incassokosten, en dat Mariflex PS daarnaast wordt veroordeeld tot betaling van € 48.977,10 aan geleden pensioenschade.
2.4.
Mariflex PS is het niet eens met de eisen van [eiser] en voert aan dat er per 10 maart 2022 geen sprake is geweest van overgang van onderneming en er ook niet met [eiser] nieuwe arbeidsvoorwaarden zijn overeengekomen. Volgens Mariflex PS heeft zij [eiser] nooit toegezegd dat zijn arbeidsvoorwaarden zouden worden gelijkgetrokken met andere directieleden en heeft zij op geen enkel moment het vertrouwen gewekt dat zij voor [eiser] een WIA-excedentverzekering zou sluiten. Mariflex betwist dan ook dat zij tekortgeschoten is in de nakoming van de arbeidsovereenkomst en zich niet als goed werkgever gedragen heeft.
2.5.
De kantonrechter wijst de eisen van [eiser] af. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Er is geen sprake van overgang van onderneming
2.6.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat, op het moment dat [eiser] per 1 augustus 2022 arbeidsongeschikt werd, er voor hem geen WIA-excedentverzekering was afgesloten. Ook zijn zij het er over eens dat het door die arbeidsongeschiktheid na 1 augustus 2022 niet meer mogelijk was een dergelijke verzekering voor [eiser] af te sluiten.
2.7.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat er per 10 maart 2022 sprake was van overgang van onderneming. Dat is volgens hem van belang, omdat Mariflex PS in dat geval (op grond van artikel 7:663 jo Pro 7:655 BW) verplicht is haar werknemers tijdig en volledig te informeren over hun rechtspositie. Volgens [eiser] had Mariflex PS hem in dat verband tijdig moeten informeren over het uitblijven van de WIA-excedentverzekering, zodat hij zelf nog eigen maatregelen had kunnen treffen.
2.8.
Anders dan [eiser] stelt is de kantonrechter van oordeel dat er geen sprake is van overgang van onderneming per 10 maart 2022. De enkele stelling van [eiser] dat Mariflex PS ‘op enig moment onderdeel uitmaakte van een groter geheel aan ondernemingen’ is onvoldoende om te kunnen spreken van overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 BW Pro. Daarvan kan pas sprake zijn als een onderneming ten gevolge van een overeenkomst, fusie of splitsing overgaat op een andere onderneming. Daarvan is echter niet gebleken. Mariflex PS heeft in dat verband gemotiveerd gesteld dat [bedrijf 2] per 10 maart 2022 volledig bestuurder van Mariflex Group is geworden en daarmee ook (middellijk) bestuurder van Mariflex PS. [eiser] heeft dat ook niet betwist. Daarmee is voldoende gebleken dat er slechts een bestuurswisseling heeft plaatsgevonden en géén overgang van onderneming. Dat vindt bovendien steun in het feit dat Mariflex PS nooit is opgehouden te bestaan en [eiser] tot aan het einde van zijn dienstverband in dienst van Mariflex PS is gebleven. [eiser] heeft verder onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om het tegendeel aan te kunnen nemen.
2.9.
Omdat er geen sprake is geweest van overgang van onderneming zijn alle rechten en verplichtingen, die Mariflex PS jegens haar werknemers – onder wie [eiser] – had, ook na 10 maart 2022 ongewijzigd gebleven. De informatieverplichting op grond van artikel 7:663 jo Pro 7:655 BW is dan ook niet aan de orde. Nog los van de vraag of Mariflex PS wel gehouden was een WIA-excedentverzekering voor [eiser] af te sluiten, was zij in elk geval niet verplicht [eiser] (tijdig) te informeren over het uitblijven daarvan. Van een tekortkoming van Mariflex PS op dit punt is dan ook geen sprake.
Mariflex PS is niet tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen
2.10.
Vervolgens moet de vraag beantwoord worden of Mariflex PS tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter begrijpt de eis van [eiser] zo dat hij zich op het standpunt stelt dat de tekortkoming van Mariflex PS er enerzijds in gelegen is dat zij geen WIA-excedentverzekering voor [eiser] heeft afgesloten en anderzijds dat Mariflex PS heeft nagelaten een betere pensioenregeling voor [eiser] af te sluiten. De kantonrechter is echter van oordeel dat niet vast is komen te staan dat Mariflex PS op deze punten tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen. Dat wordt hierna verder uitgelegd.
(i)
de WIA-excedentverzekering
2.11.
[eiser] stelt terecht dat een werkgever verplicht is haar werknemers adequaat te verzekeren. Naast de verplichte sociale werknemersverzekeringen (zoals de Ziektewet (ZW), Werkloosheidswet (WW) en Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)) strekt die verplichting zich volgens vaste rechtspraak uit tot het sluiten van een verzekering voor arbeidsongevallen. In tegenstelling tot wat [eiser] stelt, geldt dit echter niet voor het afsluiten van een WIA-excedentverzekering. Dit betreft een aanvullende verzekering, die de werkgever noch op grond van de wet noch op grond van jurisprudentie verplicht is af te sluiten. [eiser] heeft niet onderbouwd waar hij zijn stelling op baseert dat een werkgever daar wél toe verplicht is.
2.12.
Uit de dagvaarding leidt de kantonrechter af dat [eiser] zich daarnaast op het standpunt stelt dat Mariflex PS hem toezeggingen heeft gedaan en zodanig heeft gehandeld dat hij er op basis daarvan gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat er een WIA-excedentverzekering voor hem zou worden afgesloten. Ter zitting heeft [eiser] nader toegelicht dat die toezeggingen zijn gedaan door [naam 1] , zowel voorafgaand aan het moment waarop [eiser] arbeidsongeschikt werd als daarna.
2.13.
Naar het oordeel van de kantonrechter kan uit de overgelegde stukken echter op geen enkele manier worden afgeleid dat er door of namens Mariflex PS voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid van [eiser] is toegezegd dat de genoemde verzekering voor hem zou worden afgesloten. Voldoende vast is komen te staan dat [eiser] en [naam 1] destijds hebben gesproken over het onderbrengen van de directie van Mariflex PS (waaronder [eiser] ) in Mariflex Group. Partijen zijn het er over eens dat daarbij ook gesproken is over de arbeidsvoorwaarden, die in dat geval voor [eiser] zouden gaan gelden, en dat daarbij afgesproken is dat [naam 1] in dat kader met een voorstel zou komen. [naam 1] heeft ter zitting echter betwist dat er bij zijn besprekingen met [eiser] , voorafgaand aan diens arbeidsongeschiktheid, expliciet over het afsluiten van een WIA-excedentverzekering is gesproken. Dat daar wél over gesproken is, zoals [eiser] stelt, volgt ook niet uit de overgelegde stukken. Behalve het verslag van het gesprek van 4 april 2022 zijn de genoemde besprekingen namelijk niet schriftelijk vastgelegd. Uit het gespreksverslag van 4 april 2022 kan in elk geval niet worden afgeleid dat er over de WIA-excedentverzekering is gesproken, laat staan dat [naam 1] daarbij toezeggingen zou hebben gedaan over het afsluiten van zo’n verzekering voor [eiser] .
2.14.
[eiser] heeft voor het overige onvoldoende aangevoerd ter onderbouwing van zijn stelling dat [naam 1] op enig moment vóór de arbeidsongeschiktheid van [eiser] enige toezegging over het afsluiten van de betreffende verzekering heeft gedaan. Hij heeft ter zitting weliswaar gesteld dat hij ook ‘eerder’ al heeft gesproken met [naam 1] , waarbij de WIA-excedentverzekering aan de orde is geweest, maar hij heeft niet nader uitgelegd wanneer daarover dan met [naam 1] is gesproken en wat de precieze inhoud van die gesprekken was.
2.15.
Bovendien sluit de stelling van [eiser] dat voorafgaand aan zijn arbeidsongeschiktheid zou zijn toegezegd dat de WIA-excedentverzekering voor hem zou worden afgesloten, niet aan op de inhoud van de e-mail die hij op 2 september 2022 aan de HR-adviseur van [bedrijf 1] , [naam 2] , heeft gestuurd. Daarin vraagt [eiser] namelijk onder andere het volgende:
“(…) Welke aanvullende WGA regeling, inclusief excedentregeling, is van toepassing (…)”
Als [eiser] zou worden gevolgd in zijn stelling dat [naam 1] hem al zou hebben toegezegd dat de WIA-excedentverzekering voor hem zou worden afgesloten, valt niet te verklaren waarom hij op 2 september 2022, dus ná aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid, expliciet navraagt of er een aanvullende excedentregeling van toepassing is. Ook ter zitting heeft [eiser] hier geen plausibele verklaring voor gegeven, ondanks dat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld.
2.16.
In reactie op de hiervoor genoemde vraag van [eiser] heeft [naam 2] per
e-mail van 9 september 2022 bovendien geantwoord: ‘
Ook zie ik geen verzekering die betrekking zou hebben op een WGA-excedentregeling’. Als juist zou zijn dat aan [eiser] toezeggingen waren gedaan over het afsluiten van de verzekering, had het voor de hand gelegen dat hij (direct) zou protesteren tegen deze reactie van [naam 2] . Er is echter niet gesteld of gebleken dat [eiser] dat heeft gedaan.
2.17.
Vast staat verder dat het onderbrengen van de directie van Mariflex PS in Mariflex Group uiteindelijk niet is doorgegaan en [naam 1] daarom ook geen (concept)voorstel voor de arbeidsvoorwaarden meer heeft gedaan. In het midden kan blijven of de onderhandelingen daarover tussen [naam 1] en [eiser] al in een zodanig vergevorderd stadium waren dat [eiser] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij daadwerkelijk in dienst van Mariflex Group zou treden en daarbij zijn arbeidsvoorwaarden zouden veranderen. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is immers niet komen vast te staan dat bij die onderhandelingen de WIA-excedentverzekering aan de orde is gekomen. Dat betekent dat, zelfs als [eiser] in dienst van Mariflex Group zou zijn getreden, dat niet (automatisch) tot gevolg zou hebben gehad dat [eiser] zou zijn aangemeld voor de WIA-excedentverzekering.
2.18.
Voor zover [eiser] zich beroept op ná aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid gedane toezeggingen geldt het volgende. Niet in geschil is dat [eiser] en [naam 1] vanaf medio 2023 wederom meerdere keren met elkaar hebben gesproken. Volgens [eiser] heeft [naam 1] zich tijdens een gesprek op 21 juli 2023 bereid verklaard de gevolgen van het niet-verzekeren van [eiser] financieel te compenseren. Naast het feit dat [naam 1] dat uitdrukkelijk heeft betwist kan echter uit geen van de overgelegde stukken worden afgeleid dat [naam 1] een dergelijke mededeling of toezegging heeft gedaan.
2.19.
Vast staat wel dat [naam 1] uiteindelijk op 2 oktober 2023 aan [eiser] een voorstel heeft gedaan voor een financiële compensatie. Anders dan [eiser] betoogt, kan deze aangeboden compensatie echter niet worden gezien als een erkenning van de verantwoordelijkheid voor het niet-verzekeren van [eiser] . Daarvoor is in de overgelegde correspondentie geen concreet aanknopingspunt te vinden. [naam 1] heeft in zijn e-mail aan [eiser] van 2 oktober 2023 namelijk uitdrukkelijk aangegeven dat het voorstel puur uit coulance wordt gedaan en bedoeld is om het leed van [eiser] , oftewel diens volledige arbeidsongeschiktheid en de (financiële) gevolgen daarvan, enigszins te verzachten.
2.20.
Ter zitting heeft [naam 1] nader toegelicht dat het voorstel gedaan is uit medeleven met de situatie van [eiser] , en dat daarbij ook meespeelde dat [eiser] zelf verder niets aanvullends had geregeld om de gevolgen van zijn (volledige) arbeidsongeschiktheid op te vangen. Dat het voorstel slechts uit coulance is gedaan heeft [naam 1] bovendien nog eens bevestigd en nader uitgelegd in zijn e-mail aan [eiser] van 13 november 2023. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden kon [eiser] het aanbod tot compensatie in redelijkheid evenmin opvatten als een erkenning dat zijn werkgever een fout heeft gemaakt door [eiser] niet tijdig te verzekeren. Nu [eiser] het onverplichte compensatievoorstel heeft verworpen, kan hij daar in deze procedure geen rechten meer aan ontlenen.
2.21.
Tot slot geldt dat, zelfs als wél vast zou komen te staan dat [naam 1] enige toezegging heeft gedaan, hij dit als bestuurder van [bedrijf 1] heeft gedaan en hij uitdrukkelijk heeft betwist dat hij bevoegd is of was om Mariflex PS te vertegenwoordigen of namens Mariflex PS toezeggingen te doen. [eiser] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit afgeleid kan worden dat [naam 1] daartoe wel bevoegd was. Het enkele feit dat het met name [naam 1] is geweest die met [eiser] over onderhavige kwestie heeft gecorrespondeerd is daarvoor niet voldoende, zeker niet nu [naam 1] zich in die correspondentie ook steeds heeft gepresenteerd als CEO van [bedrijf 1] Als [eiser] van mening was dat aan hem in de aanloop naar en in de nasleep van de bestuurswissel toezeggingen in het kader van de WIA-excedentverzekering zouden zijn gedaan, had hij dan ook [bedrijf 1] moeten aanspreken, en níet zijn werkgever Mariflex PS.
2.22.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat Mariflex PS niet is tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [eiser] door geen WIA-excedentverzekering voor [eiser] af te sluiten.
(ii)
de pensioenregeling
2.23.
Volgens [eiser] is Mariflex PS ook tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen door na te laten een betere pensioenregeling voor [eiser] af te sluiten. Uit de overgelegde e-mail van [naam 2] aan [eiser] van 19 juli 2022 leidt de kantonrechter af dat, in het kader van het voornemen om de directie van Mariflex PS onder te brengen in Mariflex Group, ook de gevolgen daarvan voor het pensioen van [eiser] onderwerp van gesprek zijn geweest. Met laatstgenoemde e-mail heeft [naam 2] immers een pro forma berekening van het loon van [eiser] verstrekt conform de arbeidsvoorwaarden, die op dat moment binnen de overkoepelende ‘Vertom-groep’ golden en waarvan een pensioenregeling bij Nationale Nederlanden deel uitmaakte.
2.24.
Vast staat echter dat het onderbrengen van de directie van Mariflex PS in Mariflex Group uiteindelijk niet is doorgegaan en dat [eiser] steeds in dienst van Mariflex PS is gebleven. Niet in geschil is dat op de arbeidsovereenkomst van [eiser] bij Mariflex PS de cao Orsima van toepassing is en werknemers in de vervoerssector op basis van die cao deelnemen aan de pensioenregeling van het Pensioenfonds Vervoer. Het gaat daarbij om een verplichte deelneming aan deze pensioenregeling voor alle werknemers, waarvan niet kan worden afgeweken. Doordat [eiser] steeds in dienst van Mariflex PS is gebleven, geldt ook voor hem dat hij verplicht was deel te nemen aan de pensioenregeling van het Pensioenfonds Vervoer. Het was, kort gezegd, niet aan Mariflex PS als werkgever om [eiser] onder te brengen bij een andere pensioenregeling.
2.25.
[eiser] heeft daarnaast onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat de onderhandelingen tussen [eiser] en [naam 1] over het dienstverband van [eiser] bij Mariflex Group al in een zodanig vergevorderd stadium waren dat [eiser] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij daadwerkelijk in dienst van Mariflex Group zou treden én dat daarmee in dat geval ook automatisch de pensioenregeling bij Nationale Nederlanden voor hem zou gelden. [eiser] lijkt zich in dat verband weliswaar op het standpunt te stellen dat de nieuwe pensioenregeling al nagenoeg volledig voor hem geregeld was en men nog slechts in afwachting was van een akkoord van Nationale Nederlanden, maar dat volgt niet uit de overgelegde stukken. Mariflex PS heeft bovendien onweersproken gesteld dat [eiser] nooit daadwerkelijk is aangemeld bij Nationale Nederlanden en dat met de e-mail van [naam 2] van 19 juli 2022 (de pro forma berekening) niet meer bedoeld is dan aan [eiser] een beeld te schetsen hoe zijn mogelijke dienstverband bij Mariflex Group financieel voor hem zou kunnen uitpakken. Tot dat dienstverband is het echter nooit gekomen.
2.26.
De conclusie is dat Mariflex PS niet is tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen jegens [eiser] door hem niet aan te melden voor een (betere) pensioenregeling bij Nationale Nederlanden.
De eisen van [eiser] worden afgewezen
2.27.
Omdat niet is komen vast te staan dat Mariflex PS tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen wordt de door [eiser] op dat punt gevorderde verklaring voor recht afgewezen. Om diezelfde reden is er geen grond om Mariflex PS te veroordelen de door [eiser] gestelde schade te vergoeden. De primair en subsidiair gevorderde schadevergoeding – inclusief de daaraan gekoppelde rente en buitengerechtelijke incassokosten – worden daarom ook afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
2.28.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] aan Mariflex PS moet betalen op € 2.310,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 1.155,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 2.454,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.29.
Dit vonnis wordt, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de eisen van [eiser] af;
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van Mariflex PS worden begroot op € 2.454,-;
3.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
44487