ECLI:NL:RBROT:2026:7410

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
12262366 VV EXPL 26-334
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29a lid 1 RvArt. 233 RvArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verbod executie ontruiming woning na schending vaststellingsovereenkomst

Eiseres huurt een woning van Woonstichting Patrimonium en had met deze partij een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin was afgesproken dat haar ex-partner niet meer in de woning mocht verblijven, tenzij voor omgang met de kinderen volgens een officiële regeling. Patrimonium stelde dat eiseres deze afspraak had geschonden door haar ex-partner toch toe te laten, waarna zij ontruiming van de woning aankondigde.

Eiseres startte een executiegeschil om de ontruiming te voorkomen. De kantonrechter onderzocht of er sprake was van misbruik van bevoegdheid door Patrimonium en of eiseres zich aan de afspraken had gehouden. Uit verklaringen van een buurtbewoner, een politieagent en videobewijs bleek dat de ex-partner op 23 april 2026 in de woning aanwezig was, ondanks het verbod.

De kantonrechter hechtte meer waarde aan de onafhankelijke getuigenverklaringen dan aan de verklaringen van vrienden van eiseres en haar ex-partner. Hierdoor werd vastgesteld dat eiseres de afspraken had overtreden, waardoor Patrimonium bevoegd was tot ontruiming. De eis van eiseres werd afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De kantonrechter wijst het verbod op ontruiming af en staat de ontruiming van de woning op 17 juni 2026 toe.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12262366 VV EXPL 26-334
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de kantonrechter op basis van artikel 29a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op 15 juni 2026
in de zaak van
[eiseres],
woonplaats: [woonplaats],
eiseres,
gemachtigde: mr. W. Suttorp,
tegen
Woonstichting Patrimonium,
vestigingsplaats: Barendrecht,
gedaagde,
gemachtigde: mr. E. de Ruiter.
De partijen worden ‘[eiseres]’ en ‘Patrimonium’ genoemd.
De kantonrechter is mr. M. Fiege en de griffier is mr. A. Viergever.
Aanwezig zijn:
  • [eiseres] met mr. W. Suttorp;
  • [naam 1] (woonconsulent) met mr. G. Meijerink namens de gemachtigde van Patrimonium.

1.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
1.1.
[eiseres] huurt van Patrimonium de woning aan [adres]. Op 14 april 2026 hebben de partijen in een procedure, bij deze rechtbank bekend onder zaaknummer 12109871 VV EXPL 26-108, een vaststellingsovereenkomst gesloten, die in een proces-verbaal is vastgelegd. Daarin is, onder meer, het volgende opgenomen:
“(…) 1. [eiseres] zal haar ex-partner, [naam 2], vanaf nu niet meer toelaten tot de woning aan [adres], tenzij er sprake is van omgang van de kinderen in het kader van een regeling die is vastgesteld door de daartoe bevoegde instanties. In dat geval zal [naam 2] in en om de woning mogen verblijven voor zover het nodig is om invulling te geven aan die regeling.
2. Als [eiseres] op enig moment handelt in strijd met hetgeen hierboven onder 1 is bepaald, eindigt de huurovereenkomst op dat moment. Patrimonium mag in dat geval vanaf veertien dagen na betekening van dit proces-verbaal de onder 1 genoemde woning laten ontruimen. (…)”
Patrimonium heeft met een exploot van 20 mei 2026 aangezegd dat zij de woning op 17 juni 2026 gedwongen wil ontruimen. [eiseres] is het daar niet mee eens en daarom is zij dit executiegeschil begonnen. [eiseres] wil in deze procedure dat de kantonrechter Patrimonium verbiedt om tot executie over te gaan, op straffe van een dwangsom.
1.2.
Patrimonium heeft verweer gevoerd. Zij voert aan dat zij terecht de ontruiming van de woning heeft aangezegd, omdat [eiseres] zich niet aan de afspraken uit de vaststellingsovereenkomst heeft gehouden. Volgens Patrimonium heeft [eiseres] [naam 2] na 14 april 2026 tóch in haar woning toegelaten. [eiseres] betwist dit.
1.3.
De kantonrechter wijst de eis van [eiseres] af. Dit betekent dat de ontruiming van de woning op 17 juni 2026 mag doorgaan. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
Het staat voldoende vast dat [eiseres] [naam 2] in de woning heeft toegelaten
1.4.
Patrimonium vindt dat zij bevoegd is om tot ontruiming over te gaan, omdat [eiseres] [naam 2] in de woning heeft toegelaten. [eiseres] stelt dat zij dit niet heeft gedaan en dat Patrimonium daarom niet tot ontruiming mag overgaan. In deze zaak moet dus de vraag beantwoord worden of gebruikmaking van de bevoegdheid tot ontruiming van de woning door Patrimonium in de gegeven omstandigheden misbruik van bevoegdheid oplevert. Naar het oordeel van de kantonrechter is daar geen sprake van.
1.5.
De kantonrechter vindt dat voldoende is komen vast te staan dat [eiseres] [naam 2] na 14 april 2026 in de woning heeft toegelaten. Als de verschillende verklaringen en alle andere overgelegde stukken in samenhang met elkaar worden bekeken, levert dat namelijk een logisch en rond verhaal op voor wat betreft de gang van zaken op donderdag 23 april 2026.
1.6.
Eén van de buurtbewoners, [naam 3], verklaart dat hij op 23 april 2026, rond middernacht, een bezorger van Thuisbezorgd via de normale ingang naar de bovengelegen woning van [eiseres] heeft zien lopen en tegelijkertijd [naam 2] naar boven heeft zien lopen via de brandtrap. Die verklaring sluit aan op het door [eiseres] overgelegde bewijs van de bezorging van de bestelling bij Thuisbezorgd om 00:07 uur en de beeldopname van de videodeurbel, waarop te zien is dat een bezorger van Thuisbezorgd rond dat tijdstip over de galerij bij de woning van [eiseres] loopt. Dat [naam 2] niet op die beeldopname te zien is, is begrijpelijk [naam 3] verklaart immers dat [naam 2] niet via de normale ingang, maar via de brandtrap (buiten het zicht van de camera) naar de woning is gegaan.
1.7.
In de daaropvolgende ochtend is hoofdagent [naam 4] bij de woning van [eiseres] gaan kijken. Dat het bezoek van [naam 4] aan de woning daadwerkelijk op 23 april 2026 was, kan worden afgeleid uit zijn e-mail aan Patrimonium van diezelfde dag, waarin hij aangeeft dat hij ‘vanmorgen’ bij de woning van [eiseres] is geweest. [naam 4] schrijft in die mail dat hij door het keukenraam naar binnen heeft gekeken en [naam 2] in de hal heeft zien staan. Uit het filmpje dat [eiseres] met haar mobiele telefoon heeft gemaakt is te zien dat het inderdaad mogelijk is om op ooghoogte door het keukenraam naar binnen te kijken en dat, als de keukendeur open staat, er ook via het keukenraam in de hal gekeken kan worden.
1.8.
[naam 4] verklaart dat hij [naam 2] heeft herkend op basis van zijn signalement, afkomstig van gegevens uit het politiesysteem. Er mag van uit worden gegaan dat een politieagent, zoals [naam 4], de waarheid spreekt. De kantonrechter ziet ook geen enkele aanwijzing om daaraan in dit geval te twijfelen. Volgens [eiseres] heeft [naam 4] zich echter vergist. [eiseres] zegt namelijk dat op dat moment niet [naam 2], maar een vriendin ([naam 5]) in de woning aanwezig was. De kantonrechter heeft de beeldopnamen, waarop [naam 2] duidelijk zichtbaar is, vergeleken met de foto van [naam 5]. Het uiterlijk van [naam 2] en [naam 5] verschilt zodanig dat het volstrekt onaannemelijk is dat [naam 4] beide personen met elkaar zou hebben verward.
1.9.
Het bovenstaande betekent dat er sprake is van een overtuigende verklaring van een onafhankelijke getuige ([naam 4]), die [naam 2] in de woning van [eiseres] heeft gezien. Een verklaring, die aansluit op de verklaring van [naam 3] én die bovendien later nog eens door [naam 4] bevestigd is. Daartegenover staat dat [eiseres] twee verklaringen heeft overgelegd, van zowel haar vriendin [naam 5] als [naam 6], de vriendin van [naam 2]. [naam 5] en [naam 6] zijn echter allebei geen onafhankelijke getuigen, zodat aan die verklaringen minder waarde wordt gehecht dan aan de verklaring van [naam 4].
1.10.
De kantonrechter is op grond van het bovenstaande van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat [eiseres] [naam 2] op 23 april 2026 in haar woning heeft toegelaten, terwijl dat niet was toegestaan. Daarmee heeft [eiseres] zich niet aan de afspraken gehouden uit de vaststellingsovereenkomst. Zoals uit de hiervoor bij 1.1. vermelde afspraken volgt, mag Patrimonium in dat geval de woning laten ontruimen. De eis van [eiseres] wordt daarom afgewezen. Dat heeft ook tot gevolg dat de geplande ontruiming van 17 juni 2026 mag doorgaan.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
1.11.
De proceskosten komen voor rekening van [eiseres], omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [eiseres] aan Patrimonium moet betalen op
€ 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 721,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit proces-verbaal wordt betekend. Op zitting was ten onrechte ook rekening gehouden met de dagvaardingskosten, maar die heeft Patrimonium niet gemaakt. Daarom heeft de kantonrechter dat in dit proces-verbaal gecorrigeerd.
De proceskostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad
1.12.
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat deze uitspraak meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

2.De beslissing

De kantonrechter:
2.1.
wijst de eis van [eiseres] af;
2.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van Patrimonium worden begroot op € 721,-;
2.3.
verklaart 2.2. van deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad.
Dit proces-verbaal is op 16 juni 2026 opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.
44487