ECLI:NL:RBROT:2026:7411

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
12101502 CV EXPL 26-4826
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 RvArt. 93 sub a RvArt. 99 RvVerordening (EU) Nr. 1215/2012Verordening (EG) nr. 864/2007
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling administratieve boetes lage-emissiezone Antwerpen zonder bijkomende kosten

Stad Antwerpen legde aan gedaagde twee administratieve boetes op wegens het rijden in de lage-emissiezone zonder geldige dagpas. Gedaagde erkende de boetes, maar betwistte de bijkomende administratie-, invorderings- en ingebrekestellingskosten, omdat hij deze niet zou hebben ontvangen. De kantonrechter oordeelde dat gedaagde de boetes van in totaal €400,- moet betalen, maar wees de bijkomende kosten af omdat Stad Antwerpen onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de kennisgevingen daadwerkelijk waren ontvangen.

De kantonrechter stelde vast dat de zaak een internationaal karakter heeft, maar dat de Nederlandse rechter bevoegd is omdat gedaagde in Nederland woont. Belgisch recht is van toepassing op de inhoudelijke beoordeling. De boetes zijn terecht opgelegd omdat gedaagde de lage-emissiezone betrad zonder dagpas.

Verder werd een betalingsregeling van €35,- per maand getroffen, die in het vonnis is opgenomen. De proceskosten zijn gecompenseerd, zodat partijen ieder hun eigen kosten dragen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat Stad Antwerpen direct kan incasseren bij niet-naleving van de betalingsregeling.

Uitkomst: Gedaagde moet de administratieve boetes betalen, maar niet de bijkomende kosten wegens onvoldoende bewijs van kennisgeving.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12101502 CV EXPL 26-4826
datum uitspraak: 19 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
de buitenlandse publiekrechtelijke rechtspersoon
Stad Antwerpen,
vestigingsplaats: Antwerpen (België),
eiseres,
gemachtigde: [naam] (Modero gerechtsdeurwaarders Amsterdam),
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats],
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘Stad Antwerpen’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 9 januari 2026, met bijlagen;
  • de aantekeningen van het mondelinge antwoord;
  • de repliek, met bijlagen;
  • de dupliek.

2.De beoordeling

Wat is de kern van de zaak?
2.1.
Op 27 november 2015 heeft het Vlaams Parlement een decreet aangenomen dat ziet op Lage-emissiezones [1] . Op 3 mei 2019 zijn met een Decreet bepalingen gewijzigd [2] . Vervolgens heeft de Vlaamse Regering een Besluit genomen waarin uitleg wordt gegeven over de emissienormen [3] . Stad Antwerpen heeft in het Gemeentelijk Reglement Lage-Emissiezone Antwerpen (Reglement) uitvoering gegeven aan het Decreet en het Besluit door de lage-emissiezone voor de stad Antwerpen vast te stellen. Voertuigen die voldoen aan de emissienormen mogen rijden in de lage-emissiezone (LEZ). Daarnaast is de mogelijkheid opgenomen om een LEZ-dagpas aan te vragen voor voertuigen die niet voldoen aan de normen, maar wel in de zone rijden. De grenzen van de lage-emissiezone worden aangegeven met verkeersborden.
2.2.
Op 9 januari 2022 en 18 maart 2022 is [gedaagde] een lage-emissiezone ingereden. Stad Antwerpen stelt dat het voertuig waarmee [gedaagde] de zone is ingereden niet voldoet aan de emissienormen en dat hij niet beschikte over een LEZ-dagpas. Stad Antwerpen heeft daarom twee administratieve boetes van respectievelijk € 150,- en € 250,- opgelegd. In deze procedure eist Stad Antwerpen dat [gedaagde] veroordeeld wordt die boetes te betalen, naast € 40,- aan administratiekosten, € 30,- aan kosten van invordering en € 28,60 aan kosten voor een ingebrekestelling (28,60).
2.3.
[gedaagde] betwist niet dat hij de boetes moet betalen, maar hij is het niet eens met alle bijkomende kosten. Volgens [gedaagde] is hij nooit eerder op de hoogte gesteld van de boetes en heeft hij ook nooit aanmaningen ontvangen. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat hij inmiddels een betalingsregeling heeft getroffen.
2.4.
De uitkomst is dat [gedaagde] alleen de administratieve boetes van in totaal € 400,- moet betalen. Dat mag hij in termijnen van € 35,- per maand doen. [gedaagde] hoeft de bijkomende kosten en de proceskosten van Stad Antwerpen niet te betalen. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
De kantonrechter in Rotterdam is bevoegd
2.5.
Omdat dit geschil een internationaal karakter heeft, moet de kantonrechter eerst beoordelen of hij bevoegd is om van het geschil kennis te nemen.
2.6.
De kantonrechter oordeelt dat hij bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. In artikel 2.1 tot en met 2.3 van het Reglement is opgenomen dat voertuigen die niet vallen onder de emissienormen of geen LEZ-dagpas hebben aangevraagd niet in de lage-emissiezone mogen rijden. Op grond van artikel 7.2 van het Reglement staat op de eerste overtreding een sanctie van € 150,00. Het opleggen van deze sanctie na de overtreding moet gekwalificeerd worden als een verbintenis die voortvloeit uit de wet [4] . De Brussel I bis-Verordening [5] is niet van toepassing, omdat er sprake is van een administratiefrechtelijke zaak. Deze sanctie is een eenzijdig door Stad Antwerpen opgelegde administratieve boete en kwalificeert daardoor niet als een burgerlijke zaak of handelszaak in de zin van de Verordening.
2.7.
Nu er geen verdragen en verordeningen van toepassing zijn, moet de kantonrechter de bevoegdheid toetsen aan de bepalingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De kantonrechter is op grond van artikel 2 Rv Pro bevoegd om van het geschil kennis te nemen, omdat [gedaagde] in Nederland woont. Meer specifiek is de kantonrechter in Rotterdam bevoegd, op grond van artikel 93 sub a en Pro 99 Rv.
Belgisch recht moet worden toegepast
2.8.
Op grond van de Rome II-Verordening [6] is Belgisch recht van toepassing. Deze verordening bepaalt welk recht van toepassing is op burgerlijke zaken die niet gaan over een verbintenis uit overeenkomst. Uit de feiten en omstandigheden die door partijen in het geding zijn gebracht, blijkt dat de boete is gegeven in Antwerpen, waardoor de verbintenis is ontstaan en alleen kan ontstaan in België. Er is ook geen nauwer verband met een ander land, waardoor Belgisch recht op dit geschil van toepassing is.
[gedaagde] moet de boetes van in totaal € 400,- betalen
2.9.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] € 400,- moet betalen aan Stad Antwerpen. [gedaagde] heeft namelijk niet betwist dat hij met zijn voertuig een lage-emissiezone is ingereden, terwijl dat met zijn overtuig niet is toegestaan en hij ook geen LEX-dagpas had. Stad Antwerpen heeft daarom terecht de administratieve boetes van 150,- en € 250,- opgelegd.
[gedaagde] hoeft geen bijkomende kosten te betalen
2.10.
Stad Antwerpen maakt ook aanspraak op € 40,- aan administratiekosten, € 30,- aan invorderingskosten en € 28,60 aan kosten voor een ingebrekestelling. Dat deel van de eis wordt echter afgewezen. Het staat namelijk niet vast dat [gedaagde] eerder dan door de betekening van de dagvaarding op de hoogte is gebracht van de opgelegde boetes.
2.11.
[gedaagde] heeft betwist dat hij de administratieve boetes en de daarna verzonden brieven (de herinneringen/aanmaningen en ingebrekestelling) heeft ontvangen. In reactie daarop heeft Stad Antwerpen gesteld dat zij de kennisgeving van de administratieve boetes per aangetekende post heeft verstuurd en heeft zij een verzendbewijs overgelegd. De kantonrechter kan daaruit evenwel alleen afleiden dat Stad Antwerpen de kennisgeving juist heeft geadresseerd en aangetekend heeft verzonden. Omdat niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] uitdrukkelijk voor ontvangst van de aangetekende kennisgeving heeft getekend, had het, gelet op de uitdrukkelijke betwisting van de ontvangst door [gedaagde], op de weg van Stad Antwerpen gelegen aannemelijk te maken dat de kennisgeving daadwerkelijk aan [gedaagde] is aangeboden op de wijze die daartoe op de plaats van bestemming (Rotterdam) is voorgeschreven. Dat had zij bijvoorbeeld kunnen doen door het overleggen van een verklaring van de postbezorger dan wel door het overleggen van een afhaalbericht, dat door de postbezorger bij [gedaagde] achter is gelaten en waardoor [gedaagde] wist althans kon weten dat er een voor hem bestemde aangetekende brief klaarlag om te worden afgehaald. Stad Antwerpen heeft dat echter niet gedaan en heeft verder ook niet op een andere manier aannemelijk gemaakt dat de kennisgeving (op de juiste wijze) aan [gedaagde] is aangeboden.
2.12.
Ook voor wat betreft de overige brieven (de door Stad Antwerpen en/of haar gemachtigde verzonden herinneringen/aanmaningen en de ingebrekestelling) heeft Stad Antwerpen, tegenover de betwisting van [gedaagde], onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde] die brieven wél ontvangen heeft. De enkele stelling van Stad Antwerpen dat deze brieven zijn verzonden naar het adres, waarop [gedaagde] volgens de Basisregistratie Personen stond ingeschreven, is daarvoor onvoldoende.
2.13.
Omdat op grond van het bovenstaande niet vast is komen te staan dat [gedaagde] de opgelegde boetes en door of namens Stad Antwerpen verzonden herinneringen/aanmaningen en ingebrekestelling heeft ontvangen is niet gebleken dat [gedaagde] in verzuim is geraakt en bestaat er naar het oordeel van de kantonrechter in redelijkheid geen grond om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de door Stad Antwerpen geëiste kosten, die zijn verbonden aan de invordering van de boetes.
Partijen hebben een betalingsregeling afgesproken
2.14.
Uit het antwoord van [gedaagde] en de repliek van Stad Antwerpen blijkt dat partijen ná dagvaarding, namelijk op 4 februari 2026, een betalingsregeling hebben getroffen. In de schriftelijke bevestiging van die betalingsregeling is opgenomen dat [gedaagde] € 35,- per maand zal betalen, telkens uiterlijk op de 25e van elke maand. Deze betalingsregeling wordt opgenomen in dit vonnis, op de wijze zoals hierna bij de beslissing vermeld.
Partijen dragen ieder de eigen proceskosten
2.15.
Omdat niet vastgesteld kan worden dat [gedaagde] de boetes en de daaropvolgende incassobrieven heeft ontvangen is niet gebleken dat [gedaagde] (voldoende) in de gelegenheid is gesteld tot betaling over te gaan en daarmee een procedure te voorkomen. Gelet op die omstandigheden ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat iedere partijen ieder de eigen proceskosten betalen en dat zij dus geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij voor deze rechtszaak heeft gemaakt.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.16.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Stad Antwerpen dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Stad Antwerpen te betalen € 400,-;
3.2.
bepaalt dat Stad Antwerpen het hiervoor genoemde bedrag niet kan opeisen zolang [gedaagde] elke maand uiterlijk op de 25e dag van de maand € 35,- aflost;
3.3.
wijst al het andere af;
en, als [gedaagde] een maandelijkse termijn niet of te laat betaalt:
3.4.
bepaalt dat [gedaagde] het bedrag dat op dat moment open staat direct in één keer aan Stad Antwerpen moet betalen;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
44487

Voetnoten

1.Decreet betreffende Lage-emissiezones (C-2015/36551)
2.Decreet tot wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 27 november 2015 betreffende lage-emissiezones (C/2019/41146)
3.Besluit betreffende Lage-emissiezones (C-2016/35312)
4.Rechtbank Den Haag 10 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:14057
5.Verordening (EU) Nr. 1215/2012 betreffende rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
6.Verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen