ECLI:NL:RBROT:2026:7423

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
ROT 26/3642
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening duurzame ontheffing arbeidsverplichting bij bijstand

Verzoekster ontvangt een bijstandsuitkering en heeft een tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichting tot 8 juli 2027. Zij verzoekt om een duurzame ontheffing om haar echtgenoot naar Nederland te kunnen halen voor zorgondersteuning.

De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster momenteel niet zonder zorg is en dat de zorg ook door andere voorzieningen kan worden ingevuld. De tijdelijke ontheffing is nog van kracht en verzoekster kan de beslissing op bezwaar afwachten.

Daarom is er geen sprake van onverwijlde spoed en wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor duurzame ontheffing van de arbeidsverplichting wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/3642

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juni 2026 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Inleiding

1. Verzoekster heeft het college gevraagd om ontheffing van de arbeidsverplichting. Met het besluit van 31 maart 2026 heeft het college verzoekster tijdelijk ontheffing verleend van 9 juli 2025 tot en met 8 juli 2027. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Verzoekster ontvangt een bijstandsuitkering en hierdoor heeft zij ook een arbeidsverplichting. Het college heeft verzoekster tijdelijk ontheffing verleend van die verplichting, zodat zij tot en met 8 juli 2027 niet hoeft te zoeken naar betaald werk. Verzoekster is het er niet mee eens dat het college haar maar voor een beperkte periode ontheffing heeft verleend. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij duurzaam wordt ontheven van de arbeids- en re-integratieverplichtingen.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist.
5. Verzoekster voert aan dat zij vanwege haar medische situatie afhankelijk is van haar ouders en broer. Deze situatie is niet duurzaam houdbaar en legt een zware belasting op haar familie. Verzoeksters moeder is ziekgemeld op haar werk, omdat zij intensief betrokken is bij de zorg voor verzoekster. Verzoeksters vader werkt parttime en kan slechts ondersteuning bieden op de momenten waarop verzoeksters moeder daartoe niet in staat is. Daarnaast is verzoeksters broer ook maar beperkt beschikbaar omdat hij 32 uur per week werkt. De echtgenoot van verzoekster verblijft in Marokko. Als hij op korte termijn naar Nederland kan komen, dan kan hij een bijdrage leveren in de zorg. Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning voor gezinshereniging is het echter noodzakelijk dat verzoekster duurzaam wordt ontheven van de arbeidsverplichting.
6. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster op dit moment tot 8 juli 2027 is vrijgesteld van de arbeidsverplichting. Verder is niet gebleken dat zij op dit moment van zorg verstoken is en al zou dat wel het geval zijn, dan is nog maar de vraag of die zorg dan per se door haar echtgenoot verleend dient te worden. Wellicht kan in dat geval een beroep doen op voorzieningen vanuit (bijvoorbeeld) de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verzoekster de beslissing op bezwaar zou kunnen afwachten en geen spoedeisend belang heeft bij een beoordeling van haar verzoek.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.