ECLI:NL:RBROT:2026:7447

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
ROT 26/3972
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen voorwaarde horeca-exploitatievergunning

Verzoekster heeft vergunningen gekregen voor het exploiteren van haar horeca-inrichting, waarbij een voorwaarde is gesteld dat haar ex-partner zich niet in de horeca-inrichting mag bevinden. Verzoekster is het hier niet mee eens en vraagt om een voorlopige voorziening om deze voorwaarde te laten vervallen totdat op haar beroepschrift is beslist.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de voorwaarde alleen betrekking heeft op het betreden van de horeca-inrichting en niet op de nabijheid daarvan. Verzoekster kan haar onderneming naar het oordeel van de rechter gewoon exploiteren, en het overdragen van de kinderen kan aan de deur plaatsvinden. Ook is het niet noodzakelijk dat de ex-partner in de horeca-inrichting kan eten of aanwezig is.

Gezien deze omstandigheden is onvoldoende spoedeisend belang aanwezig om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen zonder zitting en zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de voorwaarde dat de ex-partner de horeca-inrichting niet mag betreden, wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/3972

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juni 2026 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

en

de burgemeester van Rotterdam

(gemachtigde: mr. S.B.H. Fijneman).

Inleiding

1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een exploitatie- en alcoholwetvergunning voor haar horeca-inrichting. Met het besluit van 28 juli 2025 heeft de burgemeester deze aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 november 2025 op het bezwaar van verzoekster heeft de burgemeester de gevraagde vergunningen verleend en daar bepaalde voorwaarden aan verbonden. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Aan de vergunningen zijn drie voorwaarden verbonden die zien op de ex-partner van verzoekster ( [persoon A] ). Eén van deze voorwaarden is dat hij zich niet in verzoeksters horeca-inrichting mag bevinden. Verzoekster is het niet eens met deze voorwaarde. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat deze voorwaarde komt te vervallen totdat er op haar beroepschrift is beslist.
4. De voorzieningenrechter treft, gelet op grond artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist.
5. Verzoekster voert aan dat zij twee minderjarige kinderen heeft met haar ex-partner. Hun kinderen hebben extra zorg en begeleiding nodig. Volgens verzoekster moet haar ex-partner de kinderen kunnen halen en brengen bij haar horeca-inrichting. Eén van haar kinderen heeft meerdere beperkingen, waardoor hij niet of nauwelijks zelfstandig buiten kan wachten. Hierdoor ontstaat volgens verzoekster een onwerkbare en belastende situatie voor het kind en verzoekster. Daarnaast is verzoekster van mening dat haar ex-partner in voorkomende gevallen ook kort aanwezig moet kunnen zijn in haar horeca-inrichting, bijvoorbeeld om iets te eten. De voorwaarde dat de ex-partner van verzoekster niet in de buurt van de horeca-inrichting mag komen, maakt het voor haar praktisch onmogelijk om haar onderneming volledig te draaien.
6. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat de voorwaarde luidt: “De heer [persoon A] mag zich niet in de horeca-inrichting bevinden”. Aan de vergunning is dus niet de voorwaarde verbonden dat de ex-partner van verzoekster zich niet in de buurt van de horeca-inrichting mag bevinden. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat verzoekster in staat is om haar horeca-inrichting te exploiteren. Het is wellicht onhandig dat haar ex-partner zich niet mag bevinden in haar horeca-inrichting, maar het overdragen van de kinderen kan ook aan de deur gebeuren. Daarbij kan de ex-partner verzoekster telefonisch laten weten dat hij in de buurt is. De voorzieningenrechter ziet niet in dat het noodzakelijk is dat de kinderen buiten op hun vader wachten. Evenmin ziet de voorzieningenrechter in dat het noodzakelijk is dat de ex-partner van verzoekster in de horeca-inrichting kan eten. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verzoekster de uitspraak op haar beroep kan afwachten en dat zij onvoldoende spoedeisend belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar verzoek.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.