ECLI:NL:RBROT:2026:7448

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/123
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 TBSHArt. 3 TBSHArt. 13 lid 1 AOWArt. 26 IVBPR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag eenmalig bedrag ouderen Surinaamse herkomst wegens leeftijdscriterium

Eiseres vroeg een eenmalig bedrag toegekend op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (TBSH). De Sociale Verzekeringsbank (SVB) wees de aanvraag af omdat eiseres bij haar komst naar Nederland op 6 mei 1975 nog geen 18 jaar was, zij was 17 jaar en 9 maanden. Eiseres voerde aan dat zij de zorg droeg voor haar jonge dochter en dat de leeftijdsvoorwaarde daarom niet had moeten leiden tot afwijzing.

De rechtbank oordeelde dat de SVB terecht de aanvraag had afgewezen omdat eiseres niet voldeed aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 3 TBSH Pro, waaronder de leeftijdsvoorwaarde. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat eiseres niet in een vergelijkbare situatie verkeerde als personen die wel gehuwd waren bij vestiging in Nederland. Ook het beroep op verboden leeftijdsdiscriminatie werd verworpen, omdat de leeftijdsvoorwaarde een objectieve maatstaf is die aansluit bij de Toescheidingsovereenkomst en het politieke doel van het TBSH.

De rechtbank benadrukte de terughoudende toetsing van het bestuursrecht bij politiek-bestuurlijke afwegingen en vond geen bijzondere omstandigheden die toepassing van het voorschrift onredelijk zouden maken. De afwijzing van de aanvraag was daarom rechtmatig. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de aanvraag wegens niet voldoen aan de leeftijdsvoorwaarde.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/123

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A. el Idrissi),
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, de SVB
(gemachtigde: mr. K. Verbeek).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een eenmalig bedrag op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (TBSH). De SVB heeft haar aanvraag afgewezen omdat eiseres geen 18 jaar was toen zij in Nederland kwam wonen. Zij was 17 jaar en 9 maanden en droeg de zorg voor haar jonge dochter en vindt dat haar aanvraag daarom niet had moeten zijn afgewezen. Aan de hand van de door eiseres aangevoerde beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB terecht heeft geoordeeld dat eiseres geen recht heeft op het eenmalig bedrag op grond van het TBSH. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor een eenmalig bedrag op grond van het TBSH. De SVB heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 27 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 november 2024 op het bezwaar van eiseres is de SVB bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft nadere gronden ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de SVB.
2.3.
Na de zitting hebben partijen een schriftelijke reactie ingediend op de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 9 april 2026 in zaken over het TBSH.

Wettelijk kader

3. In artikel 2 van Pro het TBSH staat dat met dit besluit als gebaar van erkenning een eenmalig bedrag wordt toegekend aan ouderen van Surinaamse herkomst, dat ziet op de unieke samenloop van omstandigheden van deze groep, gevormd door de verwachtingen die zijn ontstaan rondom het onafhankelijkheidsproces van Suriname, in verband met de komst van deze groep naar Nederland met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst, het onrecht dat deze groep ervaart, omdat zij veronderstelden door de komst naar Nederland ook recht op een volledige ouderdomsuitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet te krijgen, terwijl soms over een lange periode geen recht op grond van de Algemene Ouderdomswet is opgebouwd, en de politiek-bestuurlijke wens om de pijn van deze groep vanwege deze samenloop van omstandigheden te erkennen.
Op grond van artikel 3 van Pro het TBSH heeft een persoon recht op een eenmalig bedrag, indien deze aan alle van de volgende cumulatieve vereisten voldoet:
uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst;
voorafgaand aan het tijdstip waarop deze persoon in Nederland ging wonen in Suriname woonde;
ten minste de leeftijd van 18 jaar had bereikt op het tijdstip, waarop deze persoon in Nederland ging wonen; en
op 1 juli 2024 ten minste 20 jaar in Nederland heeft gewoond.

Totstandkoming van het bestreden besluit

4. Op grond van artikel 13, eerste lid van de Algemene Ouderdomswet (AOW) heeft een groep ouderen van Surinaamse herkomst geen volledige AOW-uitkering opgebouwd, omdat de jaren waarin zij in Suriname woonden niet meetellen. Voor ieder gemist jaar wordt de AOW in hoofdregel met 2% gekort. Dit is als onrecht ervaren, omdat Suriname voor de onafhankelijkheid op 25 november 1975 onderdeel was van het Koninkrijk der Nederlanden. De Raad heeft geoordeeld dat belanghebbenden met juistheid niet als ingezetenen zijn aangemerkt voor de jaren dat zij in Suriname woonden. De AOW-opbouw van voormalig ingezetenen van Suriname is, omdat het wettelijk kader geen ruimte bood, destijds onder de aandacht van de wetgever gebracht. [1] Het TBSH heeft onder meer als doel een gebaar van erkenning te maken naar een afgebakende groep ouderen van Surinaamse herkomst met een groot en langlopend gevoel van onrechtvaardigheid. Als aan alle cumulatieve voorwaarden wordt voldaan, maakt de belanghebbende aanspraak op een eenmalig bedrag van € 5.000,-.
5. Aan het bestreden besluit heeft de SVB ten grondslag gelegd dat eiseres niet de leeftijd van 18 jaar had bereikt toen zij in Nederland ging wonen, en daarmee niet voldoet aan de voorwaarde gesteld in artikel 3, aanhef en onder c, van het TBSH.

Beoordeling door de rechtbank

6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres toen zij op 6 mei 1975 naar Nederland kwam nog geen 18 jaar oud was en daarmee niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 3, aanhef en onder c, van het TBSH. De rechtbank beoordeelt of de SVB de aanvraag van eiseres om een eenmalig bedrag op grond van het TBSH terecht heeft afgewezen.
Gelijkheidsbeginsel
7. Eiseres stelt zich met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 9 april 2026 [2] op het standpunt dat eiseres aanspraak maakt op het eenmalig bedrag. De rechtbank vat dit op als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is vereist dat sprake is van gevallen die op relevante punten vergelijkbaar zijn. In de uitspraak van 9 april 2026 oordeelt de Raad dat strikte toepassing van artikel 3, aanhef en onder c, van het TBSH met als gevolg dat personen van Surinaamse herkomst die uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland zijn komen wonen en eerder in het huwelijk waren getreden worden uitgesloten van de tegemoetkoming, in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Nu eiseres, anders dan de betrokkene in de uitspraak van 9 april 2026, niet gehuwd was toen zij in Nederland kwam wonen, is er geen sprake van gevallen die op relevante punten vergelijkbaar zijn. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.
De exceptieve en rechtstreekse toetsing in het kader van strijd met hoger recht
8. Eiseres voert aan dat het toepassen van artikel 3, aanhef en onder c, van het TBSH leidt tot verboden leeftijdsdiscriminatie. Zij stelt zich op het standpunt dat er voor het leeftijdsonderscheid geen objectieve rechtvaardigingsgronden zijn en dat het toepassen van het leeftijdsonderscheid strijd oplevert met het gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). De rechtbank vat deze beroepsgrond zo op dat toepassing van artikel 3, aanhef en onder c, van het TBSH onrechtmatig is wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel (verboden leeftijdsdiscriminatie) en daarmee buiten toepassing moet worden gelaten.
9. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit berust op een gebonden bevoegdheid die haar grondslag vindt in een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin, te weten het TBSH. Een algemeen verbindend voorschrift kan, ook wanneer het gaat om de uitoefening van een gebonden bevoegdheid, buiten toepassing worden gelaten als het wettelijk voorschrift als zodanig niet rechtmatig is (de exceptieve toetsing) of als toepassing van het wettelijk voorschrift in het concrete geval van de belanghebbende niet rechtmatig is (de rechtstreekse toetsing). [3]
10. De rechtbank overweegt met betrekking tot de toetsingsintensiteit dat de regelgever bij de totstandkoming van een algemeen verbindend voorschrift, zoals het TBSH, veel beslissingsruimte heeft. Het TBSH, met inbegrip van de daarin opgenomen criteria die de grens bepalen tussen personen die wel, en personen die geen aanspraak kunnen maken op het eenmalig bedrag, is bij uitstek het resultaat van een politiek-bestuurlijke afweging. De bestuursrechter heeft niet de taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen wordt toegekend naar eigen inzicht vast te stellen. Dit betekent dat de rechter het TBSH en de daarin vastgestelde voorwaarden zeer terughoudend moet toetsen.
De exceptieve toetsing
11. Uit de Nota van toelichting blijkt dat de regelgever heeft gekozen voor de leeftijdsvoorwaarde van ten minste 18 jaar oud op het moment van verhuizing naar Nederland, omdat daarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat de verhuizing naar Nederland een welbewuste keuze moet zijn geweest. Bij de leeftijd van minimaal 18 jaar kan ervan uitgegaan worden dat iemand een bewuste keuze heeft gemaakt om naar Nederland te verhuizen of in Suriname te blijven wonen. Naar hedendaags begrip is iemand vanaf de leeftijd van 18 jaar immers meerderjarig, aldus de Nota van toelichting. Deze leeftijd sluit bovendien aan bij de Toescheidingsovereenkomst waarin expliciet is geregeld dat iemand op 18-jarige leeftijd meerderjarig is en zelfstandig de keuze voor Nederland of Suriname kon maken. [4]
In de Nota van toelichting staat ook dat het doel van het TBSH is om een gebaar te maken naar een groep die welbewust de keuze heeft gemaakt om naar Nederland te komen, omdat zij zich Nederlander voelden, en Nederlander wilden blijven. [5] De regelgever heeft klaarblijkelijk niet het oog gehad op de groep personen die op het moment van verhuizing naar Nederland te jong werden geacht om zelfstandig de keuze voor Nederland of Suriname te maken, maar er vervolgens wel voor heeft gekozen om in Nederland te blijven.
12. Zoals hierboven onder punt 10 is toegelicht, moet de rechtbank het TBSH zeer terughoudend te toetsen. Dat betekent dat de leeftijdsvoorwaarde alleen onverbindend kan worden geacht als deze zeer duidelijk ongeschikt of niet noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken. Met de leeftijd van achttien jaar is een objectiveerbare maatstaf aangelegd waarmee is aangesloten bij de Toescheidingsovereenkomst. De keuze voor een leeftijdsvoorwaarde die aansluit bij de Toescheidingsovereenkomst, kan de hier aan te leggen zeer terughoudende rechterlijke toetsing doorstaan. De leeftijdsvoorwaarde van artikel 3, aanhef en onder c, van het TBSH is niet zeer duidelijk ongeschikt of niet noodzakelijk gelet op de doelgroep die de regelgever voor ogen had. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De rechtstreekse toetsing
13. In het kader van de rechtstreekse toetsing beoordeelt de rechtbank of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in dit geval voor eiseres zozeer in strijd komt met het hoger recht dat die toepassing achterwege moet blijven. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de uitkomst (‘onder de streep’) van het bestreden besluit door bijzondere omstandigheden tot een onevenredige uitkomst zou leiden. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor de belanghebbende onredelijk bezwarend is. [6]
14. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat de uitkomst van het bestreden besluit onredelijk bezwarend is voor eiseres. De SVB heeft ter zitting verklaard dat eiseres niet is gekort op haar AOW-uitkering. Eiseres behoort daarmee niet tot de doelgroep zoals geformuleerd in het TBSH. Bij het afbakenen van een groep van rechthebbenden is vrijwel altijd sprake van grensgevallen. Dat eiseres net geen 18 was toen zij in Nederland kwam wonen, is op zichzelf onvoldoende om aan de hoge drempel te voldoen dat een individuele situatie zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel dat de toepassing daarvan achterwege moet blijven. Bovendien betreft het een begunstigend besluit: met het bestreden besluit wordt weliswaar aan eiseres het eenmalig bedrag onthouden, maar er wordt geen financiële verplichting of anderszins een belastend besluit opgelegd. Ook het gegeven dat eiseres de zorg droeg voor haar dochter die destijds 9 maanden oud was, maakt niet dat de uitkomst van het bestreden besluit onevenredig bezwarend is voor eiseres. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Hardheidsclausule
15. Eiseres stelt dat strikte toepassing van het leeftijdsvereiste niet redelijk is en dat het hanteren van een hardheidsclausule zou voorkomen dat mensen zoals zij onterecht worden uitgesloten. De rechtbank stelt vast dat er geen hardheidsclausule is opgenomen in het TBSH. Uit het commissiedebat van 29 juni 2023 volgt dat dit een bewuste keuze van de minister is geweest. [7]
16. Gelet op het voorgaande heeft de SVB de aanvraag van eiseres om een eenmalig bedrag op grond van het TBSH terecht heeft afgewezen.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en geen aanspraak maakt op het eenmalig bedrag. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Usmany, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1965.
3.Zie de uitspraak van de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (het CBb) van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.
4.Staatsblad 2023, 386, p. 8-9.
5.Staatsblad 2023, 386, p. 7.
6.Zie de uitspraak van het CBB van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190, r.o. 8.2.
7.Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 20 361, nr. 220.